Onder lichte verdoving

Hotel De Looier

In een zijstraatje van de Looiersgracht hangt het bordje ‘hotel’. In de hel verlichte hal met gele muren liggen witte plavuizen. Er staan vitrinekasten met souvenirs en er hangen gekke transparante objecten aan het plafond. Was dit ooit kunst?

De receptiedesk is betegeld met blauw mozaïek. Erachter zit een vrouw met een Slavisch accent. Ze geeft me een ouderwetse kamersleutel met stalen label. “Als u morgen wilt ontbijten, dan kan dat hier.” Breakfast is 7,49 euro, staat op het boekingsformulier. Een bijzonder bedrag.

Mijn rug doet pijn. Het matras met uitstekende veren van de laatste nacht heeft zijn sporen achtergelaten. Veel heb ik over voor een goed bed en een douche die werkt om bij te komen van de hotels van de laatste twee dagen. In de bar van de ontbijtzaal zie ik een rij wijnflesjes staan. Wijn is een geaccepteerde verslaving. Een preventieve verdoving voor als het verblijf opnieuw een beproeving blijkt.
“Heeft u wijn?” vraag ik. Ze loopt naar de bar en komt terug met een flesje. “Alstubliiieeeft.” Ik vraag of ze er ook een glas bij heeft. Ze kijkt me verwonderd aan, loopt weer naar de bar en komt terug met een cognacglas. “Sorry, heb vandaag geen wijnglas.”

Een vrouw komt bij de receptie. Ze heeft betaald voor internet, maar het werkt niet. “Maar u krijgt het geld terug,” zegt de receptievrouw. “Ik wil mijn geld niet terug, ik wil graag op internet. Ik wacht wel tot het werkt.” Stuurs kijkend gaat de zo de stoel zitten. Waarom neemt de geen wijn en drinkt ze het leven niet dragelijk?

In de hal naar de lift hangen twee posters van Corneille met de tekst Corneille in de Looier. Morgen wordt deze schilder begraven. Even sta ik stil als eerbetoon. Als ik daarna de trap oploop, stoot ik mijn hoofd.

De kamer is groot en stijlvol donker. Van de drie ramen op de muur is eentje echt. De rest zijn stoffen vormen om te verhullen dat het een blinde muur is. Er staan twee bedden tegen elkaar en een tegen de wand. Door de bedlampjes wordt de kamer nog sfeervoller. Ik zet mijn tas neer, doe de telefoon en laptop in het stopcontact en voel me direct thuis. De kamer is sfeervol.  Op het bed liggen grijze bedlopers. Buiten regent en onweert het.

Met drie kussens in mijn rug lig ik op bed en staar naar de TV. Het matras ligt zacht. Een slok wijn. Ik sluit mijn ogen en val in een diepe slaap. Een uur later schrik ik wakker. Hoofdpijn bijt in mijn hersenen, maar ik moet schrijven. Met mijn tas ga ik naar beneden en slaapdronken stoot ik opnieuw mijn hoofd aan het te lage plafond. Een stekende pijn in mijn voorhoofd. Een hersenschudding?

De vrouw van de receptie zit achter de computer. De andere vrouw zit nog steeds op de fauteuil ernaast. In een kroeg ga ik zitten schrijven. Wijn uit smaakt toch beter uit een wijnglas. Terug in het hotel gaat de hoofdpijn over in een comateuze slaap. Weer schrik ik wakker. Het ontbijt.

Bij de receptie staat dezelfde vrouw. “Doet het internet het alweer?”
“Ja, zegt de receptionist. Internet doet het weer.”

“Sorry, uw ontbijt is niet inbegrepen,” zegt de ontbijtmevrouw als ze op de lijst mijn kamernummer zoekt. “Het spijt me erg.”
“Ontbijt is 12,50,” zegt de man achter de receptie.
“Ik las dat het 7,49 euro kost,” zeg ik.
“Ja, dat is als u uw ontbijt via internet boekt. Als u hier eenmaal bent, dan kost het 12,50. Ik bekijk het ontbijtbuffet en zie de lege kan jus d’orange, de schaal brood en plakjes kaas. Meer dan 7,49 euro is het niet waard.

