Als een dakloze

Hotel De Koopermoolen

Het is wettelijk verplicht om een briefadres te hebben en ik wil me inschrijven op het adres van een vriend in Amsterdam, in plaats van Den Haag. Een e-mail van de gemeente Amsterdam:
Neem contact op met HVO (Hulp Voor Onbehuisden) en/of het Leger des Heils.
De woorden komen hard binnen. De gemeente verwijst me door naar de daklozenopvang! Het hotelverhaal nemen ze duidelijk niet serieus. Voor het eerst voel ik me echt dakloos.

“Naar welk hotel ga je nu?” vraagt de receptionist, als ik mijn bagage kom ophalen bij Prins Hendrik.
“Het één na beste hotel van Amsterdam: De Koopermoolen.” Hij lacht.
“Daar kwam ik al toen het nog een theater was. Theater De Koopermoolen. Ik was toneelknecht bij verschillende theatermakers. Het was een theaterrestaurant van de bekende caberetier. Vanaf hier werd zijn radioprogramma uitgezonden. Hij heeft het verkocht en toen werd het een hotel. Het is van dezelfde eigenaar als dit hotel, dus ik kom er nog steeds. Elke keer denk ik aan hoe het was en zoek ik naar herkenbare dingen.”

Het begin van de Warmoesstraat. Ik heb hier eerder ontbeten, toen ik bij de Mallemoolen sliep. De ruimte van de receptie is vrij laag. Dit moet een heel oud pand zijn. Er zit een vrolijke jongen achter de balie. Hij luistert naar Amsterdamse volksmuziek. “Niet schrijven dat ik eigenlijk gestoord ben, anders krijg ik problemen met mijn baas. Je hebt kamer 2141. Nee, we hebben niet meer dan 2000 kamers, alle kamers beginnen met 21. Die van jou is op de vierde verdieping. Daar is de trap.”

Hijgend kom ik boven. De kamer heeft een schuin zolderdak. Het raam kijkt uit op een luchtkoker met grote aluminium buizen. Er zijn plantjes neergezet om het uitzicht iets natuurlijker te maken. Buiten woedt een ijskoude storm, dus ik sluit de gordijnen. Het uitzicht van hotelkamers wordt overgewaardeerd. Een nieuwsbericht op televisie dat daklozen in Amsterdam verplicht worden om binnen te slapen. Er worden extra bedden neergezet bij de daklozenopvang. Sommige daklozen blijven liever buiten en ik begrijp het. De wereld is te hard om afhankelijk te zijn.

De telefoon van de receptionist gaat. Hij probeert door te verbinden, maar de persoon is niet op zijn kamer. Twintig minuten lang hangt hij aan de telefoon en spreekt geduldig.
“Oh, zit je hier.” Als hij opstaat, ziet hij me op de bank in de receptie zitten. “Ja, ik probeerde door te verbinden naar je kamer. Het was een meisje. Ze zegt dat je haar naam hebt genoemd in het verhaal over Hotel Heemskerk. Over het feit dat ze de eigenaar stalkte, waardoor hij overspannen is geraakt. Ze bleef maar doorpraten. Straks belt ze terug, want ik heb gezegd dat je misschien onder de douche stond. Ik denk dat ze jou nu ook gaat stalken, haha. Ik heb het stuk gelezen, maar je hebt haar naam helemaal niet genoemd. Ze klonk ook een beetje in de war.”

Hoe kan ik nou gestalkt worden, terwijl ik dakloos ben? Ik denk terug aan de maanden dat mijn post werd gestolen door een kleine man die zijn magere hand dagelijks door mijn brievenbus stak. Hij wist alles van me. Van mijn liefdesverdriet tot mijn bankschuld. Ooit kwam ik hem tegen en knikte vriendelijk. Op advies van de politie ben ik verhuisd.

Een ober van het naastgelegen restaurant komt binnen met een bord pizza.
“Heb je misschien zin in een stukje?” vraagt de receptionist attent.

De manager komt binnen. “Je had over dit hotel geschreven dat we een ster waren kwijtgeraakt omdat de lift was afgekeurd, maar dat is helemaal niet waar. Ze zijn vandaag nog langskomen om de lift te keuren en hij doet het gewoon. We hebben een ster ingeleverd uit marketingoverwegingen. Er zijn zoveel driesterrenhotels in Amsterdam, dat dit hotel helemaal niet opviel op de boekingssites. Je kunt beter een tweesterrenhotel zijn met goede waarderingen dan een driesterrenhotel dat ergens onderaan staat. De vorige receptionist had dat verteld, maar hij zegt wel vaker gekke dingen.”

Hij laat een zwart-wit poster zien van Theater De Koopermoolen. “Dit pand bestond al in 1725. Misschien was het ooit een kopermolen. In ieder geval was het een theater. Maar het hele hotel is gestript en opnieuw gebouwd in 1999. Alleen de buitenmuren zijn blijven staan. Er is zelfs een extra verdieping in gebouwd. Daarom is het hier wat lager dan je van buiten zou verwachten.”

De volgende ochtend kom ik op kantoor. Een collega vraagt: “En moest je verplicht binnen slapen? Oh, er heeft een meisje voor je gebeld. Ze klonk nogal gestresst, maar ze gaat je mailen.”

Hotel De Koopermoolen is een tweesterrenhotel met 23 kamers aan het begin van de legendarische Warmoesstraat, vlakbij het Centraal Station. De kamers hebben allemaal een badkamer. Er is een lift aanwezig. De kamers zijn ouderwets maar netjes en het personeel is zeer communicatief. Het hotel is van dezelfde eigenaars als De Mallemoolen en Prins Hendrik.

