Met lichte rookschade

Hotel Prinsenhof

Krulletters op de gevel van het statige grachtenpand. De bovenkant van de voordeur gaat open.
“Vincent van Dijk? Kom binnen. Ja, het is nog vroeg, maar je kamer is al gereed, hoor. Hij is niet gebruikt, vannacht.”
Ook de onderkant gaat open. Bovenaan de trap staat een lachende vrouw. De hal ruikt naar sigarettenrook. Op het bureau in de receptie staat een volle asbak.

Ik vraag verbaasd of het bord op de gevel klopt en het hotel maar 1 ster heeft.
“Ja, we hebben maar 1 ster. Er is geen lift in dit oude pand en de kamers zijn vrij klein. Maar jij hebt geluk. We hebben veel annuleringen door het barre winterweer, dus je krijgt de mooiste kamer. Eentje met douche en toilet in de kamer! Hij is helemaal boven in het hotel, maar ik kan je bagage even naar boven takelen met de haak. Dat is echt een fenomeen. Heel veel gasten maken er een foto van. The Hook.”

Ze drukt op een knop aan de muur met de tekst This is not a doorbell eronder en vanaf het plafond daalt een haak neer. Ze hangt de koffer eraan en hijst hem door het trapgat naar de bovenste verdieping. Suïcidaal bungelt mijn hele bezit aan de haak. “Nee, The Hook is niet voor mensen, jij zult toch moeten lopen,” lacht ze.

De kamer is inderdaad groot en gezellig ingericht. Repeterende balken tegen het witte zolderdak. Ondanks de hoogte is het behaaglijk warm. Heeft dit hotel echt maar 1 ster? Een trapje leidt naar het hooggelegen raam met uitzicht op de hijsbalk van het pand wat ooit een pakhuis was. Ook de kamer ruikt naar sigarettenrook, maar het is buiten te koud om het raam ver te openen. Op de tafel staat een asbak. De lucht laat me niesen, maar gelukkig staat er een doos met tissues naast de asbak. Alsof het hotel wist dat ik allergisch ben voor sigaretten.

Midden in de kamer blijf ik staan. Er ontbreekt iets in de kamer, maar ik zie niet direct wat. Er is geen TV. En dat terwijl ik net zin had om lekker uit te rusten voor de televisie, dus ik verlaat het hotel om naar een bioscoop te gaan. In de hal kom ik de overbuurman tegen die me paniekerig aanklampt.
“Where’s the toilet?” vraagt hij, alsof het bijna te laat is.
“Downstairs?”gok ik. Of moet ik hem aanbieden om mijn toilet te gebruiken?

Door een sterke hoestbui word ik wakker, spring meteen onder de douche en neem de trappen naar beneden. Aan de wand van de ontbijtzaal hangt een grote replica van Rembrandts Nachtwacht. Het goud kleurt mooi bij de gele papierplacements op de gedekte tafels.
“Vincent van Dijk? Aangenaam. Leuk dat je hier bent. Wil je koffie?” De hotelmanager geeft me een hand. Hij draagt een comfortabele pullover. Een dikke kat met een halve staart schrijdt de ruimte binnen en schurkt spinnend tegen mijn been. Alsof hij aanvoelt wat ik mis.
Please Note: Feeding the cat will result in doubling your bill. waarschuwt het bordje boven het buffet.

“Toen ik je laatst belde, stond je te kijken bij die brand achter Hotel 717. Dat was best heftig, hè?” Hij zet een kannetje koffie op tafel.
“Ik doe dit alweer 15 jaar. De eerste 5 jaar woonde ik in het hotel maar nu gelukkig niet meer. Dan ben je altijd aan het werk. Dat is zo fijn van zo’n klein hotel. Hier kan ik gewoon rondlopen in mijn trui en heb ik de tijd om leuk praatje met de gasten te maken. Dat bepaalt de sfeer hier.”

“We hebben bewust maar 1 ster. Dan hebben mensen helemaal geen verwachtingen als ze hier komen. Kan het alleen maar meevallen. En als mensen dan klachten hebben over iets, dan kunnen we altijd zeggen: we hebben ook maar 1 ster. Maar onze kamers zijn ook te klein voor meer sterren. En we hebben bijvoorbeeld geen nachtwacht. We hebben wel een brandwacht, iemand die hier de nacht doorbrengt en in actie kan komen als er brand uitbreekt.”

“Was je niet verbaasd dat we geen televisie op de kamers hebben? Volgens mij zijn wij het enige hotel in Amsterdam zonder televisies. Geen TV, dat scheelt echt enorm in de brandveiligheid. Zeker met die oude televisies is er toch wel veel brandgevaar in een hotel.”
“Geen televisie, maar er mag hier wel gerookt worden?” lach ik.
“Ja, daarom hebben we ook asbakken op de kamer. Volgens de wetgeving mag er in hotels gewoon gerookt worden. Een hotelkamer is namelijk privégebied.”