“Ik wil graag alleen een cappuccino,” vraag ik. Vandaag ontbijt ik niet.

Hotel De Looier is een ooit modern ingericht hotel waarvan de entree is verouderd, maar de kamers zijn gerenoveerd en aanmerkelijk sfeervoller dan de rest van het hotel. Het is onderdeel van WIN Hotels. Het driesterrenhotel ligt in De Jordaan, in een voormalige diamantslijperij.

Hotel De Looier, 3e Looiers Dwarsstraat 75
Vanaf 65 euro

Met haperende sloten

City Garden Hotel

Aan het eind van de P.C. Hooftstraat, vlakbij het Vondelpark wapperen de vlaggen van verschillende landen. Duidelijk een hotel met internationale allure.

“You are faster than the fax,” lacht de receptionist, terwijl hij in een stapel prints graait. Hij kan de reservering niet vinden. Als hij hem eindelijk heeft, kijkt hij zorgelijk. “Oh, I only have a double room in the basement.” Hij wacht mijn reactie af. “But there’s AC,” zegt hij troostend, terwijl hij gebaart naar het plafond.

De trap af. Op de rode vloerbedekking liggen houtschilvers en een lange grijze doek. Het ziet eruit alsof hier jaren niemand is geweest. De deur van de kamer gaat niet open. Het lichtje blijft rood. Terug naar boven. “Sorry, soms doen de sloten het niet. Vandaag heeft iedereen er last van. Je bent de zoveelste. Soms doen ze het de ene keer wel de andere niet, de ene dag wel, de andere niet.”
“My key doesn’t work.” Een andere gast heeft hetzelfde probleem. De receptionist geeft hem een stalen sleutel.

Nogmaals naar beneden. Dit keer gaat de deur wel open. De kamer is donker en triest. Tegen het plafond zitten twee smalle ramen en een airconditoningapparaat. Van de plafondlamp komt koud wit licht. Het kapje is van het bedlampje; uit het stompje steken twee losse draadjes. Het bed lijkt al beslapen. Ook de handdoek in de badkamer lijkt gebruikt.

Vaker heb ik in dit soort kelderkamers geslapen, maar deze kamer voelt niet goed. Hoe komt dat? De twee minuten dat ik binnen ben, merk ik dat de zuurstof uit mijn lichaam vloeit. Het lijkt of ik de druk van het hele gebouw op mijn hoofd voel. Wat is er in deze kamer gebeurd dat hier zo’n negatieve energie hangt? Zelfs de telefoon heeft geen ontvangst. Snel, weg, naar boven. Met mijn tas vlucht ik naar de receptie om daar te gaan werken.

“The key doesn’t work?” vraagt de receptionist. Ik antwoord dat de sleutel niet het probleem is. “Is it, because it’s the basement?” Hij fronst.
“Nee,” stamel ik. “The room doesn’t feel good.” Is dat een legitieme reden om een kamer af te keuren? Door mijn hoofd flitsen alle vreselijke gasten die aan de receptie hebben gestaan omdat de kamer aan de verkeerde kant van het hotel zat, te klein was, te ver weg verwijderd was van de andere kamer.
“Is it really the last room you have?” vraag ik. Hij bevestigt dat het de allerlaatste kamer is. Betekent dit dat ik straks terug moet naar de kelder? Ik kan ook het hotel ontvluchten. Het Vondelpark inlopen. Frisse lucht. Of naar een ander hotel.

Hij vraagt of ik het een probleem vindt om op een vierpersoonskamer te liggen. Er is hoop. Misschien hoef ik niet terug naar de bedompte kelder. Ik knik gretig ja en vertel dat ik een boek over hotels schrijf.
“In that case, I give you a room on the top floor. With park view. It’s one of the best rooms we have.” Waar haalt hij plotseling een kamer vandaan? Was deze eigenlijk bedoeld voor iemand anders of stond deze nog wel leeg?