Hotel De Koopermoolen,Warmoesstraat 5-7-9
Vanaf 65 euro

In een kroeg

Hotel Internationaal

“Ho’ooooi,” zegt het blonde meisje achter de bar lachend.
“Ho’ooooi,” antwoord ik.
De mensen aan de bar groeten ook.
Het is een Nederlandse kroeg met Perzische tapijtjes op de tafel en Gotische letters op de roederamen: Hotel Internationaal. Niet Hotel International, maar Hotel Internationaal. Alleen de aan het plafond gespannen vlaggen verwijzen naar de naam. Is niet elk hotel internationaal?
“Ik kom hier slapen.”
“Gezellig!”
Alle mensen aan de bar draaien hun hoofd naar mijn richting. Iedereen spreekt mijn taal. En dat aan het begin van een straat waar nog nooit eerder een Nederlander is gesignaleerd.

“Hier is de sleutel van het hotel en de kamer. De bar is tot 1 uur open en de werkster is er om 7 uur weer. Mocht er vannacht iets misgaan met de sleutel, dan kun je de hele nacht aankloppen bij onze buren, Hotel De Koopermolen. Zij bellen dan de manager wakker. Hier is de afstandsbediening en met deze bon kun je straks een biertje krijgen in de bar. Of een echte Hollandse jenever.” Ze denkt na over haar woorden. “Jee, ik moet er even aan wennen, hoor, want meestal houd ik dit standaardpraatje in het Engels. Je mag hier roken, maar zet wel even het raam open, want anders gaat het brandalarm. En er is ook gratis internet.”

In de hal hangt een oude landkaart van Nederland, zoals op de lagere school. De gedeelde badkamer, het toilet, de kamer, alles ziet er schoon uit. Dit hotel is anders dan de meeste hotels in deze straat. In de asbak op de kamer liggen zakjes met oordopjes. Geen overbodige luxe in deze straat waar dag en nacht mensen lopen en het lawaai toeneemt met het klimmen van de uren. De vastgemaakte vitrages voorkomen dat de Sint Olofskapel bij mij naar binnenkijkt.

“Biertje?” vraagt het blonde meisje vrolijk, als ik beneden kom. Ze zet een biertje en schaaltje nootjes neer. Het wordt steeds drukker in het café. “Er komen ook wel hotelgasten, maar het is vooral een buurtcafé met vaste stamgasten. Hier loopt van alles langs, maar door de uitstraling komt toch niet iedereen binnen.”

“Biertje? Of wil je het even rustig aan doen?” Ze wijst naar mijn laptop.
“Ja, lekker.”

“Hier is een kaarsje. Voor wat romantiek. Morgenochtend wordt er wel een ontbijt geserveerd, maar we moedigen dit niet aan. Het stelt helemaal niets voor. Echt zonde van je geld. Een sneetje brood, kaas, jus d’orange, koffie, een eitje. Meer is het niet. Voor die 7,50 kun je beter naar een broodjeszaak hier op het eind van de hoek. Dat is veel lekkerder. Ach, we bieden het wel aan, omdat het moet, maar het ontbijt wordt klaargemaakt door de werkster en ze heeft daar eigenlijk niet veel tijd voor. Wil je nog een laatste biertje van het huis?”

“Sorry, we gaan sluiten. Maar je krijgt nog een biertje mee voor op je kamer, hoor. Van het huis. Slaap lekker!”

Al het bier maakt de oordopjes overbodig. Het houten bed is kleiner dan ik. Een jongensbed.
De volgende ochtend staat de werkster de ramen te lappen. Ze groet vriendelijk en neemt de sleutel en afstandsbediening van me over. Het café is donker en verlaten, zoals het café hoort te zijn als zijn bezoekers hun roes liggen uit te slapen. Op het station haal ik een koffie en drink deze op in de trein naar Schiphol.

Café-Hotel Internationaal is een bruin café met acht hotelkamers erboven aan het begin van de  Warmoesstraat. De sfeer in het buurtcafé is erg goed en het hotel is eenvoudig maar schoon. Er wordt een ontbijt geserveerd, maar alleen op uitdrukkelijk verzoek.

Hotel Internationaal, Warmoesstraat 1-3
Vanaf 65 euro

Met kleine beestjes

Croydon Hotel

In het blauwverlichte raam van een wasserij aan het begin van de Warmoesstraat zitten twee vrouwen kruiswoordpuzzels te maken.
“Business?” fluistert een donkere man iets verderop, vanuit een portiek. Hij kijkt stoned en gebaart met zijn handen. “No. Pleasure,” lach ik. Dit was duidelijk niet wat hij bedoelde. Hij wendt zijn hoofd nors af.

De gekleurde donuts, die overal in het red-light disctrict van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht de honger stillen van druggebruikers en hoerenbezoekers, liggen pontificaal uitgestald in de verlichte kast. Dit is een receptie van het hotel en tegelijk een food-shop met een aantal basale voedingsmiddelen, blikjes fris en bier. Een verdoofde man likt aan zijn roze donut. Achter de desk zit een Aziatische man.

“Hier is je sleutel en hier is de kaart waarmee je naar binnen komt. Deze sleutel is voor de kamer, deze voor de locker. De ingang van het hotel is hiernaast.” Mag ik een handdoek?” vraag ik, wijzend op de stapel. “Of liggen die op de kamer?” Zwijgend geeft hij een handdoek.

Met mijn koffer en mijn tas een nauwe trap op. Onderweg ga ik naar het toilet in de hal. De WC is niet doorgespoeld. In de pot ligt een stevige bruine worst. Om de pot ligt toiletpapier. De luchtverfrisser in de hal ontkent de geur die uit het toilet komt. Nog een trap.

