In een hotel

Hotel Wilhelmina

In de lobby van een groot hotel ontmoet ik bij toeval twee mensen die zich bezighouden met de verkoop van hotels. “Vaak weet je als gast niet wie de eigenaar is van een hotel. Vaak zijn het buitenlandse investeerders die een hotel kopen. Die zetten hier dan bijvoorbeeld een Rus of Egyptenaar neer. Een vriendje, een familielid. Soms is dat een katvanger, iemand die de eigenaar buiten het bereik van justitie houdt en slechts een kleine toelage krijgt.”

“Het is heel lastig om te achterhalen waar het geld vandaan komt, maar het gaat bij hotels om enorme bedragen. Hotelpanden wisselen vaak van eigenaar, dat heb je misschien wel gemerkt. Dat gebeurt vaak buiten de markt om. Eigenaars willen vaak niet bekend maken dat ze een hotel kopen. Bijvoorbeeld omdat ze bang zijn dat het personeel wegloopt als ze horen dat er opeens een Pakistaanse eigenaar is. Wij werken vaak in het diepste geheim,” fluistert de vrouw.

De man vult haar aan: “De Nederlandse banken willen hotels niet financieren en daar springen buitenlandse investeerders masaal op in. Heel veel hotels waren in handen van Israëli’s, maar die ontvluchten nu allemaal het land, vanwege de wetgeving. Het is bij die buitenlandse financieringen lang niet altijd duidelijk waar het geld precies vandaan komt, dus het effect van die hele strenge wetgeving is dat de boel alleen maar onduidelijker wordt. We hebben afgelopen jaar een project gedaan met een Griekse zakenman die hier 6 miljoen heeft geïnvesteerd. Hij is maandenlang gevolgd en helemaal omgekeerd, maar ze hebben niets kunnen vinden. Het resultaat is wel dat hij nu nooit meer zaken gaat doen in Nederland. Hij investeert nu in Duitsland, want daar is de markt nog, zoals hij hier 25 jaar geleden was. De overheid probeert de boel transparanter te maken, maar resultaat is dat niemand weet hoe de geldstromen lopen.”

“Nu zie je dat veel Chinese families in hotels gaan investeren,” vertelt de vrouw. ”Ze verkopen massaal hun restaurants en halen kapitaal van verschillende familieleden bij elkaar. Eerst kochten ze snackbars, omdat ze dachten dat ze minder hard hoefden te werken. Maar hotels zijn een veel betere investering. Het is een soort levensverzekering, want als je als ondernemer op een gegeven moment in een rolstoel belandt, dan kun je je restaurant wel sluiten. Maar hotels blijven hun waarde gewoon houden. Het zijn gewoon bakstenen.”

Met de tram ga ik naar Hotel Wilhelmina. Achter de receptie zit een klein Grieks meisje. Ze niest en kijkt ongelukkig. “Wat een leuke baan, in alle hotels slapen. Als je nog mensen zoekt, dan wil ik bij je werken,” zegt ze bedeesd. “Ik ben bij toeval in de hotelbranche gerold, maar wil liever wat anders doen. In dit hotel gebeurt eigenlijk niet zoveel. De mensen die hier komen zijn leuk en met name rustig. Als iemand ons niet aanstaat, dan moeten we van onze baas zeggen dat het hotel vol zit. Hij wil geen problemen. “We vragen 20 euro borg voor de sleutel, mocht je koffie of thee willen.” Ik ga naar boven.

De kamer is klein en koud, maar is netter dan ik had verwacht. Op de muur zit een modern bloemmotief. Het tweepersoonsbed neemt bijna de gehele ruimte in. Op de kluis hangt een briefje dat de huur 15 euro is en dat er 10 euro borg wordt gevraagd. Op het bureau staat dat het huren van een koffie- en theeset 15 euro kost. Er ligt geen afstandsbediening op de kamer. Had ik hiervoor ook borg moeten betalen?

Aan het bureau ga ik zitten werken, maar de muren komen op me af. Met mijn laptop ga ik naar beneden. Het ontbijtkopje en bestek schuif ik opzij. “Mijn baas belde net dat ik je een grotere kamer mag geven,” zegt het meisje. Ik zeg dat de kamer prima is en dat dit niet nodig is. “Niet omdat u een boekje schrijft, maar dat doen we normaal ook bij gasten die niet tevreden zijn over hun kamer.”
Ik herhaal dat ik niet ontevreden ben. Dat de kamer prima is.

In de keuken maakt ze een kopje thee en komt bij me zitten. “Amsterdam stikt van de muizen,” zegt ze. “Die kom je zeker vaak tegen in hotels?”
“Alleen in hotels zonder poes,” antwoord ik. “Dat zijn de beste muizenvangers.”
Ze zucht. “Ik doe dit hele hotel ongeveer in mijn eentje. Vanavond zit ik nog tot half een die stapel papier weg te werken. Het is heel erg druk. Ik doe de hele boekhouding, maar moet ook nog de handdoeken wassen en morgenochtend het ontbijt doen. Niemand heeft me echt geleerd wat het werken in een hotel inhoudt. Hebben andere hotelmanagers in Amsterdam wel hotelschool gedaan? Mijn baas komt oorspronkelijk uit India en bezit nog twee andere hotels. Daar werk ik ook wel eens.”

“Wil je echt geen grotere kamer?” vraagt ze nogmaals. Ik antwoord dat het niet om de grootte van de kamer gaat, maar dat de medewerkers een hotel maken. En dat alles draait om service. Verschrikt kijkt ze naar haar eigen kop thee. “Zal ik een kopje thee voor je zetten?” vraagt ze vriendelijk.

Hotel Wilhelmina is een ouderwets en rustig tweesterrenhotel in Amsterdam-Zuid, vlakbij het Vondelpark. De kamers hebben allemaal douche en toilet en naast verschillende kamertypen heeft het hotel twee studio-appartementen.

Hotel Wilhelmina, Koninginneweg 169
Vanaf 75 euro

Badend in luxe

Hotel Vondel

Op verschillende panden van de Vondelstraat hangen grote pijlen zonder naam. Een speurtocht. De pijlen wijzen naar de entree van het hotel. Het meisje achter de receptie maakt de sleutelkaart aan en zegt: “Mijn collega loopt even met u mee naar boven.” Het is dezelfde jongen die me ook naar de kamer bracht in Hotel Roemer.

“U slaapt in de suite op de vijfde etage,” zegt de jongen. Hij doet zijn uiterste best om geen fouten te maken. Ik loop achter hem door een ingewikkelde gang voor verschillende panden, in omgekeerde richting van de pijlen. In de hal hangen ingelijste covers van singles. Zo sympathiek dat iemand de moeite neemt om mee te lopen naar de kamer.

De suite is ruim. Door de louvreluiken op de ramen komt gefilterd licht de kamer binnen. Op een verhoging staat het bed, met aan het voeteneinde een bubbelbad en daarvoor een bank. Op een tafel staat een goede fles Prosecco met een kaartje en twee glazen erbij. Een groot schilderij, overal lampjes, een stijlvolle plaid op het bed. Alles is met smaak en zorg ingericht in natuurkleuren. Dit is geen hotelkamer, dit is een luxe logeerkamer, bedacht door iemand die van mensen houdt.