Naar de vierde verdieping. Opnieuw doet de sleutelkaart het niet. Terug. “Sorry,” zegt de receptionist lachend en hij steekt hem opnieuw in het apparaat dat de kaart activeert.
De nieuwe kamer is een stuk groter. Licht stroomt uit het kleine zolderraam en hult de kamer in een zonnige waas. Er staan twee fauteuils.  Het lijkt of er twee flatscreens hangen, maar eentje blijkt een spiegel. Ik ga op het bed zitten. Het matras is dun. Een pijnscheut door mijn rug.

Op bed ga ik liggen schrijven. Nooit eerder was het zo prettig om een ruime kamer te hebben. Steeds kijk ik om me heen om te genieten van de ruimte. ’s Avonds laat verlaat ik het hotel om iets te eten. Als ik terugkom werkt de sleutel niet. De receptionist laat me binnen. Hij zit aan de telefoon. “It’s not included. Shall I offer him breakfast?” Heeft hij het over mij? Hij schudt lachend zijn hoofd. “Use this one.” Hij geeft me een ouderwetse metalen sleutel. “This always works.”

Een lange nacht. Uitgerust neem ik een douche. Als ik uit het raampje kijk, zie ik een busje van de slotenmaker staan. Het probleem wordt opgelost. Een hotel met daadkracht.

“Can I have your room number?” Het tweede kamernummer weet ik niet meer, dus ik pak het kaartje erbij. Er is aangekruist: Breakfast included.

Het meisje schudt haar hoofd ferm. “Sorry, breakfast is nog included. You are not on my list.”
Ik moet denken aan de woorden van een vriend die vaak in hotels slaapt. “Er zijn twee hotels: hotels waar je je welkom voelt en hotels waar je je niet welkom voelt.”

Weer wil ik niets liever dan het hotel ontvluchten. Verbaasd wijs ik op de kaart. Dan loopt ze met mijn kaart naar de receptie. “Wait.” Met mijn cappuccino in de hand sta ik te wachten. Ongemakkelijk. Als de koffie op is, komt ze terug. “Yes, you can have breakfast.”

Hotel City Garden is een ouderwets hotel dat al jarenlang niet grondig is gerenoveerd. Het ligt aan het begin van de P.C. Hoofstraat, aan de zijde van het Vondelpark. City Garden is onderdeel van de groep WIN Hotels.

Hotel City Garden, P.C. Hooftstraat 162
Vanaf 65 euro

Via een tussenpersoon

Hotel Travel

Een intrigerend kantoortje in de Warmoesstraat met een bordje HOTEL voor het raam. Hier moet ik naar binnen, dit ziet er spannend uit. De man achter de desk zit te bellen. Achter hem een rek met folders van kwaliteitshotels.

Er staan twee meisjes te wachten. Ze zoeken een hotel.
“Ohh, everything is full,” zegt de man met een grappig accent. “But I have a place for you. Only 35 euro’s. It’s no hotel. More like a bed & breakfast. Okay?” Hij wacht even, buigt naar voren en fluistert: “Listen very carefully. It’s at the other side of the street.”

Zijn computerscherm staat vol met foto’s. Hij vergroot eentje van een deur van de stomerij aan het eind van de straat. “Look for this door. You will recognize this, it’s the laundry service. Go through that door with this key. Then you walk upstairs and look for this yellow door.” Hij laat een andere foto op zijn scherm zien. “Next to the door is a postbox. You have to put this paper in the postbox.”

De meisjes lachen. “Oh my God, this is exciting: we are on a mission.” De man laat zich niet in de rede vallen en vervolgt streng: “Then you have to look for this door. You can open it with this key. Don’t lose it, because you will sleep on the street. If you don’t like the room, come back. Very important: don’t make any noise. No television, no talking. Don’t stay in the room. No, no. You are not in Amsterdam to stay in the hotel. Go out. Be quiet.”