De kamer ruikt naar slapende mannen. Het bed is slordig opengeslagen. Op het dekbed zitten bloedspatten. Op het laken zitten gele vlekken en liggen kleine roodbruine bolletjes, omringd door kort schaamhaar. Zijn dit uitwerpselen van dieren of zijn dit kleine beestjes? Ze gaan niet bewegen door het licht en de aansporing van mijn telefoon. Misschien zijn ze overleden door het zuurstoftekort in de kamer. Snel het raam open. Van buiten klinken bekende geluiden uit de Warmoesstraat. Gelach en glasgerinkel. Een jongen loopt op blote voeten met zijn slippers in de hand.

Op de badkamervloer ligt nat toiletpapier. De smerigheid van de kamer projecteer ik op mezelf. De enige remedie is reinigen. Ik knip mijn nagels, scheer me. Alles moet schoon, ook de inhoud van mijn koffer. Ik zoek naar een locker, maar deze is er niet, dus weer met mijn tas en koffer weer naar beneden.

Met een schone koffer terug. Het geplastificeerde briefje houd ik omhoog naar de twee mannen achter de receptie. Ze kijken me aan, maar doen niet open. “You have to wave,” zegt een Britse man. “Wave.” Hij doet de beweging voor. Ook hierop wordt niet gereageerd. “Somebody is waving,” schreeuwt hij naar de receptie. Ze kijken hem vreemd aan, maar openen daarna de deur.

Een vriend sms’t. De bedwants is weer terug in Amsterdamse hotels. Alsof hij weet waar ik ben.

Op internet zoek ik op hoe het is om geconfronteerd te worden met een bedwants. Met zijn steeksnuit prikt hij door de huid, injecteert hij een verdovende stof en een antistollingsmiddel. De wondjes lijken op muggenbulten, soms in rijen als hij gestoord werd tijdens het voeden. Hij maakt gebruik van traumatische inseminatie: hij maakt een gat in het vrouwtje om de geslachtscellen af te geven. Uitgeademde CO2 en lichaamswarmte trekken hem aan. Opeens herinner ik de rode bultjes uit een eerder hotel. In de schaamstreek, op mijn kont, en zelfs eentje op mijn borstkas. Dit moeten wantsbeten zijn geweest.

Met al mijn kleren aan ga ik op bed liggen. Een handdoek op het hoofdkussen. Zonder deken, al komt er een natte kou binnen door het open raam. De harde geluiden zijn zo regelmatig van hardheid en toon, dat ik snel in slaap val. De volgende ochtend is mijn keel opgezwollen en pijnlijk. Onder de bovenrand van mijn spijkerbroek zitten rode bultjes, waarvan een is opengekrabd. Na een lange douche opnieuw naar de wasserij om mijn kleding heet te wassen.

Hotel Croydon is een hotel en hostel met drie- tot achtpersoonskamers dat slecht wordt schoongemaakt.

Hotel Croydon, Warmoesstraat 77
Vanaf 45 euro

In een regime

Hotel The Old Quarter

Aan het begin van de Warmoesstraat zit een bruin café. Het bordje HOTEL valt weg in de drukte van de straat. Boven het voorste deel van de bar hangt een bordje met RECEPTIE. Een Engelse vrouw schreeuwt gesticulerend tegen een jongen dat de boekingen niet kloppen. Er moet nog een Nederlandse gast komen, maar hij heeft geen naam. Ze ziet me niet staan. Terwijl ze doorratelt kijkt haar collega lachend naar mij.
“Dat ben jij, hè?” Hij laat haar doorschreeuwen en geeft me een formulier om in te vullen. “Ja, de naam staat gewoon hier. Geen idee waar ze het over heeft.” Hij knipoogt en wijst naar de keuken.
“Als je straks wat wilt eten: hotelgasten krijgen 10% korting.” Ja, we zijn een bar, een restaurant en een hotel. Oh, als er nog iemand blijft slapen, zorg dan dat je nog even zo’n formulier invult, want we willen graag weten wie er allemaal binnen is. Door de deur vind je de lift. Je slaapt op de eerste verdieping.”

De deur naar de kamers wordt op afstand geopend. De kamer is langgerekt. Er staan twee bedden achter elkaar. Er is een wastafel op de kamer, de douche en het toilet zijn op de gang. De bedden zijn schoon; er is niets te merken van de “beessies” waar de schoonmaakster van zusterhotel The Old Nickel het over had, maar voor de zekerheid ga ik naar de badkamer om me onder de douche te scheren.

Terug naar beneden om te eten. De ruimte is gevuld met mossel- en stamppotgeuren. Stonede toeristen kauwen verveeld. Ze praten niet, maar zitten in hun eigen belevingswereld. Aan de muur hangt de voorpagina van de New York Times van de dag nadat de Titanic is gezonken. Het interieur lijkt ook wel een beetje op een boot.

“Je moet daar zitten. Deze tafel heb ik nodig.” Ze kijkt me boos aan. Na het eten wil ik mijn laptop boven zetten. “Je moet eerst afrekenen,” zegt de vrouw in staccato-Brits. Niemand mag hier naar de kamers zonder te hebben betaald.” Ze trekt een zuinig mondje, als een slechte actrice.
“Is ze weer streng tegen je?” zegt de jongen lachend. Ik vraag of dit hun taakverdeling is: good cop- bad cop.
“Ach, je moet hier wel een beetje streng zijn. De hele avond komen hier mensen binnen die totaal stoned en dronken zijn. Dan moet je heel duidelijk zijn in wat wel en wat niet kan. Ik werk hier nog niet zo lang en sta altijd wel open voor argumenten. Misschien ben ik soms wel wat te lief.”

Terwijl hij de koffie zet voor de tafel naast mij, checkt hij twee gasten in, brengt hij mij een drankje en maakt hij een foto van een gezelschap in het restaurant. “Ja, alles loopt hier altijd door elkaar heen. Dat is wel eens zwaar.” Er klinkt harde muziek.

Een vriend komt langs. “Zullen we hier nog een drankje doen? Daarna gaan we de stad in.” Mensen blijven binnenlopen om in te checken. Twee meisjes rollen elk drie koffers naar binnen.