In de badkamer hangen twee regendouches. Het is zo vriendelijk van zo’n hotel om me deze kamer te geven, terwijl ik al blij was geweest met een eenpersoonsbed in een kleine kamer en een gedeelde douche. Ik voel me klein en leg voorzichtig de badjas opzij, zodat deze niet gewassen hoeft te worden. Ook de fles laat ik onaangebroken. Vanuit het bed kijk ik naar de kamer en krijg tranen in mijn ogen.

Een vriend sms’t: Zit in the bar. Ik ga naar beneden. “Kom, we nemen een glas rode wijn.” Hij gaat aan een tafel zitten alsof hij hier al jaren komt.  Hij wenkt de ober. Hij heeft de regie.
“Het leuke aan jouw hotelgebeuren is dat het het normale leven is, maar dan versneld afgedraaid. Enorme suites, maar ook ranzige holletjes. Elke dag weer wat anders. Hoogtepunten en dieptepunten.”
De wijn is op, we moeten nog een glas hebben. Je moet wel een beetje van het leven genieten.” De wijn wordt bijgeschonken en er wordt een schoteltje met een sigaret voor hem neergezet. “Ik rook eigenlijk niet, maar vanavond wil ik een sigaret.” Hij poseert.
“En nu wil ik die suite van je wel zien.” We leggen hetzelfde doolhof af.

Hij nestelt zich in de bank. “Geweldig! Ik heb in de meest luxe hotels van de wereld geslapen. Het leukste vind ik altijd de roomservice. Dat is toch een geweldige uitvinding? Dat je belt en dat iemand dan pizza komt bezorgen. Daar maak je toch wel altijd gebruik van?”
Ik zeg dat de meeste hotels geen roomservice hebben, maar dat ik de drempel zo hoog vind om te bellen.
“Wat een onzin, je pakt gewoon de telefoon. Daar zijn hotels hotels voor. Wat er ook gebeurt, ik wil een club-sandwich, want dat hoort in een hotel. Ik eet altijd een club-sandwich in een hotel. Hij pakt de menukaart. “Kijk. Daar hebben we hem: de club-sandwich. Met dikke oma-frieten. Bel jij maar, en neem zelf ook iets. Heerlijk. Bubbels? Gelukkig staan er twee glazen. Heb je wel eens gehad dat er maar 1 glas bij stond? Volgens mij is dat het meest pijnlijke wat je kan overkomen.” Hij schenkt de glazen vol.
Ik bel of iemand tijd heeft om eten naar de kamer te brengen en kort daarna staat de ober van beneden in de kamer met het hoteleten.

De vriend gaat in het bubbelbad liggen met zijn kleding aan, het glas in de hand en een niet-brandende sigaret is zijn mond: “Wat een geweldig leven. Maak een foto. Het is toch ook fantastisch in een hotel dat je gewoon je spullen kunt laten rondslingeren en dat je weet dat dit de volgende dag gewoon is opgeruimd?”
Ik reageer dat ik nooit spullen laat slingeren en dat ik me al schuldig voel als ik twee prullenbakken in gebruik neem en de handdoeken niet netjes bij elkaar op de grond leg.
“Don’t be gentle, it’s a rental, haha. Je bent een schat, maar je moet wel leven in die hotels. Dat is toch de reden dat je niet in een huis woont. Over huis gesproken, ik moet nu gaan, mijn vriendin wacht op me.” Hij geeft me een kus.

Hij heeft misschien gelijk. Ik moet meer genieten van de hotels. Ik zet de enorme televisie aan, laat het bubbelbad vollopen en neem nog een glas wijn. Ik bekijk mijn lichaam in het bruisende water. Hier ligt de man die in alle hotels van Amsterdam slaapt. Badend in luxe.

In de kast van de ontbijtzaal staat een verzameling van gekke spullen. “Koffie?” vraagt de ontbijtjongen. Ik neem een bescheiden bordje fruit van het buffet dat is verstopt achter de muur.

De manager komt de ontbijtzaal inlopen. “Vincent, leuk om eindelijk even kennis te maken. Ik kwam alleen een kop koffie halen. Hoe is het met je? Wil je een cappuccino?” Hij komt bij me aan tafel zitten.
“Ik probeer de hotels een beetje huiselijk in te richten. Mensen moeten zich hier thuisvoelen. Toen we hiermee begonnen, bestond het fenomeen boutiquehotel nog niet in Amsterdam. Ik reisde veel en kwam dit soort hotels veel in andere wereldsteden tegen. Nu zie je het ene na het andere boutiquehotel. Toen ik dit hotel kocht moesten mensen buitenom lopen. We hebben nu een gang gemaakt door de verschillende panden.” Nu ik de eigenaar leer kennen, begrijp ik zijn hotels.

“Wij hopen dat u een fijn verblijf heeft gehad. Er staat niets open. De eigenaar biedt alles aan.”

Hotel Vondel is een smaakvol ontworpen viersterrenhotel met 86 kamers, gevestigd in 7 herenhuizen. Er is het restaurant Joost en er is een tuin. De sfeer in het luxe en zeer eigen ingerichte boutiquehotel is zeer hartelijk en warm. Er zijn ook een vergaderzaal en een boardroom. Van dezelfde eigenaar is Hotel Roemer, en de Bed and No Breakfast Herengracht. Volgend jaar opent JL no. 76.

Hotel Vondel, Vondelstraat 26
Vanaf 90 euro

In de natuur

Consicous Hotel Vondelpark

Aan het begin van de Overtoom zit opeens een breed venster dat de altijd drukke invalsweg een blik biedt op het ooit zo gesloten kantoorpand. Passanten blijven verbaasd staan staren naar de bar met lichtbruine zitjes voor een goed verlichte plantenwand. Het is duidelijk dat dit gebouw niets te verbergen heeft. CONSCIOUS HOTEL VONDELPARK staat boven de ruit in witte lichtletters.

“Jij bent er snel bij. We zijn echt nét open. Nog geen twee weken.” Hij schudt mijn hand en straalt energie uit.
“Maar natuurlijk hebben we een kamer voor je. Kom eerst even binnen.” Het is een van de eigenaars. Hij nodigt me uit in het kantoor achter de receptie. Op de bureaus liggen stapels papier. “We wilden rustig starten. Het was echt net opgeleverd en het stroomde meteen vol. Er moest nog zoveel gebeuren. We zitten hier gewoon op zondagavond door te werken. Maar we krijgen gelukkig goede reacties.”

“Je bent al in ons eerste hotel geweest. Daar hebben we veel van geleerd. Alle verbeterpunten hebben we hier natuurlijk meegenomen. Daar kozen we voor strakke designmeubelen, maar hier wilden we iets meer warmte. En we merken dat je veel meer moet uitleggen waarom we hebben gekozen voor bepaalde oplossingen. Mensen zien niet dat er een waterbesparende kop op de douche zit en weten niet waarom we grote verpakkingen met zeep hebben, in plaats van kleine. We laten het gebouw tegen je praten, dat zul je straks wel zien. Wil je een eco-limonade? Heel erg lekker.” De eigenaar spreekt gepassioneerd en ziet er allesbehalve alternatief uit.