Ik vraag de man of hij een kamer voor me heeft. “Oh, nooo. Everything is full.” Hij wacht even en dan praat hij verder op bezwerende toon. “But I have a bed for you. 35 Euro’s. I have to call. And you have to share the room with other people.” Hij probeert te bellen, maar niemand neemt op.” Na een kwartier wordt zijn oproep beantwoord. “It’s a yes. You go behind this door.” Alsof ik een opdracht heb volbracht en door mag naar de volgende. Hij wijst naar de deur naast hem. “You can use this entrance until midnight, after that you have to use the entrance of the hotel. You walk through the tunnel, through the bar an check in at the reception.” Achter me staan twee jongens die een kamer zoeken. Alles is vol, maar voor hen heeft hij nog twee bedden.

Is het echt de bedoeling dat ik door deze deur ga? Een tunnel. Een gang, langs de bar waar een dronken Brit wacht op bier. Dan begint het langzaam een normaal hotel te worden.

Achter de receptie zit een blonde Britse vrouw. “Nee, deze man hoort niet bij het hotel. Ik weet niet waarom wij samenwerken. Deze man geeft me hoofdpijn. Hij irriteert me echt. Hij belt de hele dag. Steeds met onzinvragen. Dan staan hier tien man aan de receptie en dan belt hij. De hele dag. Nee, die man hoort niet bij het hotel. Hij is hoofdpijn voor mij.” Ze zucht. Dan zegt ze strengt: “Uitchecken voor tien uur.”

Met mijn koffer ga ik de trappen op naar de vijfde verdieping. Hijgend open ik de deur. Een groep Canadezen lacht. “You like climbing mountains?” De kamer staat vol met stapelbedden. Door het smalle raam klinkt harde muziek. Ik ga liggen. Een Amerikaanse student komt binnen. “Oh my God, I am so happy. This is the only hotel in town. Everything is booked. I’m an American, I came all the way from Prague. I am going to a coffee-shop. Need to sleep, man. Een half uur later komt hij terug, stoned. “22 Years old and I need drugs to relax. Isn’t that sad? Can you imagine?” Hij pakt een slaaptablet en gaat boven me liggen. “A bed. Finally.”

Een uur later staan de twee stoere jongens uit het hotelboekingskantoor bij de receptie. Ze krijgen een sleutel en slepen hun knalroze kinderkoffers vloekend naar boven. “We try for days to find a normal hotel. You should be a millionaire to visit this city. Every hotel is full.”

Ondanks alle herrie van de Warmoesstraat slaap ik goed. Er is geen handdoek, dus ik ga douchen bij een vriend. “Je bent gek. Stop toch met dit krankzinnige project en ga in een huis wonen. Net als normale mensen. Een huis met een normaal bed en een normale douche.”

Hotel Travel is een budgethotel op loopafstand van het Centraal Station met kamers aan de Beursstraat en de drukke Warmoesstraat. Het is ouderwets en de ontvangst is niet bijzonder hartelijk. Er zijn lockers op de kamers en er wordt geen ontbijt geserveerd. Hotel Travel is onderdeel van de WIN-hotelgroep.

Hotel Travel, Beursstraat 23
Vanaf 35 euro per bed

Zonder te eten

Hotel CC

In de chaotische Warmoesstraat staan mensen te roken, te blowen, te drinken. Een fietser gaat bellend door de bedwelmde massa. De witte entree van het hotel vormt een schril contrast met de drukte buiten.

De jongen achter de receptie begroet me in het Engels. “Oh, Vincent van Dijk,” leest hij het paspoort voor. Een Nederlander-naam.” Hij gaapt. “Sorry,” lacht hij vriendelijk, “Het is Ramadan dus heb niet gegeten en nauwelijks geslapen.”
“Respect!” zeg ik en vertel dat ook een dag Ramadan heb gevierd. Hij veert op. “Als dieet. Een dag lang. Het was heel erg zwaar, niet eten en niet drinken.”
“Heb je echt een dag Ramadan gedaan?” Hij kijkt opgewekt en zoekt in de computer.
“Er is een single geboekt, maar ik geef je gewoon een tweepersoonskamer. Je kunt met de lift naar de derde verdieping en dan verder met de trap.”