Diep in de nacht komen we terug in het hotel. “Hij moet zich nog even inschrijven,” zeg ik tegen de man achter de receptie.
“Oh, dat kan ik allemaal niet, hoor.” Hij lacht en maakt een wuivende beweging. “Hallo, ik ben maar nachtportier. Doe dat morgen maar. Ga nu lekker slapen.”

We nemen de trap, maar de deuren zitten op gekke plekken, zodat we telkens verkeerd lopen.
“Nou, wel gezellig, zo in een treintje,” zegt de vriend. Een paar uur later worden we wakker. Het is druk in het restaurant. We zitten aan tafel, maar niemand komt naar ons toe. Ik loop naar de keuken en vraag aan een meisje hoe het ontbijt in zijn werk gaat. “Just sit down, we will come to you,” snauwt ze. Even later komt een jongen lachend op ons af. “Sorry, we waren jullie even vergeten, maar alles komt goed. Het komt er zo aan.” Even later zet hij een mandje vers geroosterd brood met boter en jam neer, gevolgd door twee bordjes met eieren en spek. “Eet smakelijk, jongens.”

De vriend stort op bed neer. “Hoe kun jij er nou precies hetzelfde uitzien als gisteravond? Ik ben dood en wil slapen.” Om 11 uur gaat de telefoon. Het verbaast me dat er een telefoon in deze kamer staat.
“You have to check out,” klinkt het bevel. Ik antwoord dat we het hotel ogenblikkelijk zullen verlaten. Er wordt gelachen aan de andere kant van de telefoon. Alsof ik het spel heb begrepen.

Hotel The Old Quarter is een budgethotel en tegelijk een bar en een restaurant. Het zit aan de Warmoesstraat en trekt vooral veel toeristen die naar Amsterdam komen om te blowen en te drinken. De kamers zijn eenvoudig, maar redelijk schoon en netjes. Er zijn basic kamers en kamers aan de gracht met eigen badkamer.

The Old Quarter, Warmoesstraat 22
Vanaf 50 euro

Zonder te eten

Hotel CC

In de chaotische Warmoesstraat staan mensen te roken, te blowen, te drinken. Een fietser gaat bellend door de bedwelmde massa. De witte entree van het hotel vormt een schril contrast met de drukte buiten.

De jongen achter de receptie begroet me in het Engels. “Oh, Vincent van Dijk,” leest hij het paspoort voor. Een Nederlander-naam.” Hij gaapt. “Sorry,” lacht hij vriendelijk, “Het is Ramadan dus heb niet gegeten en nauwelijks geslapen.”
“Respect!” zeg ik en vertel dat ook een dag Ramadan heb gevierd. Hij veert op. “Als dieet. Een dag lang. Het was heel erg zwaar, niet eten en niet drinken.”
“Heb je echt een dag Ramadan gedaan?” Hij kijkt opgewekt en zoekt in de computer.
“Er is een single geboekt, maar ik geef je gewoon een tweepersoonskamer. Je kunt met de lift naar de derde verdieping en dan verder met de trap.”

Het is een ingewikkeld gangenstelsel met trapjes en lage plafonds. Een schilderij van Escher. De zwarte vloerbedekking en witgesausde balken ruiken nog nieuw. In een uithoek bovenin is kamer 408. Een langgerekte zolderkamer die spiegelbeeldig is ingericht. Aan weerszijden staan twee bedden met elk drie kussens. Ook hier voeren zwart, wit en grijs de boventoon. De inrichting is fris en modern, smaakvol en ingetogen. Aan het eind van de kamer leidt een kleine deur naar de badkamer met regendouche. Aan de muur hangen twee gelijke staalpanelen met reliëf als kunst. Het theater gaat branden als ik de sleutelkaart in de houder steek. Alle lampen, de televisie. In de deuropening observeer ik de kamer.

Naar beneden. Bij de receptie staat een wand met snacks en drankjes. WIN To Go. Een rij voorverpakte sandwiches van een bekende supermarktketen. Het zou niet eerlijk zijn om de receptionist te confronteren met voedsel of met alcohol. Met alleen een vruchtensap loop ik naar de receptie. “Sorry, dat ik nu ga drinken, terwijl jij niets mag hebben,” zeg ik verontschuldigend.

Beneden in de grote ontbijtruimte ga ik zitten werken. Het open raam kijkt uit op het Damrak. Rondvaartboten ronken af en aan. Vanaf de steiger bekijk ik het Centraal Station en alle bouwwerkzaamheden. Amsterdam – the movie. Het Damrak, de Wallen, de coffeeshops, de stroom toeristen.

De tafels en het buffet zien er maagdelijk uit. Ik heb honger en beeld me in dat het hier vol staat met knapperige croissants, eieren, muffins en versgebakken broodjes. Het is al te laat om te eten, maar de pijniging van honger doet me goed. Het vereist discipline om niet te eten en het zuivert de geest. Na middernacht koop ik toch maar een zakje M&M’s.

De gekleurde chocolade is uitgewerkt. Zo lang mogelijk blijf ik in het bed met de zachte kussens om te luisteren naar het gerommel in de maag. Snel douchen om op tijd te zijn voor het ontbijt. Nooit heb ik me meer verheugd om uitgebreid te ontbijten. Statig de trap af naar de witte ruimte. Het is angstaanjagend stil. Ben ik te laat? Het ontbijtbuffet ziet er nog net zo onbezoedeld uit als gisteren. Het dringt langzaam tot me door: er is geen ontbijtbuffet. Natuurlijk niet. Dit is een modern hotel. Bij de receptie hangt een aanbieding voor een cappuccino en een croissant. Dat is ook veel beter dan een ontbijtbuffet. Ik vraag erom bij de receptie. “Cappuccino heb ik wel, maar de croissants zijn op.” Hij wijst naar de vitrinekast. “U mag een donut pakken.” Ik houd het bij een cappuccino.