De deur naar de frisse winterlucht klapt in twee delen open.

Hotel Prinsenhof is een gemoedelijk budgethotel op de Prinsengracht ten hoogte van de Utrechtsestraat. Het hotel met slechts 1 ster is rokersvriendelijk, netjes en schoon en wordt gerund door sympathieke mensen. Niet alle tien kamers hebben een toilet en douche op de kamer en er zijn geen televisies, maar het ontbijt is inbegrepen.

Hotel Prinsenhof, Prinsengracht 815
Vanaf 49 euro, vanaf 89 euro met eigen badkamer

Als een echtpaar

Hotel Wiechmann

De Prinsengracht lijkt oneindig door de trage sneeuw. Een slippende auto voor het hotel veroorzaakt  een file. Vooruitgeduwd door 6 mensen. Telkens glijdt hij terug, onder luid gejoel van de omstanders.

De klok in de receptie slaat met een diepe toon. Het geluid resoneert in de gietijzeren steelpannen aan de wand. De muziek van een spannende thriller. Voor de kachel ligt een Duitse herder die aan het sonore klokgeluid gewend is geraakt. De besneeuwde koffer bedruipt zijn snel ademende lijf. Hij rilt. Dit hotel is een allegorie van de huiselijkheid.

“Ja, je was al eerder langsgekomen, maar het was druk in de zomer. We hebben nu de mooiste kamer voor je, met uitzicht over de Prinsengracht,” zegt de receptionist. “We hadden vandaag veel annuleringen omdat er nauwelijks vliegtuigen landen op Schiphol, dus je hebt geluk. Voor ons niet zo’n ramp, hoor. De kamers moeten toch gewoon betaald worden, zonder dat we er werk aan hebben, haha. Hier is de sleutel van je kamer, deze is van de voordeur en deze is van het kluisje op de kamer. Net groot genoeg voor je paspoort en je portemonnee.”

Vanuit de klassieke kamer is het tafereel op de gracht goed te zien. Een nieuwe auto komt in dezelfde slip terecht. Alsof in dit winterlandschap geen auto’s horen. Terug naar de warme van beneden.

“Net na de oorlog is de heer Wiechmann begonnen met dit hotel.” Hij wijst naar de verlichte man op het schilderij boven de gloeiende gaskachel. Naast de receptie staat een ingezakt harnas.
“Op een gegeven moment heeft zijn dochter het overgenomen. Ze begon eerst in het hoekpand, en dat hotel is er later bijgetrokken. Zij heette geen Wiechmann maar een Boddy, de naam van de huidige manager. Maar we hebben zijn naam gehouden. Hij was verwoed verzamelaar. Onder meer van wapens, die je door het hele hotel ziet. In de loop der jaren is er nog zoveel meer verzameld, zoals de theepotten die in de vensterbank staan. Je ziet iedereen er altijd naar kijken, als ze voorbij lopen. Het mooiste van het hotel is de ontbijtzaal. Kom even mee. Zo’n uitzicht op de gracht heb je in geen enkel hotel gezien, dat zul je morgenochtend wel ervaren.”

We lopen door een poortje en staan in een woonkamer. Nee, een aaneenschakeling van verschillende Jordanese woonkamers met Perzen, verschillende kleuren leunstoelen met hoofdlegger, lavendelblauw geverfde balken aan het plafond, antieke kasten, een oliekachel en een ouderwetse lamp. Tegen de muur staat een grote kluis. “Deze stond achter. Met een grote machine is hij verhuisd toen onze fundering vorig jaar werd vernieuwd, maar we konden hem met geen mogelijkheid terugkrijgen. Vandaar dat hij nu zo pontificaal in de ruimte staat.”