Op weg naar de bar komen we langs een kast met ecologisch verantwoorde douchekoppen, luxe eco-champagne en duurzame gadgets. “Dit kun je hier allemaal kopen. En kijk hier. Deze zitkussens in de vensterbank zijn gemaakt van borduurlappen. Opgekocht van oude oma’s en aan elkaar gestikt. Is dat niet duurzaam? De zigeunerjongentjes en windmolens in kruissteek hebben zich neergelegd bij hun tweede leven als hip meubilair.

De eigenaar vraagt aan de receptionist: “Hebben we nog een premium-kamer? Ja, doe die op de zesde verdieping maar, dat is echt een topkamer.” Hij loopt voor me uit naar boven. “Hier kun je je eigen muziek luisteren op de iPod-dock en slaap je op een natuurrubbermatras. Op de kamerdeur staat: Behind this door lies your own special kingdom where you make the rules. Het kamernummer is uitgeschreven.

Het uitnodigende bed staat tegen een close-up van een plant. “Deze bedtafeltjes hebben bladen met echte bladeren erin. Het bureau is gemaakt van oude koelkasten. En hier hangt een plantje. Op z’n kop. Waar kom je dat nou tegen, een plantje in een hotelkamer?”

Hij opent de balkondeur. “Kijk. Een enorm dak met sedum en heideplantjes. Hieronder zitten de ontbijtzaal en de parkeergarage. Eigenlijk is het raar om als milieubewust hotel een parkeergarage te hebben, hè? Nouja, mijn hybride-auto staat er geparkeerd.”

Voordat ik naar bed ga, loop ik nog even naar beneden om te controleren of de wijn biologisch is.
De barman zegt: “Ach, dat hele eco-gebeuren is natuurlijk een enorme hype. Er komen hier ook heel veel mensen die gewoon een betaalbaar hotel willen boeken. Of het nou milieubewust is, dan maakt hen helemaal niets uit. Ze zien het niet eens. Je wordt er ook wel een beetje mee doodgegooid, met dat bio-gedoe.”
“Onzin,” reageer ik fel. “Hotels komen vaak niet verder dan ‘hang je handdoek op als je hem wilt hergebruiken’ en dat is dan vooral uit kostenbesparing. De consument is er klaar voor, maar veel hotels nog niet. Als je laat zien dat dit op een leuke en mooie manier gebeurt, dan is dat bijzonder. Moet ik nu jullie concept verdedigen?” Zowel de barman als ik zelf schrikken van mijn bevlogen reactie. Wat doet dit hotel met mij?

In de badkamer praten de zeep en het toilet via de tegels tegen mij met gekke teksten. In het bed word ik pas echt één met de natuur.

Aan het ontbijt zit een mix van verschillende mensen. Niet alternatief, maar zelfs aantrekkelijk. Bij de yoghurt staat een bordje dat hij biologisch is en datzelfde is op de broodjes geplakt. Een eetbaar certificaat. Zelfs de cashewpasta blijkt ecologisch.

Op tafel staat een peper- en zoutstel van kurk. De passie van de eigenaars is voelbaar tot in elk detail.

Conscious Hotel Vondelpark is het tweede hotel in Amsterdam van deze nieuwe keten die hun hotels zo groen, ecovriendelijk en duurzaam wil maken, zonder dat het te ‘hippy’ wordt. Duurzaam wordt met design en humor gecombineerd, zonder belerend te zijn. Het resultaat is een verrassend hotel dat stemt tot nadenken, maar ook een prettige, frisse omgeving is om in te slapen en te verblijven. De bedoeling is dat er meer hotels worden geopend buiten Amsterdam. Bij het hotel met 81 kamers in twee torens zit een parkeergarage en gasten kunnen tegen betaling sporten bij het naastgelegen fitnesscentrum.

Conscious Hotel Vondelpark, Overtoom 519-521
Vanaf 79 euro

Met een butler

Park Mansion – Penthouse

Een lange blonde jongen met een adellijk gelaat doet de deur open en steekt zijn hand uit. “Charles. Welkom in Park Mansion. Laat mij je koffer dragen. Ik zal eerst even laten zien waar je ook had kunnen slapen. Maar ja, je koos voor het Penthouse. Een beetje jammer.” Hij opent de deur. Een zeer klassiek ingericht appartement met antieke meubelen, gouden draperieën, kandelaars en tierelantijnen. Zijn ogen stralen.

“Ja, dit interieur is prachtig, maar doet me teveel denken aan het theater van mijn ouderlijk huis,” lach ik. We lopen naar de bovenste verdieping. Overal door het ruime appartement branden kaarsen. De openhaard zorgt voor een behaaglijke warmte. Overal staan verse bloemen en er klinkt muziek. Het lijkt in niets op een hotel.

“Wil je wat drinken?” Hij opent de koelkast in de keuken die volstaat met wijnen, verschillende sappen, bier, schaaltjes Franse kaas en ossenworst, kipsalade, zalm, vruchtensalade. Even ben ik in de veronderstelling dat hij me mee heeft genomen naar zijn eigen woning, maar dan realiseer ik me dat dit vanavond mijn huis is. Hier slaap ik. In dit riante huis met een slaapkamer, een televisiehoek met grote kussens op de vloer, net als voor de haard. Een zitkamer, een open keuken met wijnen en keukenkastjes vol spullen die normaal in een huis staan. Meer dan ik ooit in huis heb gehad. In mijn koelkast thuis stonden alleen wijnen en cranberrysap. In mijn keukenkastjes lagen rekeningen en kleding.

“Ja, mijn appartementen zijn precies ingericht zoals ik het zelf fijn vindt. Met kussens van nepbont op de bank en grote ligkussens. Daar houd ik van. Ik vind het vreselijk in hotels dat als je een kopje thee bestelt, dit een half uur duurt en dat het water lauw is. Kijk, hieruit komt à la minute kokend water. Niet per ongeluk je handen wassen onder deze kraan. Ik zal je even een rondleiding geven door het appartement en uitleggen hoe alles werkt. Geduldig laat hij zien waar de lichtknopjes en stopcontacten zitten, hoe de openhaard werkt, hoe de televisie aan en uitgaat.
“Ben je tout seul? Helemaal alleen? Je kiezen waar je slaapt. Hier in de slaapkamer, of onder de sterrenhemel, daarboven. Zo ga je ook naar het dakterras. Ik heb de vloerverwarming van de badkamer trouwens aan gezet.” Hij klinkt als een butler uit een roman.

“Ik ben hoofd van de butlerservice geweest in The St. Regis in New York. Daar leerde ik anderen wat service is. In hotels en hotelappartementen vind ik het persoonlijk erg vervelend dat als je een scheutje honing in je kopje thee wilt, dat je een hele pot moet kopen. En als je een kaarsje wilt branden, dat je een heel pak kaarsen moet aanschaffen. Toen ik deze appartementen van mijn opa erfde, besloot ik om een soort hotel te beginnen met echte service. Iets wat we in Nederland niet echt kennen. Als mensen hier ’s middags komen, dan bak ik een vers appeltaartje voor ze.”