Het is een ingewikkeld gangenstelsel met trapjes en lage plafonds. Een schilderij van Escher. De zwarte vloerbedekking en witgesausde balken ruiken nog nieuw. In een uithoek bovenin is kamer 408. Een langgerekte zolderkamer die spiegelbeeldig is ingericht. Aan weerszijden staan twee bedden met elk drie kussens. Ook hier voeren zwart, wit en grijs de boventoon. De inrichting is fris en modern, smaakvol en ingetogen. Aan het eind van de kamer leidt een kleine deur naar de badkamer met regendouche. Aan de muur hangen twee gelijke staalpanelen met reliëf als kunst. Het theater gaat branden als ik de sleutelkaart in de houder steek. Alle lampen, de televisie. In de deuropening observeer ik de kamer.

Naar beneden. Bij de receptie staat een wand met snacks en drankjes. WIN To Go. Een rij voorverpakte sandwiches van een bekende supermarktketen. Het zou niet eerlijk zijn om de receptionist te confronteren met voedsel of met alcohol. Met alleen een vruchtensap loop ik naar de receptie. “Sorry, dat ik nu ga drinken, terwijl jij niets mag hebben,” zeg ik verontschuldigend.

Beneden in de grote ontbijtruimte ga ik zitten werken. Het open raam kijkt uit op het Damrak. Rondvaartboten ronken af en aan. Vanaf de steiger bekijk ik het Centraal Station en alle bouwwerkzaamheden. Amsterdam – the movie. Het Damrak, de Wallen, de coffeeshops, de stroom toeristen.

De tafels en het buffet zien er maagdelijk uit. Ik heb honger en beeld me in dat het hier vol staat met knapperige croissants, eieren, muffins en versgebakken broodjes. Het is al te laat om te eten, maar de pijniging van honger doet me goed. Het vereist discipline om niet te eten en het zuivert de geest. Na middernacht koop ik toch maar een zakje M&M’s.

De gekleurde chocolade is uitgewerkt. Zo lang mogelijk blijf ik in het bed met de zachte kussens om te luisteren naar het gerommel in de maag. Snel douchen om op tijd te zijn voor het ontbijt. Nooit heb ik me meer verheugd om uitgebreid te ontbijten. Statig de trap af naar de witte ruimte. Het is angstaanjagend stil. Ben ik te laat? Het ontbijtbuffet ziet er nog net zo onbezoedeld uit als gisteren. Het dringt langzaam tot me door: er is geen ontbijtbuffet. Natuurlijk niet. Dit is een modern hotel. Bij de receptie hangt een aanbieding voor een cappuccino en een croissant. Dat is ook veel beter dan een ontbijtbuffet. Ik vraag erom bij de receptie. “Cappuccino heb ik wel, maar de croissants zijn op.” Hij wijst naar de vitrinekast. “U mag een donut pakken.” Ik houd het bij een cappuccino.

Op de vloer ligt een lijst voor de schoonmakers. Wie checken er uit, wie blijven er in het hotel. Tussen alle buitenlandse namen zie ik mijn naam staan. Als een van de weinige mensen moet ik uitchecken, volgens de lijst. Geen wonder dat iedereen blijft, het is een prettig hotel.

Opnieuw ga ik zitten werken in de ontbijtruimte. “Deze krijgt u van ons,” zegt de Chinese jongen achter de receptie en hij geeft me een cappuccino. Pas als de honger echt ondraaglijk wordt, verlaat ik het hotel.