Telkens als de klok slaat, schrik ik op. Waar komt de angst vandaan? Een vriend sms’t: Er rijden geen treinen. Waar ben jij? Als vrienden een opvangplaats nodig hebben, denken ze steeds vaker aan mij. Even later belt hij aan bij het hotel.
“Mag ik eerst even mijn telefoon opladen? En heb je droge sokken voor me in je koffer?
“Ook goedemiddag. Kom je ook voor mij of wil je alleen gebruik maken van de faciliteiten?” vraag ik gespeeld venijnig.
“Oh, sorry. Leuk om je te zien.” Hij geeft een snelle kus op mijn wang. “Kan ik misschien blijven slapen? Dit wordt niets, vanavond.” Hij doet zijn doorweekte sokken uit, gaat naast mij op bed liggen, pakt de afstandsbediening en zapt langs de buitenlandse kanalen. De geur van natte schoenen.
“Nou. Zo voelt het dus om getrouwd te zijn.“
Toen ik in een huis woonde kwam hij nooit zomaar langs, maar nu ben ik een hotel. Hij staat op, gaat naar het toilet en klatert luid in de pot. Opeens weet ik zeker dat ik nooit een relatie wil hebben. Mijn leven is niet geschikt om te delen. Is het de koude of deze gedachte die me doet rillen?
“Zullen we even naar de hotelbar gaan? Ik heb wel een biertje verdiend,” zegt hij terwijl hij mijn sokken aantrekt.

“Nou, een echte bar hebben we niet.” De receptionist haalt een leren worst weg voor een klein barmeubel, alsof hij een afdeling van een museum opent. “Maar gewoon een biertje hebben we wel. Ik zal even de glazen spoelen.”
“Staat dit bier hier ook al sinds de oorlog?” vraag ik wantrouwend.
“Nee, hoor. Daar zorgen wij zelf wel voor. Hier gaan heel wat kratjes doorheen,” lacht hij.

Voor het ontbijt word ik wakker, maar het is veel te vroeg om op te staan. Iets over 11 gaat de telefoon. “Mag ik je eraan herinneren dat de uitchecktijd 11 uur is? We zijn niet zo streng, hoor, maar ik zou niet willen dat het kamermeisje een uur op je moet wachten. Doe rustig aan, ik laat eerst de hond wel even uit.”

“Hier zijn je sokken terug,” zegt de vriend. “Dank je voor de overnachting.” De klok slaat voor het laatst en de hond knikt vriendelijk.

Hotel Wiechmann is al 60 jaar een huiselijk familiehotel van dezelfde eigenaars. Het hotel in drie panden in de Jordaan met een zeer ouderwetse lobby en een prachtig gelegen ontbijtzaal met uitzicht op de Prinsengracht. Er hangt een zeer persoonlijke en informele sfeer en de kamers zijn klassiek ingericht, maar schoon.

Hotel Wiechmann, Prinsengracht 328-332
Vanaf 80 euro

Bij een prins

Petit Prince

Het is waterig koud, maar de eigenaar staat buiten in zijn overhemd te wachten. Zijn gelaat is van licht doorschijnend marmer, fijn geciseleerd. “Hier, laat mij je koffers pakken, je slaapt helemaal boven, in de Loft.”

Het haardvuur heeft de zolderruimte behaaglijk warm gestookt. Kaarsen verlichten een ingewikkeld netwerk van glanzend zwarte balken en de grijswitte vlakken. Er klinkt muziek door de ruimte. Er staan boeketten verse bloemen en roze orchideeën. Op de bank liggen plaids van kunstbont.

“Heb lang nagedacht over welk appartement ik je zou geven, maar uiteindelijk heb ik voor dit gekozen. Hier, een saucijzenbroodje uit de oven. Het lekkerste van Amsterdam. Servetje? Wil je een koel glas witte wijn of een goeie rode wijn?”

“Dit noem ik altijd de bachelor pad. Dit is de ideale woonruimte voor een vrijgezel. Op een van de mooiste plekjes op de grachten, midden in het centrum. Een luxe badkamer, een fijne keuken en daarboven, op de tussenverdieping is de slaapkamer. Meer heb je toch niet nodig? Ik weet zeker dat je hier wel zou willen wonen, als je op 1 januari uitgeslapen bent. Als je volgend jaar terugkomt, dan kun je op het terras in de zon zitten.”
“Volgens mij blijf je niet lang vrijgezel, als je hier woont,” antwoord ik.

“Hier, een hartig koekje. Pas op, het bordje is warm. Als je straks zin hebt in wat lekkers: de koelkast ligt vol met hapjes en drankjes. Hier staan de beste loempia’s van Amsterdam, die moet je nog wel even in de oven doen. En hier staat een haring, de lekkerste van de stad. Heb hem even buiten de koelkast gehouden, want zo’n ijskoude kledder is niet zo lekker. Oh, en hier liggen slippers en badjassen en meer handdoeken. Nou, ik laat je met rust, want je hebt nog maar een paar uur hier en die wil ik niet verstoren.”
“Ik ga vanavond niet slapen, dat is zonde van de tijd,” lach ik.
“Oh, hoe laat wil je morgenochtend ontbijten? Ik kom verse broodjes brengen.”

Ben je thuis?” sms’t een vriend.
“Ja, ik ben thuis,” antwoord ik.
Heb jij een huis, dan? vraagt hij.
“Vanavond wel,” schrijf ik.