“Als gasten hier komen, dan hebben ze al een document gekregen met dingen die ze kunnen doen in Amsterdam. En dan ga ik eerst een uur met ze aan tafel zitten om te vertellen waar ze moeten eten, waar dat ene leuke barretje zit, waar ze een kroket kunnen eten. Ik vertel hoe ze de rij voor het Anne Frankhuis kunnen voorkomen en dat ze ook naar het Tassenmuseum kunnen. En dat daar voor de man een erg leuk café is, zodat hij zich niet hoeft te vervelen. Ik hoef jou natuurlijk niet te vertellen waar je heen moet in Amsterdam, maar voor mensen die maar twee dagen in de stad zijn, is het wel erg handig om ze wegwijs te maken in de stad. Sommige Amerikanen die willen meteen de volgende dag naar Brugge. Dan word ik boos. Amsterdam is zo’n geweldige stad. Om Amsterdam echt te leren kennen moet je gewoon een aantal dagen uittrekken. Soms zijn mensen dan eigenwijs en gaan ze toch. Dan komen ze gebroken thuis. Dan wrijf ik het wel even in, hahaha. De volgende keer luisteren ze dan wel naar me. Dan zorg ik dat hiernaast een leuk bootje aanmeert voor een grachtentochtje, en regel ik voor wat hapjes en wijntjes aan boord. Of leg ik uit hoe ze binnen 45 minuten in de Keukenhof zijn.”

“Mensen maken eigenlijk nooit misbruik van mijn gastvrijheid. Er komen hier ook wel van die verwende Amerikaanse jongetjes, die hier het liefste een enorm feest zouden willen geven. Maar als je attent bent voor je gasten en hen veel liefde geeft, dan zijn ze ook lief voor je spullen.”

“Het enige nadeel van Amsterdam is dat er zo weinig service is. Ik durf mijn gasten maar naar een paar restaurants te sturen, waar ik weet dat het eten en ook de service goed is, maar ik waarschuw hen toch altijd van tevoren. Ik denk erover om zelf een restaurant te beginnen. Met simpele goede maaltijden en service. Daar is een enorme behoefte aan. Dan vlieg ik wel mensen in uit het buitenland. Maar eerst iemand vinden die deze hotelappartementen kan runnen, want hier ben ik natuurlijk heel erg druk mee. Ziek? Ik ben nooit ziek want dat kan niet. En als je besluit om nooit ziek te zijn en je richt je je leven anders in. Ik moet nu naar mijn meditatieklasje. Daar vind ik mijn rust. Hoe laat wil je morgen ontbijten? Er staat een worteltaartje voor je in de keuken.”

Het is verleidelijk om vrienden uit te nodigen, maar ik besluit in mijn eentje te genieten van alle luxe. Als beloning voor alle zware hotelnachten. Een fles wijn, stokbrood uit de oven, kaas, rivierkreeftjes. Liggend voor het haardvuur. Ik staar naar de gekromde witte balken aan het plafond en het flakkeren van de kaarsen. Van de bijzondere details. Alles is perfect. Over elk onderdeel is nagedacht.

Er is een ansichtkaart met een Griekse god onder de deur geschoven. De schoonmaakster komt morgen wat later, zodat je nog wat langer kunt blijven. Er staan broodjes in de hal. Op het plankje met schone sloffen staat een mandje versgebakken broodjes. In de koelkast staan potten jam, boter, en andere ingrediënten. Op bed geniet ik van het alleen zijn.

Overal door het appartement liggen mijn spullen. Met moeite pak ik mijn koffer in. Ik wil niet weg. Dan ontdek ik een nieuw kaartje op de deurmat. Heb een quiche voor je gebakken. Leuk dat je er was.

De butler pakt mijn jas van de kapstok en houdt hem voor. “Kom, laat mij je spullen even naar beneden dragen. Wil je een doggybag voor de rest van het worteltaartje? Heel erg leuk dat je er was. Oh, en ga binnenkort eens naar die Chinees op de Leidsekruisstraat. De lekkerste Pekingeend en gestoomde oesters van Amsterdam. En na dit jaar moet je maar in een van mijn andere appartementen komen wonen. De luxe van een appartement, maar dan met service. Dat is net wat voor jou. Dan zorg ik elke dag voor een volle koelkast en verse bloemen.”

Penthouse is een appartement in Park Mansion, een in een ruim aan het Vondelpark gelegen herenhuis met een aantal luxe en smaakvol ingerichte appartementen. Charles, de eigenaar, treedt op als over-attente gastheer, die geruisloos, zonder dat hij over de vloer komt, zorgt dat het je aan niets ontbreekt. Van verse bloemen, tot dranken, van eten tot een lade vol thee en een kast voor snacks. Het strak ingerichte, maar warme appartement is geschikt voor maximaal 6 personen. Internationale telefoongesprekken, WIFI, hapjes, drankjes en vers brood op de eerste dag zijn inbegrepen.

Park Mansion, Vossiusstraat 15
Vanaf 275 euro

In een huis

King’s Villa Hotel

Onrustig loop ik over het Damrak, op zoek naar een hotel. Het is koud en nat. Op vrijdagavonden zijn vrije hotelkamers schaars.
Een vriend belt om wat te drinken, maar ik heb nog geen onderdak. Een dier dat zijn instinct volgt. Eerst een nestje bouwen, voordat de paringsdans kan beginnen.

Er wordt op een raam geklopt. De general manager van Hotel Amsterdam komt naar buiten. “Alles goed met je? Wil je een glaasje wijn? Als je vanavond geen kamer kunt vinden, dan hebben wij nog wel een bed voor je.” Verleidelijk, maar ik zoek een nieuw hotel en wil weg uit het drukke centrum. Uit het geschreeuw en de groepen.

Op internet staat een hotel waar ik nog niet eerder van had gehoord. Hoe kan dat?
“Ja, we hebben nog twee kamers. Ik houd er eentje voor je vrij,” klinkt het hartelijk. Dit moet een fijn hotel zijn.

In een volle tram naar Oud-Zuid. “Kunt u die koffer niet op schoot zetten?” zegt een zure man. Hij drukt zijn oude achterwerk tegen me aan om te laten voelen dat hij zijn benen niet goed kwijt kan. Ik glimlach vriendelijk terug. Ik heb een hotel voor vanavond, dus waarom zou ik boos worden?

In de donkere straat langs het Vondelpark staat een bord HOTEL in de tuin. Een enorme villa. Vier sterren. Hoe kan het dat ik dit niet ken? De receptie ziet er sfeervol uit. Donkere deuren, een behang met zwart-wit afbeeldingen, een kroonluchter, een antieke kast. De hond voor de receptie is blij om me te zien. Dit hotel voelt als een huis.

“Wat heerlijk, elke dag in hotels slapen,” zegt de vrouw achter de receptie. “Hotels zijn fantastisch. Mijn broer en ik zijn opgegroeid in een hotel. Een hotel is mijn huis. Ik maak lange dagen, maar zie het niet als werk. Dit is mijn huis en alle gasten zijn huisgenoten. Hier komen gelukkig ook leuke gasten.” Ze lacht ontspannen. Opeens kijkt ze bedenkelijk.
“Je had toch niet geboekt via Hotel Toro? Dat is anderhalve maand geleden failliet gegaan, maar er komen nog steeds gasten binnen waarvan we nooit een boekingsformulier hebben gekregen. Soms hebben we dan geen kamers meer. Natuurlijk proberen we die gasten allemaal onder te brengen in andere hotels, al is dat soms lastig. Laatst heb ik zelfs gasten meegenomen naar mijn eigen huis. Ze hoefden niet te betalen, hoor en ze vonden het geweldig. In de loop der jaren heb ik bijzondere vriendschappen opgebouwd met gasten die hier vaak terugkomen. Ik krijg uitnodigingen vanuit de hele wereld om langs te komen. Heb een aantal jaar iets anders gedaan, maar ik ben toch teruggegaan naar de hotelwereld. Ik heb me erbij neergelegd dat dit is wat ik ben.”