Op de vloer ligt een lijst voor de schoonmakers. Wie checken er uit, wie blijven er in het hotel. Tussen alle buitenlandse namen zie ik mijn naam staan. Als een van de weinige mensen moet ik uitchecken, volgens de lijst. Geen wonder dat iedereen blijft, het is een prettig hotel.

Opnieuw ga ik zitten werken in de ontbijtruimte. “Deze krijgt u van ons,” zegt de Chinese jongen achter de receptie en hij geeft me een cappuccino. Pas als de honger echt ondraaglijk wordt, verlaat ik het hotel.

Hotel CC is een modern gestyled hotel van WIN Hotels, vlakbij het Centraal Station, in drie oude panden die op ingenieuze wijze zijn verbonden. De 1-, 2-, 3- en 4-persoons kamers zijn bijzonder en stijlvol ingericht en wordt goed onderhouden en schoongemaakt. Er wordt geen ontbijt geserveerd, maar er is een to-go-corner met dranken en snacks die de hele dag beschikbaar zijn.

Hotel CC, Warmoesstraat 42
Vanaf 60 euro

Met de familie

Hotel De Mallemoolen

De receptie van hotel De Mallemoolen is die van het hotel ernaast: De Koopermoolen.

De receptionist staat buiten te roken. “Meneer Van Dijk. Kom binnen. Zorg ervoor dat steeds als u de sleutel komt halen ook uw voornaam zegt. Er is namelijk nog een meneer Van Dijk in het hotel en straks belandt u in het verkeerde bed.” De receptionist schatert.

“We zijn allemaal een beetje mal, bij de Mallemoolen. Ja, je moet door een strenge selectie om hier te werken. Niet dat je goed moet zijn in je vak, maar je moet in staat zijn om een glimlach op het gezicht van de gast te krijgen. Dat is ons doel. Het verschil tussen de twee hotels is dat De Koopermoolen wel een eigen toilet en douche in de kamers heeft.  Dit hotel had drie sterren, maar is er eentje kwijtgeraakt, want de lift is afgekeurd.” Weer buldert de receptionist.

“Elke keer als u naar binnen wilt, geef dan even een seintje, dan doen wij de deur open. We schrijven altijd het kamernummer op het kaartje, want in Amsterdam zijn leuke cafés waar ze veel te zware wiet verkopen en dat tast het geheugen enorm aan, zo blijkt elke keer weer. Het ontbijt is hier inbegrepen in de kamerprijs. Hoe meer je eet, hoe goedkoper de kamer dus wordt. Tot straks!”

De kamer is niet groot en heeft een dakraam zonder uitzicht. Op het nachtkastje staat een stalen asbak. Een zware televisie hangt boven het bed. Hij ziet eruit als een zware steen in een cartoon die elk moment naar beneden kan storten. Overleden aan een gevallen televisie. Ik zie de overlijdensadvertentie voor me. Op het bed ligt een lichtbruine paardendeken. Ook het bedlampje hangt een beetje schuin. De kamer ziet eruit alsof hij flink door elkaar is geschud.

Er klinkt vreemde muziek van buiten. Hij vervormt door het dakraam. Het lijkt of iemand vals aan het meeneuriën is.  De hele nacht komen er mensen terug in het hotel. Gestommel op de trap, deuren, stemmen. Zelfs als het weer licht is. Telkens schrik ik wakker en tussendoor droom ik steeds dat ik in een ander hotel ben en moet ik schrijven. Maar het gaat te snel. Het tempo wordt steeds verder opgevoerd. Ik probeer me te herinneren waar ik ben, maar ik weet het niet. Ik val weer in slaap.

Naar de douche, een verdieping hoger. Er hangen overal camera’s. Bij de receptie is nu een jongen in boxershort te zien die slaperig de camera in kijkt.

Naar het andere hotel voor het ontbijt. buiten staan drie mensen te roken.
“Kijk. Dat is meneer Van Dijk,” zegt een man.
“En ik ben mevrouw Van Dijk,” zegt een vrolijke vrouw.
“En er is nog een andere Van Dijk in het hotel,” zegt de man.
“Wat leuk,” zegt de vrouw. “De hele familie is er. Eet smakelijk, meneer Van Dijk.”

Het ontbijt is in de kelder. Ik bied mijn oprechte excuses aan dat ik als eerste het familiefeest moet verlaten.

Hotel De Mallemolen is een basic hotel dat zeer eenvoudig is ingericht. Hier komen mensen om goedkoop te overnachten nadat ze zijn uitgegaan. Het ontbijt en de receptie zijn bij Hotel De Kooperm0olen, links naast het hotel. Hotel Prins Hendrik is van dezelfde eigenaars.

Hotel De Mallemolen, Warmoesstraat 7
Vanaf 55 euro

Met strenge bewaking

Dag 90. Hotel Luxer

Opnieuw een hotel in de toeristische Warmoesstraat. Is dit inderdaad luxer dan de voorgaande, zoals de naam doet vermoeden? Het geblondeerde meisje begroet me in het Engels. “Goedenavond,” zeg ik. “Good evening,” antwoordt ze. “Do you want to check in?” Waarschijnlijk spreekt ze geen Nederlands, dus ik antwoord in het Engels en geef haar mijn Nederlandse paspoort. Door de entree klinken hits.

De kamer is ouderwets, maar redelijk schoon. Afgezien van de brandgaten in het kussensloop. Het douchegordijn heeft gekleurde stippen. Het handdoekrekje is leeg. Als vaste routine kijk ik op de plattegrond naar de nooduitgangen. Zou het vanavond nodig zijn? Breekt er vanavond brand uit? Uit de kamer naast mij klinkt gekreun. Een vrouwenstem. Steeds harder, steeds hoger, steeds sneller. Op de televisie vertelt een vrouw over haar tijd als SM-hoer. Wat voor smerige dingen ze in hotelkamers heeft gedaan. “Soms zaten de spetters op het plafond.” Wat is er in deze kamer gebeurd? Over sommige dingen moet je niet te diep nadenken.