Even later komt hij langs.

“Mooi, die balken en die openhaard. Strak, maar toch landelijk. Hier wil ik wel wonen. Desnoods met jou. Ga je dit kopen op 1 januari? Voor mij?” Hij loopt naar de keuken en schenkt een glas wijn in. “Oh, wil jij ook een glas?” Hij gaat op het dierenvel voor de openhaard liggen.
“Jij hebt toch een relatie?” vraagt hij onzeker. “En een poes?”
“Nee, ik ben vrijgezel,” antwoord ik. “Niemand kan samenleven met een nomade.”
“Laten we trouwen.”

Het beddengoed ruikt naar lavendel. De geur van aandacht. Diep snuif ik hem op. Aan elk detail is gedacht, in deze Loft. Liefde is opgebouwd uit heel veel kleine gebaren.

Ik droom dat ik van woning naar woning trek. Naar kleine huizen gevuld met familie en vrienden uit het verleden. Telkens gaat mijn poes mee die voortdurend wil ontsnappen. Stevig klem ik haar in mijn armen om haar te beschermen. Ik schrik wakker. Kan ik nog leven in een huis? Voor iemand zorgen? Het toelaten dat iemand voor mij zorgt?

Een sms. “De broodjes staan voor de deur.”
Buiten de deur staat een tasje met een versgebakken croissant, muffins en een mueslibroodje in een witte linnen servet en een handgeschreven kaartje met een marmeren godenlichaam. Misschien ben ik alleen geschikt voor betaalde liefde.

Petit Prince bestaat uit twee luxe en comfortabele appartementen op de Prinsengracht, bij de Negen Straatjes: een Suite en een Loft. Prachtig ingerichte ruimten met een volledig uitgeruste keuken en luxe badkamer, een grote TV met diverse films, en een grote hoeveelheid eten en drinken die inbegrepen zijn. De Loft heeft een beschut balkon. De eigenaar treedt discreet op als geweldige gastheer.

Petit Prince, Prinsengracht 232
Vanaf 270 euro

In een droom

Hotel Orlando

De deur wordt geopend door een forse adellijke man. Een Engels acteur? “Goedenavond,” glimlacht hij oprecht.
“Je bent iets te vroeg gekomen. Over twee weken krijgen we een receptie hier en komt er een nieuwe ontbijtzaal. Je kamer is al wel klaar.”

“We hebben onlangs het achterhuis erbij getrokken. Dat was helemaal niet ons plan, maar we konden het plotseling kopen. De oude man die er woonde lag opeens op straat. We gaan in de huidige ontbijtzaal ook nog een kamer maken. Dan begint het hotel een beetje body te krijgen, met zeven kamers. Want nu hebben we zes kamers, en dat is natuurlijk niet zo groot. We krijgen hier vooral veel groepen.”
“Groepen?” roep ik verbaasd uit.
“Ja, groepen. Orkesten bijvoorbeeld.”
“Orkesten?” roep ik opnieuw verbaasd. “Dan vast alleen de blazerssectie, of zo?”
De eigenaar begint te lachen. “Nou, laatst hadden we hier een blazerssectie, maar die mag niet meer komen. De buren waren niet echt blij met dat getoeter, haha.”

“Kijk, dit is een kamer met uitzicht op de gracht. Veel mensen vragen specifiek om deze kamer, omdat deze in veel magazines heeft gestaan. Een groep Engelsen heeft vandaag afgebeld, omdat ze hier niet kunnen komen vanwege het weer, daarom is deze kamer nu leeg.” Hij gaat me voor de gang in.
“En dit is jouw kamer. Gloednieuw. Dit bed kun je helemaal verstellen, maar ik heb nog niet uitgevogeld hoe het werkt. Veel te technisch, haha. De televisie snap ik ondertussen wel, hier, je moet deze knop ingedrukt houden. Televisies zijn altijd een drama, in hotels. En er is telefoon op de kamer. Als je me nodig hebt, dan moet je gewoon op de 9 drukken. Je mag ook in de kamer aan de gracht slapen, hoor.”

De kamer is ongekend hoog. De gouden handgeweven zijdegordijnen zijn theatraal verlicht. Roederamen geven uitzicht op een besneeuwde stadstuin met geordende buxushagen. De houten deur is vuistdik. Op de houten vloer ligt een Perzisch tapijt en op het glazen bureau staat een vaas met verse rozen naast drie flesjes wijn. Rode Gispen-stoelen. Het patroon van de grote badkamertegels komt geraffineerd terug in het douchegordijn.