“Ooit was dit ons hotel. Toen we het dit jaar terugkochten was het totaal uitgewoond. Hij had alles eruit getrokken. Televisies, computers, alles. Ik heb alles opnieuw moeten kopen. Tafellakens, beddengoed, een telefooncentrale. In de kroonluchter deed slechts één lampje het. Zelfs de koffiemachine was ontploft. Een hotel heeft liefde nodig om te kunnen bestaan. Hoe kan iemand een hotel nou zo verwaarlozen? In zo’n korte tijd. Toen ik hoorde dat er maar één kamermeisje was, begreep ik waarom het hier zo vies was. Bij ons werken er drie.”

“Je bent vanavond welkom, maar we hebben alleen een kleine kamer voor je. Heel anders dan in ons andere hotel The Toren.”
“Het gaat niet om de maat van de kamer,” antwoord ik. De gastvrijheid en de bevlogenheid van de vrouw achter de receptie ontroeren me.
“Morgen kun je tot 11 uur ontbijten. Als je geluk hebt, is het morgen mooi weer en kun je op ons terras zitten met uitzicht op het Vondelpark.”

De kamer is helemaal niet zo klein. Onder het schuine balkendak staat een twijfelaar. Er staan een minibar en een bureau met een koffiemachine. In het ruime bed geniet ik van de regen op het dak en een glas wijn. Ik kijk televisie en het voelt alsof ik hier woon.

Het groene park buiten druipt van de regen. Binnen in de koninklijk gedecoreerde ontbijtzaal zitten verschillende nationaliteiten. Iedereen praat op fluistertoon, om anderen niet te storen. Is het de ruimte die deze beleefdheid afdwingt?

“Sorry, dat we alleen een kleine kamer voor je hadden,” zegt een vrouw de volgende dag. En de kamer was ook nog niet helemaal af. De benedenverdieping is al helemaal in de sfeer zoals we het willen hebben, maar de kamers worden meer zoals in ons andere hotel.”

In de warme huiskamer drinken gasten koffie tot ze worden opgehaald omdat hun kamer klaar is. Een decor van behang en gordijnen met verschillende motieven. Comfortabele stoeltjes met zachte kussens. Cappuccino. Het is donker en de regen slaat tegen de ramen. Ik wil ook opgehaald worden en opnieuw naar mijn kamer gebracht worden. Nog een nacht tussen zachte lakens en wakker worden tijdens een fluisterontbijt.
“Ik kan het je niet aanraden om naar buiten te gaan,” zegt de jongen achter de receptie. Maar ik moet door, door naar het volgende hotel. Door de regen ziet niemand mijn tranen.

Hotel King’s Villa is een tot hotel omgebouwde stadsvilla in Art Nouveau-stijl aan de rand van het Vondelpark. Het is een viersterrenhotel dat sfeervol is ingericht, met 22 kamers in verschillende klassen, allemaal voorzien van minibar, koffiemachine en eigen badkamer. Het hotel is van dezelfde eigenaar als boutiquehotel The Toren en is aangesloten bij Hampshire Hotels.

King’s Villa Hotel, Koningslaan 64
Vanaf 80 euro

Achter een façade

Hotel Blyss

Aan de gevel hangt een stijlvol zwart markies met het logo van het hotel. Er wordt niet open gedaan. Pas als een Russisch echtpaar naar buiten komt, kan ik naar binnen glippen. Er zit niemand achter de receptie, dus ik leid mezelf rond.

De lobby ziet er stijlvol uit; dit is duidelijk een boutiquehotel. Een behangmotief, de zwarte receptie op een lichte houten vloer, fauteuils bij de open haard, een bar met een modern koffieautomaat. Eindelijk weer luxe en comfort. Dan komt een meisje van achter aangelopen.

“Oh, u slaapt elke nacht in een ander hotel.” Ze lacht charmant. “Dit is mijn laatste avond hier, ik ga nu naar een ander hotel dat me een beter aanbod heeft gedaan. Ik heb hier veel geleerd dat ik hen kan geven. Maar leuk dat ik u vandaag nog hier mag ontvangen. U slaapt in kamer 302. Met de lift naar de tweede en dan twee trappen op naar uw kamer. Would you like to use the internet? Hier is een gratis code.” Ze geeft een minuscuul briefje.

Lampjes verlichten de treden van de donker gestoffeerde trap. Dit is een bijzonder hotel.

De deur naar de kamer is niet afgesloten. De zolderkamer heeft een klein raam met uitzicht op een betonmuur die een halve meter van het raam verwijderd is. Snel het gordijn dicht, dan lijkt het minder benauwend. Alleen het behang op de muur achter het bed en de zilveren lamp doen herinneren aan het stijlvolle interieur beneden, de rest van het interieur is ouderwets. De zijkant van het bed is weg gevreten. Aan de muur hangt een bordje met de veiligheidsvoorschriften met Welcome to Hotel Groenhof erboven. De deur van de kamer valt niet in het slot, dus ik neem voor de zekerheid mijn spullen mee naar buiten als ik ga eten.

Muggen zingen rond mijn hoofd en steken me op verrassende plekken. Veel nachtrust krijg ik niet. Als ik onder de douche sta, blijkt er geen shampoo uit de dispenser te komen. Na alle basic-hotels en lekkages in mijn toilettas heb ik geen zeep meer bij me. De douche is soms heet en soms koud. Een goed begin van de dag.

Snel naar beneden, want het ontbijt is maar tot half tien. De ontbijtzaal ziet er modern uit. Een boterham met kaas. Ook het brood is oud. “Can I have your room number?” vraagt een Aziatische jongen voorzichtig. Russische vrouwen met doorrookte stemmen voeren diepgaande gesprekken.

Op bed ga ik liggen mailen. De deur zwaait open. Twee mannen kijken de kamer in. “Sorry.” De deur gaat weer dicht.

De receptionist neemt de sleutelkaart in ontvangst. “Er staat nog een tientje open van het ontbijt dat je hebt gebruikt. Dat was niet inbegrepen. Klopt het dat je hier in totaal vier keer hebt ontbeten? U bent toch Vincent van Dijk, kamer 302?” Ik antwoord lachend dat ik overal maar een nacht slaap en normaal maar een keer per dag ontbijt.

“Why are you checking out? You don’t like Amsterdam?” vraagt de receptionist aan een Spaanse familie. Hij lacht geacteerd. Dan draait hij zich om naar mij: “We like a personal touch.”

“Sinds twee jaar heet het Blyss, daarvoor was het Hotel Groenhof. De eigenaar heeft het nu zeven jaar, maar het hotel bestaat al sinds de oorlog. Sommige kamers zijn niet verbouwd en er hangen door het hele hotel nog herinneringen aan vroeger, zoals een bordje NO DRUGS van 20 jaar geleden en de bordjes met Hotel Groenhof erop. Voor als de oude eigenaars terugkomen. Dan herkennen ze iets van het oude hotel.”