Hotel CC is een modern gestyled hotel van WIN Hotels, vlakbij het Centraal Station, in drie oude panden die op ingenieuze wijze zijn verbonden. De 1-, 2-, 3- en 4-persoons kamers zijn bijzonder en stijlvol ingericht en wordt goed onderhouden en schoongemaakt. Er wordt geen ontbijt geserveerd, maar er is een to-go-corner met dranken en snacks die de hele dag beschikbaar zijn.

Hotel CC, Warmoesstraat 42
Vanaf 60 euro

Op een kist

Dag 115. Hotel Flipper

Mijn koffer krast door de straten. In een woonwijk staan twee buurvrouwen over de heg te praten. Ze wijzen naar mij. “Wat een herrie maakt die koffer. Zou die helemaal vanaf Schiphol zijn komen lopen? Er zit vast een bom in.” De richtingaanwijzer op mijn telefoon is in de war. Aan het eind van de straat, hoor ik de buurvrouw schreeuwen. “Nee, Flipper is linksaf.”

Naast de receptie staat een oude grammofoonspeler. Op de receptie ligt een rode knop met EASY erop. “Goedenavond. Ik kom inchecken.” De Chinese Jongen achter de receptie kijkt me glazig aan. “Sorry, English.”

Om me heen alleen maar Nederlandse stemmen. Ik vraag hoe het komt dat er zoveel Nederlandse gasten zijn. “Because we are in The Netherlands?” antwoordt hij ironisch. Moet ik hem uitleggen dat in de meeste hotels met name buitenlanders komen? Waarschijnlijk is er een congres. Opvallend is dat veel Nederlanders hier een rastakapsel hebben en doorblowde pupillen. Misschien een wietcongres? Mijn volgende vraag gaat over de naam van het hotel. “Because of the movie. The dolphin.” Hij wijst naar de poster met duikende dolfijnen achter hem. Ik vraag hem of ze waterbedden hebben, een vraag die ik al drie keer vandaag had gekregen. “No, we don’t have water beds. Here is the key.”

De kamer is klein, maar ziet er netjes uit. Handdoeken van verschillende formaten, stijlvol donker meubilair, houten betimmering. Een fijn hotel. Tegen de wand staat een eenpersoons boxspringbed. Ik ga vermoeid zitten. Een doffe dreun. Mijn rug kraakt. Onder het dunne matras zit een houten kist, met een stof erop die de suggestie wekt dat het een boxspring is. Een enorme pijn. Ik moet liggen. Waar is midden in de nacht een masseur te vinden?

Een wietlucht in mijn kamer. Van beneden klinkt elke minuut een deurbel. Mensen die wel buiten zijn gaan roken.

Uit de machine beneden haal ik een blikje fris. Opnieuw plof ik op mijn bed en schreeuw het uit van de pijn. Waarom twee keer dezelfde fout maken? Met Fanta slik ik een pijnstiller door en val in slaap.

Douchen. Ik herinner me het bord Always lock your door, beneden in de hal. Nederlanders zijn niet te vertrouwen. Gehuld in een handdoek terug naar mijn kamer om de deur op slot te draaien. Als een Duitse jongen langsloopt glijdt de handdoek af. “Es tut mir Leit. Ich bin schon verheiratet,” grapt hij. De douchecabine ziet er modern en smaakvol uit. Zwart-wit met grote tegels.

Op elke ontbijttafel staat een broodrooster. Een andere Chinese jongen haalt de schalen weg. Hij kijkt niemand aan. Is de ontbijtperiode verstreken? Even later komt hij terug met nieuw brood, nieuwe jam, nieuwe boter. Tegelijkertijd bemant hij de receptie. Ik groet hem uitbundig en hij knikt terug. Op mijn kamer ga ik zitten werken om het dragen van de koffer uit te stellen. Om 11 uur gaat de telefoon. Er wordt niets gezegd, maar ik beloof dat ik uitcheck.

Hotel Flipper ligt in een woonwijk in Zuid. Het is onderdeel van de groep WIN-hotels. Het hotel is goed onderhouden. Er zijn kamers met eigen douche en toilet en kamers met gedeelde faciliteiten.