“We zijn het hotel langzaam aan het opbouwen. Het duurde even voordat we een vergunning kregen voor de verbouwing. Het is natuurlijk een monument. Boven hebben we ook nog een paar kamers waar we hotelkamers wilden maken, maar die waren nog hoger dan deze: meer dan vijf meter. Volgens de brandweer te hoog voor een hotelkamer.”

“Als je soms verhalen hoort van hoteliers, dat hele hotelkamers worden vernield. Dat gebeurt hier niet. Hier komt toch een speciaal type gast die zichzelf uitselecteert.”
“En ik.”
“En jij,” beaamt hij.

“Ooit was ik advocaat, maar ik wilde wat anders. Dit is eigenlijk altijd een droom geweest. In New York ben ik vroeger wel eens in zo’n kleinschalig charmehotel geweest en toen dacht ik: dat moeten we ook in Amsterdam hebben. Een plek waar ik zelf ook graag zou willen verblijven en waar echt interesse in een gast wordt getoond, als hij daar behoefte aan heeft. Niet zo’n plastic glimlach, zoals je die wel eens ziet in van die ketenhotels.  Mijn partner is architect, dus we vormen een ijzersterk duo. Ja, hotels zijn een fantastische plek om te wonen. Die service, die anonimiteit. Dat heeft me ook altijd getrokken.”

“Goedemorgen, heeft u lekker geslapen? Wilt u een gekookt eitje? Koffie?” Een meisje begeleidt me aan tafel. Het is rustig, maar de groepen slapen waarschijnlijk nog.

De eigenaar komt binnen. Hij past amper onder de balken van de lage ontbijtruimte. “Het was zo moeilijk om een naam te verzinnen. Ik wilde iets met ‘prins’ doen, omdat we op de Prinsengracht zitten en dacht aan het boek Prins Orlando, van Virginia Woolf. Tenminste, ik dacht dat dit de naam was, maar het bleek alleen Orlando te heten, geen Prins, dus is het maar Orlando geworden, haha. Het was heel cultureel bedoeld,” zegt hij wijzend op de affiches van Orlando aan de muur. “Maar er komen hier heel veel Amerikanen die zeggen: ‘Ohhh, Orlaaaaando,”. Hij spreekt het overdreven plat-Amerikaans uit. “En dan heeft het opeens een minder chique associatie. Oh, en mijn neef uit Suriname heet ook Orlando,” lacht hij.

“Vanmorgen zag ik eigenlijk pas wat je project precies inhoudt. Ik dacht dat je schreef vanuit het concept alsof je in hotels woont, als een soort schrijfstijl, maar het is gewoon echt. Je woont écht in hotels.”

Orlando is een klein en met veel aandacht ingericht driesterrenhotel met (binnenkort) 7 verschillende kamers die allemaal anders zijn ingericht in eclectische stijl, een authentieke ontbijtzaal en een prachtige tuin waar in de zomer ontbeten kan worden. De kamers hebben een minibar en luxe details. Er hangt een zeer persoonlijke sfeer en de prijs-kwaliteitverhouding is erg goed.

Hotel Orlando, Prinsengracht 1099
Vanaf 95 euro

Zonder een restaurant

Dikker & Thijs Fenice Hotel Amsterdam

“Zal ik even meelopen?” vraagt de Front Officemanager. “Vroeger zat hier op de eerste verdieping restaurant Dikker & Thijs, vernoemd naar de oprichters. Er hangt nog een schilderij van deze twee bijzondere mannen in de entree. Het was een bekend restaurant in Amsterdam.”
“Bekend? Zeer beroemd, het beste restaurant van heel Nederland. Een fenomeen!” corrigeert de man die ons passeert. Passie brandt in zijn ogen.
“Op de eerste verdieping zitten nu hotelkamers.” De front-officemanager loopt voor me uit, de wenteltrap op. “Je slaapt in het Penthouse. Dit is de mooiste kamer van het hotel. Hij wordt vaak geboekt voor een huwelijksnacht. Vanavond slaap jij hier. De manager vond het jammer dat hij je niet kon verwelkomen, maar heeft een brief neergelegd. Het hotel is een tijd van een keten geweest, maar sinds kort heet het hotel Dikker & Thijs Fenice Hotel. Want de nieuwe eigenaar heeft ook nog een hotel in Venetië. Een mini-keten, dus,” lacht ze. Boven het bed hangt een schilderij van de Italiaanse waterstad.
“Officieel is het ontbijt tot half 11, maar je mag tot 11 uur binnenlopen, hoor.”

