Op verschillende panden van de Vondelstraat hangen grote pijlen zonder naam. Een speurtocht. De pijlen wijzen naar de entree van het hotel. Het meisje achter de receptie maakt de sleutelkaart aan en zegt: “Mijn collega loopt even met u mee naar boven.” Het is dezelfde jongen die me ook naar de kamer bracht in Hotel Roemer.
“U slaapt in de suite op de vijfde etage,” zegt de jongen. Hij doet zijn uiterste best om geen fouten te maken. Ik loop achter hem door een ingewikkelde gang voor verschillende panden, in omgekeerde richting van de pijlen. In de hal hangen ingelijste covers van singles. Zo sympathiek dat iemand de moeite neemt om mee te lopen naar de kamer.
De suite is ruim. Door de louvreluiken op de ramen komt gefilterd licht de kamer binnen. Op een verhoging staat het bed, met aan het voeteneinde een bubbelbad en daarvoor een bank. Op een tafel staat een goede fles Prosecco met een kaartje en twee glazen erbij. Een groot schilderij, overal lampjes, een stijlvolle plaid op het bed. Alles is met smaak en zorg ingericht in natuurkleuren. Dit is geen hotelkamer, dit is een luxe logeerkamer, bedacht door iemand die van mensen houdt.
In de badkamer hangen twee regendouches. Het is zo vriendelijk van zo’n hotel om me deze kamer te geven, terwijl ik al blij was geweest met een eenpersoonsbed in een kleine kamer en een gedeelde douche. Ik voel me klein en leg voorzichtig de badjas opzij, zodat deze niet gewassen hoeft te worden. Ook de fles laat ik onaangebroken. Vanuit het bed kijk ik naar de kamer en krijg tranen in mijn ogen.
Een vriend sms’t: Zit in the bar. Ik ga naar beneden. “Kom, we nemen een glas rode wijn.” Hij gaat aan een tafel zitten alsof hij hier al jaren komt. Hij wenkt de ober. Hij heeft de regie.
“Het leuke aan jouw hotelgebeuren is dat het het normale leven is, maar dan versneld afgedraaid. Enorme suites, maar ook ranzige holletjes. Elke dag weer wat anders. Hoogtepunten en dieptepunten.”
De wijn is op, we moeten nog een glas hebben. Je moet wel een beetje van het leven genieten.” De wijn wordt bijgeschonken en er wordt een schoteltje met een sigaret voor hem neergezet. “Ik rook eigenlijk niet, maar vanavond wil ik een sigaret.” Hij poseert.
“En nu wil ik die suite van je wel zien.” We leggen hetzelfde doolhof af.
Hij nestelt zich in de bank. “Geweldig! Ik heb in de meest luxe hotels van de wereld geslapen. Het leukste vind ik altijd de roomservice. Dat is toch een geweldige uitvinding? Dat je belt en dat iemand dan pizza komt bezorgen. Daar maak je toch wel altijd gebruik van?”
Ik zeg dat de meeste hotels geen roomservice hebben, maar dat ik de drempel zo hoog vind om te bellen.
“Wat een onzin, je pakt gewoon de telefoon. Daar zijn hotels hotels voor. Wat er ook gebeurt, ik wil een club-sandwich, want dat hoort in een hotel. Ik eet altijd een club-sandwich in een hotel. Hij pakt de menukaart. “Kijk. Daar hebben we hem: de club-sandwich. Met dikke oma-frieten. Bel jij maar, en neem zelf ook iets. Heerlijk. Bubbels? Gelukkig staan er twee glazen. Heb je wel eens gehad dat er maar 1 glas bij stond? Volgens mij is dat het meest pijnlijke wat je kan overkomen.” Hij schenkt de glazen vol.
Ik bel of iemand tijd heeft om eten naar de kamer te brengen en kort daarna staat de ober van beneden in de kamer met het hoteleten.
De vriend gaat in het bubbelbad liggen met zijn kleding aan, het glas in de hand en een niet-brandende sigaret is zijn mond: “Wat een geweldig leven. Maak een foto. Het is toch ook fantastisch in een hotel dat je gewoon je spullen kunt laten rondslingeren en dat je weet dat dit de volgende dag gewoon is opgeruimd?”
Ik reageer dat ik nooit spullen laat slingeren en dat ik me al schuldig voel als ik twee prullenbakken in gebruik neem en de handdoeken niet netjes bij elkaar op de grond leg.
“Don’t be gentle, it’s a rental, haha. Je bent een schat, maar je moet wel leven in die hotels. Dat is toch de reden dat je niet in een huis woont. Over huis gesproken, ik moet nu gaan, mijn vriendin wacht op me.” Hij geeft me een kus.
Hij heeft misschien gelijk. Ik moet meer genieten van de hotels. Ik zet de enorme televisie aan, laat het bubbelbad vollopen en neem nog een glas wijn. Ik bekijk mijn lichaam in het bruisende water. Hier ligt de man die in alle hotels van Amsterdam slaapt. Badend in luxe.
In de kast van de ontbijtzaal staat een verzameling van gekke spullen. “Koffie?” vraagt de ontbijtjongen. Ik neem een bescheiden bordje fruit van het buffet dat is verstopt achter de muur.
De manager komt de ontbijtzaal inlopen. “Vincent, leuk om eindelijk even kennis te maken. Ik kwam alleen een kop koffie halen. Hoe is het met je? Wil je een cappuccino?” Hij komt bij me aan tafel zitten.
“Ik probeer de hotels een beetje huiselijk in te richten. Mensen moeten zich hier thuisvoelen. Toen we hiermee begonnen, bestond het fenomeen boutiquehotel nog niet in Amsterdam. Ik reisde veel en kwam dit soort hotels veel in andere wereldsteden tegen. Nu zie je het ene na het andere boutiquehotel. Toen ik dit hotel kocht moesten mensen buitenom lopen. We hebben nu een gang gemaakt door de verschillende panden.” Nu ik de eigenaar leer kennen, begrijp ik zijn hotels.
“Wij hopen dat u een fijn verblijf heeft gehad. Er staat niets open. De eigenaar biedt alles aan.”
Hotel Vondel is een smaakvol ontworpen viersterrenhotel met 86 kamers, gevestigd in 7 herenhuizen. Er is het restaurant Joost en er is een tuin. De sfeer in het luxe en zeer eigen ingerichte boutiquehotel is zeer hartelijk en warm. Er zijn ook een vergaderzaal en een boardroom. Van dezelfde eigenaar is Hotel Roemer, en de Bed and No Breakfast Herengracht. Volgend jaar opent JL no. 76.
Hotel Vondel, Vondelstraat 26
Vanaf 90 euro