Naar beneden. De noodtrap, want oefenen kan geen kwaad in zo’n doolhof. Beneden neem ik een verkeerde afslag en kom niet bij de uitgang maar in een doodlopende gang met kamerdeuren. Bijna gestikt! Gelukkig heb ik nog een leven.

Op weg naar de bar, meld ik de ontbrekende handdoek bij de receptioniste. “I’ll bring a towel to your room.” De nachtportier komt binnen. Ze begroet hem in plat Amsterdams. Waarom hem wel? Door de entree schalt een Nederlandse televisiequiz. De receptioniste denkt hardop en schreeuwt vrolijk de antwoorden. Ondertussen opent ze telkens de deur. Niemand komt ongezien naar binnen. Jonge Britten met plastic tassen vol bier. Dronken, stoned. Iedereen begroet me vriendelijk, alsof ik de eigenaar ben. De nachtportier en de receptioniste zingen mee met de televisie. Met een tosti stil ik mijn honger, naast mij zitten twee Britten te zoenen.

Er zijn twee handdoeken op mijn bed gelegd. Ik draai het aangebrande hoofdkussen om. Als ik net in slaap ben gevallen klinkt het brandalarm. Ben ik helderziend? Een vrolijk geloei, veel minder snerpend dan ik had verwacht. Zelfs wel geruststellend. Ik luister naar het prettige ritme. Opeens realiseer ik me dat het wel eens echt kan zijn. Mijn brandweeroefening was misschien niet voor niets. Naast mijn bed, mijn broek aan, deur open. Welke bezittingen moet ik meenemen? Mijn laptop, mijn telefoon. Uit de andere kamers klinkt gelach. Op het bordje naast de deur staat: Break glass or phone. Moet ik met de telefoon de brandmelder inslaan? Het alarm stopt en de brand lijkt mee te vallen. Het wordt stil in het hotel.

De volgende ochtend drink ik cappuccino in de entree. Britten verlaten het hotel en nieuwe groepen komen binnen. “Where can we leave our bugs?” De receptioniste wijst naar het bordje achter de receptie: locker room. Daaronder staan een paar tassen en koffers. Ze vragen of het wel safe is, deze niet afgesloten ruimte. “Absolutely,” bevestigt het meisje. “Cheers. Thanks. Great. We appreciate this very much,” reageren de Engelse pubers overenthousiast. “Soms zijn het klieren, maar af en toe zijn ze echt schattig,” knipoogt ze naar mij. De berg koffers naast de receptie groeit. “Do we need a label or so?” vraagt een Brits meisje. “No, you don’t. Just put it behind the reception. It’s safe.”

De blonde ontbijtvrouw met opgestoken haar zit uit te rusten naast de receptie. “Nou, waar ben je dan dik geworden?” Ze trekt de kleding van de receptioniste omhoog. “Oh ja, ik zie het. Nou, ik zou het liever op mijn benen hebben, moet je kijken.” Ze draait zich om en slaat op haar buik. “Bij mij zit het allemaal in mijn maag. Zat het maar op mijn benen.” Ze wijst op haar brede heupen. “Laatst zei een vriendin: wat word jij dik. Zonde van dat mooie koppie. Dat zeg je toch niet? Ik zei: jouw tanden groeien ook steeds verder naar voren. Afzagen en kronen erin schroeven. Dit ziet er niet uit. Zo. Hard tegen hard.”

Die man zal wel denken, waar hebben ze het over?” De ontbijtvrouw zwaait lachend naar me. “Het leuke is dat die man ons ook nog kan verstaan,” lacht het receptiemeisje tegen de ontbijtvrouw. De brede vrouw lacht beschaamd. “Dat verwacht je niet. Een Nederlander.”

Bij het verlaten van het hotel neem ik mijn koffer mee.

Hotel Luxer is een niet heel duur driesterrenhotel dat vooral wordt bezocht door toeristen die midden tussen de koffieshops en Ierse pubs willen zitten. Het hotel is en ouderwets ingericht. De receptie is de hele nacht bemenst en er is een bar. Het maakt inmiddels onderdeel uit van de Old Center Hotels.

Hotel Luxer, Warmoesstraat 11
Vanaf: 50 euro

Onder luid gejuich

Dag 83. Hotel Winston/St. Christopher’s

Is dit een hotel of een kroeg? Door een gang met luide muziek en drinkende mensen loop ik naar binnen. Links in een aquarium zitten rokers geluidloos te praten. Door een deur naar de receptie. Hier is het rustig. Een wat oudere man zit te eten. “Komt u inchecken bij het hostel of het hotel?” Hij kijkt vriendelijk. Ik dacht dat ik voor het hotel kwam, maar ik krijg een bed in St. Christopher’s.

Bij de bar kom ik amper boven de muziek uit. Ik bestel een biertje. “Meteen afrekenen. Pinnen kan vanaf 20 euro.” De boos ogende barman pakt mijn pas en haalt hem door het apparaat. Maakt hij voor mij een uitzondering? 20 euro staat in het scherm. Hij geeft het verschil terug in wisselgeld en overhandigt een tweede biertje. “Het is feest.tussen acht en tien.”

Een andere barjongen schreeuwt door de ruimte. Bij elk doelpunt en bij elk meisje dat binnenkomt. Hij zweept iedereen op. Een groep Spaanse meisjes laat zich gewillig door hem verleiden. Een jongere barman gaat met alle gasten op de foto. Een meisje vraagt in het Spaans of ik wil zoenen. Ik antwoord dat ik vanavond al met 7 mensen slaap en dat dit voldoende is.