Een moderne schuine glaswand geeft uitzicht over de stad. Een filmisch decor. De kamer is klassiek ingericht. Rode vloerbedekking met motief, beige-gouden gordijnen die het slaapgedeelte kunnen afsluiten van het lager gelegen woonvertrek. Een bureau met uitzicht over de stad. Op de tafel staat twee lege champagneglazen. Er ligt een uitgebreide brief van de Managing Director. Eindelijk ben je dan onze Gast, het Penthouse met fraai uitzicht over de binnenstad van Amsterdam is vannacht jouw huis, geniet er maar van.

De telefoon gaat. “Vindt u het leuk om even rondgeleid te worden door de eigenaar?”
Beneden staat hij te wachten. “Zal ik je het hotel even laten zien?” Hij loopt voor me uit naar buiten. “Hier zie je dat het hotel uit twee delen bestaat. Dit hoekpand, waar eerst het restaurant zat, en een pakhuis, met die rode luiken. Daar zaten oorspronkelijk zelfs geen ramen in. Dat pand ertussen, met die souvenirwinkel hoort er niet bij. Zoals het ingecapselde huisje in het Victoria Hotel. Het restaurant is begonnen vanuit de delicatessenzaak van de heer Dikker, op de hoek van de Prinsengracht en de Leidsestraat. In 1921 opende hij met zijn partner Henri Thijs hier een toprestaurant. Oesters, kreeft, kaviaar. Hier gebeurde het.  Het was een sterrenrestaurant, al had je toen nog geen sterren. Nu een eeuw later is het hotel weer een nieuw leven ingeblazen en heeft het de toevoeging “Fenice” gekregen, je weet wel die mythologische vogel die uit de as is herrezen.”

Hij loopt naar binnen en we gaan nu de tweede verdieping naar het pakhuis. “Af en toe is het  wel verwarrend, die kamernummering, bijvoorbeeld, maar dat is de charme van die Amsterdamse panden.”
Hij klopt en opent de deur van een kamer. “Housekeeping,” zegt hij tegen een niet-bestaande gast. “Dit is een monument, dus we mochten er niet teveel aan verbouwen. De balken in het plafond zijn origineel.” We gaan met een monumentale trap naar de kelder waar bouwvakkers de laatste hand leggen aan het restaurant. Op de zwart-wit geblokte vloer ligt een laag stof. “Hier zat al een restaurant, maar we hebben besloten om het iets moderner en lichter te maken. Boven komt een loungeruimte en beneden een restaurant. Hier wordt dan ook het ontbijt geserveerd.” Hij laat de tekeningen zien van een moderne ruimte met verwijzingen naar de rijke historie van het pand. Een goed restaurant en bar maakt dit hotel helemaal af en dit hoort ook bij de uitstraling van het hotel. We wilden je eigenlijk pas uitnodigen wanneer het af was, maar het moest er nu toch van komen. Je hoteljaar is bijna voorbij.”

Op het hoofdkussen ligt een cadeautje met mijn naam, zoals de namen vroeger op de Sinterklaascadeautjes stonden. Het is een chocoladeletter V. Mijn gedachten gaan terug naar thuis. Tot op hoge leeftijd kregen we een chocolade letter. Dit is voor het eerst sinds jaren dat iemand weer een chocolade-V klaar heeft gelegd. Hier ligt het bewijs: hotels zijn mijn nieuwe familie.

Er wordt op de deur geklopt. “Bij die lege glazen hoort natuurlijk wel iets lekkers.” De man zet een wijnkoeler met een goede Spumante op de tafel.
Twee vrienden komen langs om de wijn samen op te drinken. Daarna lopen we het uitzicht in om te eten, om veel te laat terug te keren in het hotel.
Ik zet mijn wekker voor het ontbijt en val in een comateuze slaap. De telefoon gaat. “Goedemorgen, eh, goedemiddag meneer Van Dijk. Graag wil ik u eraan herinneren dat de uitchecktijd 12 uur is. Het is kwart over twaalf.” Slapen in een hotel dat vernoemd is naar een fameus restaurant en dan zelfs het ontbijt missen.

Het meisje achter de receptie lacht vrolijk. “Heeft u een prettig verblijf gehad? U krijgt de hartelijke groeten van de manager. Hij vond het jammer dat hij er niet kon zijn.”

Dikker & Thuis Fenice Hotel heeft 42 ruime, klassiek ingerichte kamers, waaronder het Penthouse. Het viersterrenhotel bestaat uit een hoekpand en een 17e-eeuws pakhuis. Hier komt binnenkort een lounge-gedeelte, bar en een eigentijds restaurant. Het hotel maakt onderdeel uit van Fenice Hotels, een keten van twee hotels in Amsterdam en Venetië.