“Het is moeilijk om geld te verdienen met een boutiquehotel als je niet ook een aantal goedkopere kamers hebt. Voor studenten of mensen die weinig geld hebben, want mensen willen niet teveel geld uitgeven en het hotel moet toch gevuld worden. Sommige kamers zijn wel een beetje opgeknapt en we hebben een suite die helemaal is gerenoveerd. Next time you have to ask for a deluxe room.” Hij wenkt dat ik mee moet komen naar de hal. “Er zijn ook veel kamers die nog oud zijn, like yours.” Hij wacht even.

Opeens kijkt hij me diep aan. “Sorry, our manager doesn’t like travel journalists. Hij vindt dat die niet anders behandeld moeten worden dan andere gasten.” Hij laat me twee andere kamers zien die wel uitzicht hebben.

Ik vertel dat er twee mannen de kamer binnen kwamen zonder te kloppen. “Oh, dat is de big boss met de technische man. Kwamen die echt binnen zonder te kloppen? Daar zal ik hem op aanspreken, want dat kan niet. Veel succes in je volgende hotel.”

Hotel Blyss omschrijft zichzelf als een boutiquehotel, waarbij met name de buitenkant en de entree zeer stijlvol zijn gedecoreerd. Dit blijkt een façade. Slechts een enkele kamer is ingericht in dezelfde stijl, de meeste kamers zijn ouderwets en niet allemaal even goed onderhouden. Het ontbijt is basic. Het hotel heeft een tuin, een sfeervolle lobby en gratis internet.

Hotel Blyss, Vondelstraat 74-78
Vanaf 65 euro (ontbijt: 10 euro)

Met haperende sloten

City Garden Hotel

Aan het eind van de P.C. Hooftstraat, vlakbij het Vondelpark wapperen de vlaggen van verschillende landen. Duidelijk een hotel met internationale allure.

“You are faster than the fax,” lacht de receptionist, terwijl hij in een stapel prints graait. Hij kan de reservering niet vinden. Als hij hem eindelijk heeft, kijkt hij zorgelijk. “Oh, I only have a double room in the basement.” Hij wacht mijn reactie af. “But there’s AC,” zegt hij troostend, terwijl hij gebaart naar het plafond.

De trap af. Op de rode vloerbedekking liggen houtschilvers en een lange grijze doek. Het ziet eruit alsof hier jaren niemand is geweest. De deur van de kamer gaat niet open. Het lichtje blijft rood. Terug naar boven. “Sorry, soms doen de sloten het niet. Vandaag heeft iedereen er last van. Je bent de zoveelste. Soms doen ze het de ene keer wel de andere niet, de ene dag wel, de andere niet.”
“My key doesn’t work.” Een andere gast heeft hetzelfde probleem. De receptionist geeft hem een stalen sleutel.

Nogmaals naar beneden. Dit keer gaat de deur wel open. De kamer is donker en triest. Tegen het plafond zitten twee smalle ramen en een airconditoningapparaat. Van de plafondlamp komt koud wit licht. Het kapje is van het bedlampje; uit het stompje steken twee losse draadjes. Het bed lijkt al beslapen. Ook de handdoek in de badkamer lijkt gebruikt.

Vaker heb ik in dit soort kelderkamers geslapen, maar deze kamer voelt niet goed. Hoe komt dat? De twee minuten dat ik binnen ben, merk ik dat de zuurstof uit mijn lichaam vloeit. Het lijkt of ik de druk van het hele gebouw op mijn hoofd voel. Wat is er in deze kamer gebeurd dat hier zo’n negatieve energie hangt? Zelfs de telefoon heeft geen ontvangst. Snel, weg, naar boven. Met mijn tas vlucht ik naar de receptie om daar te gaan werken.

“The key doesn’t work?” vraagt de receptionist. Ik antwoord dat de sleutel niet het probleem is. “Is it, because it’s the basement?” Hij fronst.
“Nee,” stamel ik. “The room doesn’t feel good.” Is dat een legitieme reden om een kamer af te keuren? Door mijn hoofd flitsen alle vreselijke gasten die aan de receptie hebben gestaan omdat de kamer aan de verkeerde kant van het hotel zat, te klein was, te ver weg verwijderd was van de andere kamer.
“Is it really the last room you have?” vraag ik. Hij bevestigt dat het de allerlaatste kamer is. Betekent dit dat ik straks terug moet naar de kelder? Ik kan ook het hotel ontvluchten. Het Vondelpark inlopen. Frisse lucht. Of naar een ander hotel.

Hij vraagt of ik het een probleem vindt om op een vierpersoonskamer te liggen. Er is hoop. Misschien hoef ik niet terug naar de bedompte kelder. Ik knik gretig ja en vertel dat ik een boek over hotels schrijf.
“In that case, I give you a room on the top floor. With park view. It’s one of the best rooms we have.” Waar haalt hij plotseling een kamer vandaan? Was deze eigenlijk bedoeld voor iemand anders of stond deze nog wel leeg?

Naar de vierde verdieping. Opnieuw doet de sleutelkaart het niet. Terug. “Sorry,” zegt de receptionist lachend en hij steekt hem opnieuw in het apparaat dat de kaart activeert.
De nieuwe kamer is een stuk groter. Licht stroomt uit het kleine zolderraam en hult de kamer in een zonnige waas. Er staan twee fauteuils.  Het lijkt of er twee flatscreens hangen, maar eentje blijkt een spiegel. Ik ga op het bed zitten. Het matras is dun. Een pijnscheut door mijn rug.

Op bed ga ik liggen schrijven. Nooit eerder was het zo prettig om een ruime kamer te hebben. Steeds kijk ik om me heen om te genieten van de ruimte. ’s Avonds laat verlaat ik het hotel om iets te eten. Als ik terugkom werkt de sleutel niet. De receptionist laat me binnen. Hij zit aan de telefoon. “It’s not included. Shall I offer him breakfast?” Heeft hij het over mij? Hij schudt lachend zijn hoofd. “Use this one.” Hij geeft me een ouderwetse metalen sleutel. “This always works.”

Een lange nacht. Uitgerust neem ik een douche. Als ik uit het raampje kijk, zie ik een busje van de slotenmaker staan. Het probleem wordt opgelost. Een hotel met daadkracht.

“Can I have your room number?” Het tweede kamernummer weet ik niet meer, dus ik pak het kaartje erbij. Er is aangekruist: Breakfast included.

Het meisje schudt haar hoofd ferm. “Sorry, breakfast is nog included. You are not on my list.”
Ik moet denken aan de woorden van een vriend die vaak in hotels slaapt. “Er zijn twee hotels: hotels waar je je welkom voelt en hotels waar je je niet welkom voelt.”

Weer wil ik niets liever dan het hotel ontvluchten. Verbaasd wijs ik op de kaart. Dan loopt ze met mijn kaart naar de receptie. “Wait.” Met mijn cappuccino in de hand sta ik te wachten. Ongemakkelijk. Als de koffie op is, komt ze terug. “Yes, you can have breakfast.”

Hotel City Garden is een ouderwets hotel dat al jarenlang niet grondig is gerenoveerd. Het ligt aan het begin van de P.C. Hoofstraat, aan de zijde van het Vondelpark. City Garden is onderdeel van de groep WIN Hotels.