Dit is een hotel voor jonge mensen. Jonge mensen die willen drinken, blowen en versieren. Voor het eerst voel ik me niet helemaal thuis in een hotel. De muziek wordt luider, de mensen praten nog harder. Een groep jongens staat luid schreeuwend onder het televisiescherm. De voetballers zijn niet onder de indruk.

Aan een lange gang tegenover de receptie liggen de hostelkamers. Een douchegordijn met Chinese tekens, uitgeknepen tubes op het planchet. Onder de bedden zijn houten opbergkisten gebouwd. De muren zijn versierd als een jongenskamer. Heel anders dan de foto’s op de website. Kunstzinnig ingerichte kamers. Bij de receptie informeer ik er nog  echte hotelkamers zijn, maar het hele hotel zit vol.

Op mijn stapelbed kom ik tot rust. Totdat mijn kamergenoten binnenkomen. Amerikaanse studenten, gehuld in een wietwalm. Naast me ligt opeens een man van in de veertig. Hij haalt luid zijn neus op en laat tegelijkertijd een onvoorstelbaar grote hoeveelheid lucht uit zijn darmkanaal ontsnappen. Hij klinkt kortademig en telkens denk ik dat hij stikt. Een rochel. Gehoest. Het is de Elephant Man in zijn laatste uren. Opeens rent hij naar de kleine badkamer en geeft hij over in de wasbak. Dan loopt hij naar het toilet en rochelt daar de rest van zijn maaginhoud naar buiten. Hij stikt. Moet ik hem straks beademen?

De volgende ochtend staat er op de bar een ontbijt uitgestald. Wit brood, yoghurt, cornflakes, nepsinaasappelsap, jam. Een uitgedund hotelontbijt. Papieren bekers. Buiten worden bierkratten opgestapeld. Opeens een harde rochel. De Elephant Man neemt aan het tafeltje naast mij plaats, tegenover een charmante vrouw. Ze begroeten elkaar, zonder te praten. Gebarentaal. Ik doe mijn oren dicht en zie de man lachen naar de vrouw. Ze lijken gelukkig. Zij heeft geen idee waarom de rest van de wereld zo vies naar hem kijkt. Voor het eerst van mijn leven ben ik jaloers op dove mensen.

Bij het uitchecken zegt de oude man: “De sleutelkaart mag je houden. Dan krijg je korting in onze hostels in Parijs, Berlijn, Londen, etcetera. Daar is ook altijd feest.” Buiten is het stil.

Winston is een club, sportcafé, nachtkroeg, hotel en hostel in een. Christopher’s hostel en de Belushi’s bar zijn internationale concepten die door Winston zijn overgenomen om met name de jonge toerist te geven wat hij wil: drank, muziek, gezelligheid. Het hotel en hostel zijn eenvoudig, maar door het aanbod en de locatie toch meestal volgeboekt.

Hotel Winston/Cristopher’s,Warmoesstraat 129
Bedden vanaf 14,90 euro

Dichtbij een dichter

Dag 72. De Witte Tulp

De Warmoesstraat is chaotisch. Voor de receptie van het hotel staat een aantal mensen te wachten. “What’s your name, please?” Van Dijk. “Oh, je spreekt Nederlands. Ik ook een beetje.” Hij neemt een hap van zijn bord en vertelt er nog iemand op mijn kamer ligt. Een jongen uit Latijns-Amerika. “Het zal niet druk worden, het is een rustige avond.”

In het stapelbed naast mij ligt een jongen met donkerbruine krullen en een driedagenbaard. Hij komt uit Peru en vraagt waar ik vandaan kom. “Amsterdam,” antwoord ik. Een kwartier later vraagt hij waarom ik hier slaap. Hij is zelf schrijver en dichter is en heeft een blog. Hij houdt een boek omhoog over een schrijver die in het Chelsea Hotel woonde en lacht.

Ik maak een foto van het bordje boven het stapelbed. Top #3, Bottom #4. De dichter wijst me op het bordje op de deur. “Fotografeer dit. Meer hoef je niet te schrijven over dit hotel. Dit zegt het allemaal. Soms heb je niet zoveel woorden nodig.”

If somebody is sleeping in your bed
by mistake, please come to the
reception so we can resolve the
problem for you.

Waarom heb ik zelf niet gezien dat dit een gedicht was? Zie ik alleen de platte humor?

De dichter vertelt dat hij vanavond bij veel hotels geweest, maar dit was het enige hotel met een goede prijs-kwaliteitverhouding. “Amsterdam heeft te weinig hotelkamers. Er is een congres,” leg ik uit.  “Iedereen had het over The Conference, maar niemand kan me vertellen wat voor congres het is.” “Misschien is het een congres over congressen, The Conference conference,” zeg ik. “Misschien hebben de hotels het onderling afgesproken en is The Conference gewoon verzonnen. Om de prijzen omhoog te kunnen gooien.” Hij spreekt langzaam en het voelt alsof we elkaar al jaren kennen.

De dichter vraagt of er iets is wat alle hotels in Amsterdam gemeen hebben. Ik antwoord dat de meeste mensen die in hotels werken over het algemeen opvallend aardig zijn. Dat dit bijzonder is in Nederland. “Spreek je veel Nederlands?” “Nauwelijks,” antwoord ik. Voortdurend word ik in het Engels aangesproken. Ook door Nederlanders. Sommige medewerkers spreken helemaal geen Nederlands, er werken veel buitenlanders in de hotels. “Dat verklaart misschien die vriendelijkheid.” Een ironische lach.  

Hij laat me zijn gedichten lezen. In het Spaans. Tijdens het lezen observeer ik hem. Zijn borstkas gaat rustig op en neer. De ogen gesloten. Hij luistert naar muziek. De woorden die hij heeft gesproken klinken na. Het is een fijn gevoel om naast hem te liggen. Hij is de wijze broer die ik nooit heb gehad. Door zijn gedichten te lezen, weet ik wat er in hem omgaat. Praten is overbodig.