Dikker & Thijs Fenice Hotel, Prinsengracht 444
Kamers vanaf 125 euro, Penthouse vanaf 325 euro

In een doolhof

Hotel Pulitzer

Voor de entree ligt een aanlegsteiger. Groene vlaggen wapperen boven de poort naar een binnenplaats. Buiten begroet de conciërge me hartelijk vanaf zijn desk. Koffers rijden het hotel binnen, een taxi stopt voor de deur. Twee Amerikanen begroeten elkaar luid. Het begin van een theaterstuk, als het gordijn net opengaat en iedereen begint te bewegen. Een contrast met binnen. Hier is het koel en kalm. Er klinkt een pianoconcert van Chopin.

Een blond meisje achter de receptie lacht vriendelijk: “We wisten niet dat u vanavond zou komen, maar we hebben nog een kamer, hoor. We maken het in orde. Hier is een voucher. Daarmee kunt u een lekker drankje in de bar bestellen. Neem daar even plaats.”

Een gang door de tuinen. Op de gok loop ik de juiste kant op. In de bar zitten brede Amerikaanse sportjongens en grijze zakenmannen. Ze zijn gekleed in oranje, want vanavond speelt Nederland. Op de schermen is voelbal te zien en het plafond hangt vol met oranje ballen. Een jongen haalt een sixpack bierblikjes uit een supermarkttas en vraagt aan de barman of hij deze kan koelen. Zelfs bij een hostel heb ik zo’n verzoek nog nooit gezien. De tas wordt gevuld met ijs. “Enjoy the game, Sir.” Hier kan dat. Dat is luxe. Hier worden geen vragen gesteld of gezegd dat het niet mogelijk is, hier worden problemen opgelost.

“Meneer Van Dijk. Mag ik u feliciteren met uw verjaardag.” Een meisje in mantelpak geeft me een hand. “Wat leuk dat u hier vanavond slaapt. We hadden u graag een suite gegeven, maar er is nu geen vrij. Wel een Executive Room. Deze is op de derde verdieping, maar het is wel even zoeken. Hier is de sleutel, mijn collega loopt zo mee. Dit jaar bestaat het hotel 40 jaar. Laatst kwam de naamgever, de heer Pulitzer, naar de opening van de gerenoveerde tuin. Hij was eigenaar van het hotel en is de kleinzoon van de Amerikaanse uitgever naar wie de Pulitzer-prijs is vernoemd.”
Veertig jaar. Nog even en ik ben net zo oud als dit hotel. Een grote teug wijn.

De conciërge neemt de koffer en gaat me voor. “Ja, het hotel bestaat uit 25 panden en er zijn vier liften. Je kunt je voorstellen dat het even zoeken is. Maar eigenlijk is het heel simpel. Als je deze trap neemt, kom je meteen in de bar terecht.”
“Mooi, ik kan vanavond dus omhoog kruipen,” lach ik.
“Het enige wat ik wil toelichten is dat de föhn in de bureaulade ligt.” Het klinkt als codetaal in de oorlog. Hij opent de la en haalt de haardroger eruit.
“Veel plezier, vanavond. Prettige wedstrijd.”
Onopgemerkt graai ik in mijn zakken naar een munt. Is het gebruikelijk om geld te geven als iemand de moeite neemt om je koffer naar boven te rijden? Mijn zakken zijn leeg. Ik lach ongemakkelijk.

Roederamen met uitzicht op de Keizersgracht. Donkere balken aan het plafond. Moderne witte bollampen. Een ligbad met dubbel douchegordijn. Klassiek Amerikaans.

Er wordt geklopt. Een lange jongen met een fles Champagne en aardbeien en een glas. “Ja, we wilden eigenlijk chocolade erbij geven, maar die was op.” Er ligt een kaartje bij met felicitaties van de General Manager.

De telefoon gaat twee keer, maar als ik opneem hoor ik slechts gekraak. Ik bel de receptie. “Ja, er was hier iemand voor u, maar die is nu naar de bar toe.” Ik loop naar beneden om hem op te halen. Hij loopt verdwaasd door de gangen. Bij de bar haal ik een extra glas en we gaan naar mijn kamer. Hij opent de ramen.

“Ik zou best aan jouw leven kunnen wennen,” zegt de vriend. “Dat uitzicht!” We drinken op mijn verjaardag. “Kom, we gaan eten.” Als we in het restaurant zitten komen twee andere vrienden. Terwijl iedereen voetbal kijkt in de bar, zitten wij aan tafel. Daarna drinken we wijn in de bar. Op de automatische piloot vind ik mijn kamer.

”Continental or English breakfast?” vraagt het meisje. Ik kijk vragend en wijs naar het ontbijtbuffet. “Just the buffet?” Ik knik, alsof het de eerste keer is dat ik in een hotel ontbijt.  Er zitten andere Amerikaanse sportjongens en grijze zakenmannen. Ze hebben het allemaal over de avond ervoor. Ze nippen van hun sinaasappelsap.