Hotel City Garden, P.C. Hooftstraat 162
Vanaf 65 euro

Als een toerist

Hotel Apple Inn

In de tram roept een verveelde tramchauffeur in zacht Amsterdams de attracties om. De hele tram zit vol met toeristen. Niemand kan haar verstaan. De kaartverkoopster scheldt tegen een toerist omdat hij het chipsysteem niet begrijpt. Moet ik mijn verontschuldigingen aanbieden? Even voel ik schaamte voor mijn eigen land.

Het laatste stuk loop ik langs het Vondelpark. Op het uithangbord staan getekende appels in blauw en groen. In de raamkozijnen staan vazen met gestapelde appels. Het thema is vandaag appel.

“Sorry, I don’t speak Dutch. I need to learn your language, but I don’t have time,” zegt het Italiaanse meisje achter de receptie. Hier zijn de rollen omgedraaid. “We never have Dutch guests, so I can’t practice. Where are you from? Amsterdam, really? Thank God, finally somebody who is not asking where the nearest coffeeshop is.” Ze lacht en geeft me de sleutel. Boven de receptie hangen drie klokken. Amsterdam, New York en Hongkong. “Nee, de eigenaar is niet Chinees, maar Russisch.”

Als ik iets te enthousiast de hoek omloop val ik bijna in een trapgat naar de kelder. Ik houd me in evenwicht met de koffer en grijp de muur vast. Bevroren blijf ik staan. Mijn hart klopt.
De trap op. De kamer is klassiek. Ouderwetse vloerbedekking, ouderwetse gordijnen, ouderwets dekbedovertrek. Een de wand hangt een kleine, dikke televisie. Ik open het raam en kijk naar de buren. Een jongen en een meisje vouwen samen de was. Is dat ware liefde: samen de was opvouwen? Minutenlang kijk ik naar deze toneelvoorstelling.

Dan ga ik naar beneden. In het trapgat hangen bordjes: LET OP, LET OP, LET OP. Alleen in het Nederlands wordt gewaarschuwd voor de lage doorgang. Toeristen zijn gelukkig altijd klein.

Met een vriend loop ik naar een restaurant. Per ongeluk bots ik tegen een jongen aan. “Het spijt me. I am sorry,” zeg ik in een adem. De vriend lacht: “Je kunt merken dat je elke dag tussen de toeristen zit. Je klinkt als een tweetalige brochure.”

Het hotel is uitgestorven als ik terugkom. Iedereen is de stad in. Ik bestel een glas wijn in de hotelbar aan de overkant. “You must be British,” zegt een Engelse vrouw. Ze kijkt teleurgesteld als ik zeg dat ik uit Amsterdam kom.

“Goedemorgen,” zeg ik. De ontbijtzaal is leeg. De vrouw kijkt me vreemd aan. “Do you want to have breakfast or you just want to look?” “Eh, I just want to look,” schutter ik, verbaasd door de vraag. Alsof het een winkel is. “Breakfast time is over.” Ze wijst naar de klok. Het is tien uur. Bij de receptie haal ik een kop koffie.

De eigenaar zit achter de receptie en dicteert de kamerprijzen aan het Italiaanse meisje. Ze voert ze in in de computer. Ze merken nauwelijks op dat ik de sleutel op de receptie leg. Als ik hen bedank voor de gastvrijheid kijkt de eigenaar even op en knikt.

In de tram komt een vrouw naar me toe met op haar hoofd een knoopwerk van verschillende pruiken. Ze komt naar me toe. “Ik ben dakloos,” zegt ze. “Ik ook,” zeg ik lachend. “Ik woon in hotels.”
“Wat erg,” zegt ze. Haar olijke gezicht vertrekt. “Hier is een daklozenkrant. Dan heb je iets om te lezen. Ze knikt en loopt weg. “Sterkte,” roept ze naar me en stapt uit. De mensen in de tram kijken vreemd naar dit theater. Ik moet denken aan de zwerver die mij een gulden gaf, toen ik hem vertelde dat ik een arme student was. Jaren geleden. Armoede maakt mensen vriendelijker. Opeens is het duidelijk. Ik voel me geen echt Amsterdammer, ik voel me geen echte toerist. Er is maar een groep waar ik thuishoor. De daklozen.

Hotel Apple Inn is een eenvoudig toeristenhotel met ouderwetse, maar schone kamers. Het ligt heeft twee sterren en lig vlakbij het Vondelpark. Er stop een tram voor de deur.

Hotel Apple Inn, Koninginneweg 93
Vanaf 65 euro

In de regen

“Heb je nog een stukje stoomwerk?” vraagt de jongen van de stomerij. “Kom je net terug van vakantie?” Hij wijst naar mijn bagage. Ik antwoord dat ik nog altijd in hotels slaap. “Ohja, stom.” Met een lege koffer vertrek ik van de luchthaven naar de Vondelstraat. Het regent.

“Goedenavond. U moet meneer Van Dijk zijn.” Donkere ogen kijken me diep aan.  “U heeft een mooie kamer in de kelder. U kijkt uit op de tuin. Helaas is het weer niet zo mooi.” Hij heeft een grappig Amsterdams accent.
“Heeft u net gestemd?” Ik vertel dat ik net in Den Haag ben geweest om te stemmen.
“Helaas mag ik niet stemmen. Ik woon mijn leven al in Nederland, maar ik heb een Portugees paspoort. Heel veel gedoe. Ik moet misschien toch maar eens een Nederlands paspoort. Een integratiecursus heb ik niet nodig. Kom maar op met die test. Ik ken alle nummers van André Hazes.”

Met de lift naar de kelder. Aan het eind van de gang is kamer 30. Openslaande deuren naar de tuin. De kamer is ouderwets, maar de rieten stoelen, het uitzicht op de groene planten, de warme vochtige lucht en het geluid van druppels op de bladen brengen me in een vakantiestemming. Door de glasblokken in de ruime douche komt daglicht binnen. Er is geen bureau, dus ik neem mijn laptop mee naar boven.

De ontbijtzaal is een skybox boven de groene tuin. Door de open ramen klinken regengeluiden. Hier klap ik mijn laptop uit. “Het lijkt wel of we in de tropen zitten, hè? Mag ik u een drankje van het huis aanbieden?” De receptionist zingt alle nummers van de radiozender mee. “U heeft natuurlijk geen bureau op de kamer. Sorry, daar hadden we aan moeten denken.”

“Met 45 kamers is dit best een groot hotel. Soms heb je wel 30 check-ins en dan is het even hard werken. Net was het bijvoorbeeld heel erg druk. Een man kwam binnen en voordat hij de kamer had gezien, eiste hij een andere kamer. Op de eerste verdieping. Gelukkig had ik net gisteren een cursus gekregen hoe je met agressie om moet gaan, haha. Dan leer je echt om je eigen emoties uit te schakelen, rustig te blijven. En heel duidelijk te zijn naar de gast. Tot hier en niet verder. Hij heeft de kamer gewoon genomen. Soms stellen mensen veel eisen. Ze vergeten dan dat we een driesterrenhotel zijn. Wel met vijfsterrenservice, hoor,” glimlacht hij. “Ik moet tot middernacht werken, daarna ga ik lekker de kroeg in.”