Als we bijna slapen komt er een groep Spaanse meisjes en jongens binnen. Ze leggen hun tassen op de bedden en verdwijnen weer. De kamer is weer van ons.

’s Morgens vroeg gaat mijn wekker. Mijn broer slaapt nog, net als alle Spanjaarden. Heel stil ga ik douchen en pak ik mijn koffer in. Nooit zal ik hem terugzien, mijn vriend voor een avond. Als  ik wegloop opent hij zijn ogen. Ik geef hem een hand. “Give me your e-mail address,” fluistert hij.

De Witte Tulp is een budgethotel/hostel met slaapzalen in een drukke en lawaaiige straat. Het trekt met name groepen jonge toeristen. Onder het hotel is een Ierse pub gevestigd waar ook gegeten kan worden. Hotelgasten krijgen hier korting. Het hotel is redelijk schoon en heeft gratis internet.

De Witte Tulp, Warmoesstraat 87
Vanaf 30 euro per bed

In een coffeeshop

Dag 29. The Greenhouse Effect Hotel

Dronken Britten tollen met hun koffer over de Warmoesstraat, op weg naar de luchthaven. Stoned kijkende Italianen vergapen zich aan een rubberen staaf in de etalage van een fetisjwinkel. Een man legt zijn vrouw uit wat een gaycinema is. Twee Belgische meisjes verdringen hun vreetkick bij een snackbar.

“Welcome, sweetie!” Een Engelse vrouw met een hoge paardenstaart legt uit hoe het hotel werkt: “Dit is de bar. Voor hotelgasten is het de hele dag happy-hour. Jullie krijgen grote korting op pints en cider. Just show your key, da’ling. Voor jullie is het achterste deel van de bar gereserveerd. Vanavond is hier live muziek en morgenochtend tot 12 uur het ontbijt. De coffeeshop is hiernaast, maar je mag overal roken. Ook in de hotelkamer.” Haar Londens Engels is komisch.

Als ik de bar uit stap, zie ik links de coffeeshop. Aan de rechterkant zit een deur die toegang geeft tot het hotel. Een steile trap omhoog. Alle kamers hebben tot de verbeelding sprekende namen als Turkish Delight, Dutch Touch en English Rose. In tegenstelling tot veel andere hotels waar ik tot nu toe ben geweest, hangt hier vreemd genoeg geen wietlucht in de gangen.

Heel toepasselijk: The Red Light Room. Aan de muur hangen hartjeslampen, achter het eenpersoonsbed een rood zeil en een rood-wit gedicht. Ik struikel over een rood tafeltje en een asbak valt op de grond. De badkamer bestaat uit een lange ruimte met een fonteintje, daarachter een douche, en daarachter een toilet. Ik kan douchen tijdens het plassen. De kamer is schoon en meisjesachtig.

Beneden in de bar neem ik een biertje. Om me heen zitten sloom kijkende buitenlanders aan grote pullen bier. Een vriend belt dat hij in de buurt is. Ik vraag hem of hij blowt. “Soms.” Samen met hem ga ik naar de coffeeshop. De menukaart hangt aan een touwtje. Wiet aan de ene kant, hasj aan de andere kant. Ik vraag wat het verschil is. “Van wiet word je stoned en van hasj ook,” is het antwoord. Ik besluit een versgeperst sapje te nemen. De vriend koopt een voorgerolde joint. Hij blijkt net zo weinig kennis van zaken te hebben als ik.

“We moeten de buurt leren kennen. Zullen we naar een leerbar?” daag ik hem uit. Even later zitten we in een donkerbruin café dat is uitgedost als een martelkelder. Aan het plafond hangen zware kettingen, kogels en martelwerktuigen. Er komt een oude man binnen met een leren broek zonder achterwerk, gevolgd door een jongen met een politiepet. Een dikke Chinese jongen komt binnen en trekt zijn shirt uit. Met ons biertje lopen we naar beneden. Een donker doolhof met een flauw rood licht dat af en toe de gezichten beschijnt. De vriend wordt misselijk van zijn sigaret. De politieagent grijpt in het kruis van de man zonder achterwerk. Nu word ik ook misselijk en we gaan weg. Dansen.

De volgende ochtend word ik wakker door stofzuigers, chloorlucht, klappende deuren en walkie-talkies. De schoonmaakster vertelt dat ik moet uitchecken. In de bar staat de Engelse vrouw. Van boven krijgt ze door wat er uit de minibar is gehaald en geeft mijn borg voor de sleutel terug. Achter een touw zitten de hotelgasten te ontbijten. Een beschermde diersoort. Aan de bar drinken twee mannen bier. De geur van croissants en verse broodjes mengt zich met die van wiet. Of hasj. Een andere Engelse vrouw vult de broodjesbak aan en zet de borden in de vaatwas. Routineuze handelingen in een kleine ruimte. “Bye, my love,” zegt de paardenstaart, als ik ga.

De Greenhouse Effect is een bar, een coffeeshop en een hotel in één. Bedacht in de jaren ‘90 om het stereotype beeld van de coffeeshop te doorbreken. Alle drie worden goed onderhouden, zijn schoon en met name door het strenge, maar vrolijke vrouwelijke management een prettige plek om te verblijven, zelfs voor iemand die niet blowt. Het hotel ligt in het red-light district en trekt voornamelijk jonge, internationale toeristen. Door de coffeeshop met het hotel te combineren, lijkt het alsof het hotel het drug- en drankgebruik van zijn gasten goed in de hand heeft, want er is weinig waarneembaar overlast.

The Greenhouse Effect, Warmoesstraat 53-55
Eenpersoonskamer: 75 euro