Hotel Flipper, Borssenburgstraat 5
Vanaf 45 euro

Bij een Chinees

Dag 106. Hotel Falcon Plaza

Een sms. Kun jij Amadeus eten geven? Ben in Parijs. Mijn poes woont dit jaar op kamers bij een vriend. Als ik binnenkom rent ze op me af. Ze herkent me, beklimt me. Ze slaat haar pootjes om me heen en haar nageltjes in mijn huid. Bang om opnieuw verlaten te worden. Nadat ze twee uur als een vibrator tegen mijn hart heeft gehangen, verlaat ik haar opnieuw.

De hoek om, naar het hotel. In de hal staan grote Chinese vazen. Vanuit de entree is een verlaten restaurant te zien. Was dit ooit een Chinees of is dit de ontbijtzaal? Donker hout tegen de wanden van de lobby, nog meer blauwwitte vazen. Onverwacht stijlvol.

Een Chinees ogende jongen achter de receptie. Hij lacht innemend. “Hier is de sleutel en hier is de afstandsbediening. Als u die allebei teruggeeft bij het uitchecken is alles in orde.”

Met de lift. Geen gesleep met de koffer. Door de ruime gangen naar mijn kamer. In de hal staat een Chinese kast. Eindelijk een hotel van Chinese eigenaars dat niet probeert om een ouderwets familiehotel in stand te houden, maar trots iets laat zien van de eigen cultuur. De kamer is niet groot maar ziet er verzorgd uit. Het bed, met stijlvolle kussentjes en bijpassende bedloper en erboven een Chinese tekening, vult de kamer Aan het voeteneinde hangt een enorme flatscreen-televisie. Door het raam heb ik uitzicht op de riante woning van mijn poes.

Dit was precies waar ik behoefte aan heb. Een fijn bed en een enorme televisie. Lekker dommig staren naar een groot scherm. Ik kleed me uit en schuif onder de zachte dekens. Stond er beneden niet een apparaat met blikjes en versnaperingen? Die mogen op mijn filmavond eigenlijk niet ontbreken. Mijn kleding weer aan en met enkele muntstukken, als een kind op weg naar een snoepwinkel. Een blikje fris en een zakje M&M’s. Bioscoopvoer.

Opnieuw een striptease. Mijn kleding en bezittingen leg ik, zoals elke avond angstvallig bij elkaar, omdat er anders het risico bestaat om dingen te vergeten. De kussens ondersteunen mijn pijnlijke rug, het strak ingestopte dekbed is losgetrokken om ook het stuk huid boven mijn tepels warm te houden, de verduisterende gordijnen zijn gesloten en de juiste verlichting staat aan. Met de afstandsbediening verklaar ik de televisieavond voor geopend. Op welke knop ik ook druk, er gebeurt niets.

Batterijen eruit en andersom erin. Soms helpt dit. Niets. Ook de knoppen op de televisie werken niet. Opnieuw de kleren aan en naar beneden. “Zou ik een nieuwe afstandsbediening mogen hebben? Deze is kapot!” “Zullen we eerst proberen of nieuwe batterijen helpen?” zegt de jongen lachend. Uit zijn kantoor haalt hij gele IKEA-batterijen.

De televisieavond duurt niet lang, want binnen een uur val ik in slaap. Telkens word ik gewekt door een golf van misselijkheid en rugpijn. De volgende ochtend word ik wakker in een ballenbad van M&M’s. Na een douche verlaat ik het hotel. Zonder ontbijt. Zonder koffer. Het is onmogelijk om hier vandaag mee te sjouwen. Hij blijft trouw achter de receptie op het baasje zitten wachten. “Geen probleem, wij passen op hem tot u terugkomt.”

Falcon Plaza is onderdeel van WIN-hotels. Het is een keurig driesterrenhotel in Aziatische stijl, vlakbij het Waterlooplein. De kamers zijn keurig en schoon. Er is een lift. Naast het hotel zit een parkeergarage van dezelfde eigenaar.