Na het eten breng ik een bakje Tabouleh bij een net geopereerde vriendin. We kijken naar de verkiezingsuitslagen op televisie. “Zoveel stemmen op een racist. Dit kan toch niet! Ik ga me actiever met politiek bezighouden. Ik ben net lid geworden van jouw partij. En vanaf nu gaan we alleen nog maar uit eten in Libanese en Turkse restaurants. Nooit meer stamppot.”

Terug in het hotel kijk ik televisie. Lachende winnaars, bedrukt kijkende verliezers. Ik slaap in de regen. De volgende ochtend zit er een andere receptionist. “Ja, het is even erg druk. Ik moet even een gast helpen met een huurfiets. Hij krijgt zijn slot niet open.”

Een Britse vrouw vraagt: “Will it be raining all day? “It’s a sad day,” antwoord ik. “A sad day.”

Prinsen Hotel is een zeer centraal gelegen driesterrenhotel met 45 kamers. Het ligt vlakbij het Vondelpark, maar heeft ook een eigen tuin met een terras, een ontbijtrestaurant met uitzicht op de tuin. Het vriendelijke hotel is gevestigd in twee panden uit de 19e eeuw van de architect Cuypers, die daar ook zelf heeft gewoond. In het hotel is een bar aanwezig.

Prinsen Hotel, Vondelstraat 36-38

Met een actrice

Dag 122. Hotel Hestia

“Je bent van harte welkom in ons hotel.” De man klinkt enthousiast door de telefoon. “Dank je, maar volgens mij heb ik al bij jullie geslapen.” “Zeker niet,  je bent echt van harte welkom.”
“Jamaar, volgens mij heb ik echt al bij jullie geslapen. De naam komt me zo bekend voor. Of was dat misschien Hotel Hegra.”
“Of misschien Estheréa, wij worden ook soms door elkaar gehaald. Nee, je bent hier nog niet geweest,” zegt hij lachend. “Ik heb een kleine tweepersoonskamer voor je.

Een paar dagen later loop ik vanaf het Leidseplein naar het hotel. “Hallo,” klinkt van achter. De receptie is leeg. Uit de keuken komt een pastageur. “Welkom bij Hotel Hestia. Leuk dat je er bent. Heb je ook al aan de overkant geslapen, bij Roemer? En verderop bij Sipermann?” Ik vertel dat ik bijna de hele straat heb afgewerkt, behalve het Owl Hotel.

“Dit is niet mijn hotel, hoor. Ik ben alleen de manager. Kom even hier staan, ben ondertussen mijn eten aan het koken.” We gaan richting de keuken. “Dit hotel is van een familie. Meneer Bruijnse is ooit als loodgieter begonnen en verdiende zoveel dat hij een hotel kon kopen. De leidingen zijn goed op orde hier. Als er iets mis is, wordt het à la minute gerepareerd. Hij is nu 74 en komt nog elke ochtend de koffie doen, hier. Alleen morgen niet, want hij is net geopereerd aan zijn heup. Zijn zoon doet het andere hotel.”

“Ik heb elf jaar bij de Bulldog gewerkt. Dit is mijn eerste hotel en dat is toch anders. Daar gebeurde meer. Daar werd ik gekust door Mariah Carey en er kwamen allemaal bekende bands over de vloer. Hier is het heel anders. Rustiger. Hier kan ik oud worden, haha. Nouja, soms zijn er van die dagen. Er checkte bijvoorbeeld net voor jou een actrice in. En jij bent er vandaag. Ik heb toch een grote kamer voor je, de andere heb ik verhuurd. Kun je lekker breeduit liggen.”

“Rook je? Dat mag hier ook niet. Niet uit het raam, niet in de badkamer.” Hij gebaart alsof hij de safety-procedures in een vliegtuig uitlegt. “Je mag hier alles gebruiken wat je wilt, als je het maar in de tuin doet. Ik ben heel streng. Dat word je wel na tien jaar Bulldog. Als ik mensen betrap, betalen ze 20 euro. Niet veel, het moet wel leuk blijven. Wat moet ik vertellen over het hotel.” Ik wijs naar het tuinhuisje. “Nee, dat is geen kamer. Dat gebruiken we voor opslag. Ik wil daar ooit een sauna van maken. ‘Hotel met wellness-center, gelegen aan de rand van het Vondelpark’,” draagt hij voor op een brochure-toon.

De kamer is groot met een balkon, een rieten zitje en een badkamer met ligbad. De kamer kijkt uit over het Vondelpark. Een tweepersoonsbed en een eenpersoonsbed. Een minibar.

Een vriend komt langs. We drinken buiten een witte en rode wijn. Nadat hij weg is, ga ik in bad en val daarna in slaap.

Ontbijten. “Wat een rust, het lijkt wel een kerk,” zeg ik tegen de vriendelijk lachende vrouw achter de receptie. “Dan zet ik snel een muziekje op. Een kerksfeer, dat is niet de bedoeling. Koffie?” Jazz. De rust is over. Een poes schreeuwt door de ruimte. Op het tuinhuisje vechten twee vogels. “Dat zijn langstaarthalsbandparkieten.” De receptioniste legt aan haar collega uit hoe je een tosti voorziet van een goudgeel korstje. Boter aan de buitenkant is het geheim.

Ik biecht op dat ik wijn uit de minibar heb gehaald. Een witte en een rode. “Heb je lekker rosé gemaakt?” zegt een oudere man die niet van de zijde van de receptioniste wijkt.  Het is Major Gowen uit Fawlty Towers. “Moet echt even wat werk afmaken,” zegt ze geïrriteerd, maar hij loopt mee de keuken in.

Een vrouw komt de receptie binnen en neemt een dramatische pose aan. “I totally overslept.” Ze wacht even op de reactie van het afwezige publiek. “I missed breakfast. Oh my god. Some coffee would nice.” Een andere pose. “Hi kitty cat, you-are-so-sweet!” De receptievrouw gebaart: “Please come to the kitchen, I need to finish some work.” De vrouw volgt haar. Nasaal: “That was the best coffee everrrrr. Darling.”

“Weet u zeker dat u een flesje wit en een flesje rood uit de minibar heeft gehaald? Er ontbreekt nog een witte.” De receptioniste kijkt streng. Ik antwoord dat ik wel alcoholist ben, maar dat ik echt niet meer heb gehad. “Tel de flesjes in de prullenbak maar.”
“Nee, ik geloof je wel, maar het gaat om het bijvullen van de minibar.

Buiten staat de Amerikaanse vrouw te bellen. Overdreven lachend. “No,darling, I’m in Amsterdam.” Ze zwaait met haar arm in de lucht. “Well, I don’t know. Hesitate Hotel or so. Anyway.”

Hotel Hestia is een vriendelijk driesterrenhotel naast het Vondelpark. Er is een ontbijtzaal en een tuintje dat grenst aan het park. De inrichting van het hotel is ouderwets maar stijlvol. Er zijn diverse soorten kamers. Van eenpersoons tot vijfpersoons. Er hangt een huiselijke sfeer in het hotel.

Hotel Hestia, Roemer Visscherstraat 7
Vanaf 93 euro (single), 107 euro, 176 euro (3-persoons)