Hotel Falcon Plaza Center, Valkenburgerstraat 72
Vanaf 49 euro

Voor korte duur

Dag 101. Hotel Continental

De entree zit in een steegje van het Damrak. Naast een receptie meteen een trap naar boven. De glazen deur wordt elektronisch geopend door de receptionist. “Goedenavond.” Hij overhandigt de sleutelkaart zonder me aan te kijken. “Uitchecken morgenochtend voor 10 uur.” Het wordt een kort verblijf.

In de hal is al het vuile wasgoed verstopt in kussenslopen. Keurig opgestapeld tegen de muur. In de sleetse traploper staat het hotellogo.

Een smalle tweepersoonskamer met enkel een stapelbed. Ideaal voor ongelukkige echtparen die niet meer naast elkaar in bed willen liggen. Het bovenste bed is voor de man die ’s avonds naar sport wil kijken, het onderste voor de vrouw die lezend in slaap wil vallen. Vanavond ben ik de man. In de kamer is wel een douche, maar geen toilet.

Aan het kleine bureau ga ik zitten schrijven. Beneden stromen mensen over het Damrak. Frituurlucht. Mijn koffer blijft hermetisch gesloten, voordat ik de rest van het jaar als een vettige zwerver ruik. In de hotelgids op het bureau staan alle toeristenplekken van Amsterdam. Coffeeshops, de rossebuurt, het Sexmuseum. Geen enkele informatie over het hotel zelf, behalve dat de uitchecktijd 10 uur is. Dit is een hotel om dronken in bed te vallen en ’s morgens vroeg te verlaten. Met een vriend ga ik naar een café in de buurt. We drinken jenever. Het helpt niet, ik blijf nuchter.

Als ik ‘s avonds thuiskom ligt de hele hal bezaaid met kussens. De drinkvriend reageert op mijn foto: Ga lekker daarop slapen. Bedden zijn zo vorige week.

Uit een automaat in de hal trek ik een blikje frisdrank. Als de deur niet dichtvalt, klinkt een alarm uit het kaartslot. Het rode lichtje knippert paniekerig. Wat goed. Zo vergeet je nooit de deur dicht te doen. Het dekbed voelt zacht, de vetwalm als een extra deken.

’s Morgens moet ik naar het toilet. Zal ik in boxershort de gang oversteken? Of moet ik me aankleden? Nee, waarom zou ik me schamen voor de andere hotelgasten? Terug bij de kamer steek ik de kaart in het slot. Het licht blijft rood. Opnieuw. Langzaam, snel. Alle verschillende kanten van de kaart, maar het licht zegt nee. Terug naar het toilet. De handdoek die er hangt is te klein om me decent mee aan te kleden.

Met de trap naar beneden. Halverwege blijf ik staan. De receptie kijkt met een glaswand uit op de straat. Ik roep de receptionist en gooi de sleutelkaart op zijn desk. Ik vertel dat mijn kaart het niet doet en of hij naar boven wil komen. “Mijn God, u bent bloot!” roept hij geschokt. Een Indonesisch accent.

Hij steekt de kaart in een apparaat en loopt mee naar boven. “U moet de deur goed in het slot trekken, anders doet hij het soms niet.” Ik vertel hem dat de deur echt goed dicht was. Te goed, zelfs. Na enkele pogingen lukt het hem om de deur open te krijgen. Hij staart naar mijn kruis en ik voel me nog ongemakkelijker.

Stipt om tien uur check ik uit. “Kan ik mijn bagage vast hier neerzetten?” vraag ik in Hotel De Roode Leeuw, aan het andere einde van het Damrak. “U heeft geluk. Uw kamer is al helemaal klaar, dus u kunt al inchecken.”

Hotel Continental is een centraal gelegen budgethotel vlakbij het station. Het is onderdeel van WIN Hotels Amsterdam. Er wordt geen ontbijt geserveerd, maar er zijn genoeg horecagelegenheden in de buurt.

Hotel Continental, Damrak 40-41
Vanaf 75 euro