Ik moet vroeg naar een afspraak. Met mijn koffer naar de receptie. Als ik de bordjes volg, dan kom ik telkens aan de verkeerde kant van het hotel. Twee keer moeten medewerkers mij de weg wijzen.

’s Middags kom ik terug in het hotel en ga in de lobby zitten werken. De General Manager komt voorbij. “Hé, een bekend gezicht. Hoe is het met je? Gefeliciteerd. Heb je een leuke avond gehad? Ik zit hier nu een paar maanden. Het is een prachtig product, maar natuurlijk kan het altijd beter. Ik ben begonnen met de aorta van dit hotel: de tuinen. Die worden helemaal opgeknapt, want ze zijn belangrijk voor het Pulitzer. Alle gasten komen hier voortdurend doorheen, maar ze zijn ook aantrekkelijk voor mensen van buitenaf.

Er zijn nog meer dingen, hoor. De bewegwijzering kan ook beter. We geven nu een plattegrondje van het hotel, want het is een stad an sich. Dan zetten we een kruisje waar de kamer is en hoe je hier kunt komen. Er zijn veel sluiproutes, maar die moet je wel kennen. Voorlopig werkt dit. Ik geef mezelf 6 jaar om alles aan te pakken.

De ober uit het restaurant komt langs. “Word je wel goed verzorgd wat betreft eten en drinken?” Ik knik, maar moet naar het volgende hotel. De conciërge haalt mijn koffer. Bij de receptie vraagt een Amerikaan om een pijnstiller. “Last night was amazing.”

Hotel Pulitzer is een Luxury Collection-hotel van Starwood. Het tussen twee grachten gelegen hotel is gebouwd in 25 panden uit de 17e/18e eeuw, aan de ene zijde woon- en aan de andere kant pakhuizen. Er is een gezellige bar, een restaurant, een espressobar en er zijn verschillende tuinen waar ook wordt geserveerd en die zijn af te huren voor bijeenkomsten. Er is ook een fitnessruimte.

Pulitzer Hotel, Prinsengracht 315-331
Vanaf 279 euro

Onder grote druk

Dag 108. Hotel Mozart

Het regent op de Prinsengracht. In de entree van het hotel staat een lege haringkraam met plastic flessen ketchup en mayonaise. Achter de receptie zit een Chinees meisje. Ze kijkt ongelukkig als ze me de sleutelkaart overhandigt.

Als ik de sleutel in het slot steek, wordt het rode lampje niet groen, zoals op de achterkant van de kaart staat uitgelegd. De deur blijft dicht. “Dat kan niet,” zegt het meisje van de receptie stellig. “Wat voor geluid hoor je? Het kan echt niet.” De eigenaar van het hotel zit vanachter zijn laptop mee te luisteren. Hij kijkt me knorrig aan. Wat heb ik misdaan?

Ze programmeert de kaart opnieuw en nu is er een licht zoemgeluid te horen als de kaart in de gleuf steekt. Het oog blijft rooddoorlopen, maar de deur gaat open. Boven het bed hangt een zelfgeschilderd geel kunstwerk met een hartje en de tekst Wolgang Amadeus Mozart. Op het bedkastje ligt een gekopieerde hoteldirectory  met het hoofd van Mozart erop met verschillende lettertypen, bijeengehouden in plastic mapjes.

De bedlampjes en de afstandsbediening werken niet. Genoeg hints: ik verlaat het hotel. Met de tas in de hand waarmee ik ook binnenkwam. “You can’t come in?” vraagt het receptiemeisje paniekerig. Was ze bang dat ik zomaar weg zou gaan? Uit protest op straat zou slapen?

Ik loop naar een Chinees restaurant in de buurt. Naast mij zit een Chinees echtpaar dat slurpende geluiden maakt en af-en-toe boert. Geheel volgens de Chinese etiquette. De eigenaresse staat de hele maaltijd naast mij te bellen. Ze schreeuwt naar China. “Sorry, geen pin, geen creditcard, apparaat kapot,” zegt ze als ik wil betalen. “Buiten pinnen. Laat tas maar staan, daar passen wij op.” Met de tas loop ik naar de uitgang. “Laat tas maar staan, die staat hier prima,” schreeuwt ze dwingend, maar ik passeer haar met de tas stevig in mijn armen geklemd. Als enkele minuten later het geld op de toonbank ligt, is ze zichtbaar opgelucht. Voor het eerst lacht ze naar me.

Terug naar het hotel. Met het Requiem van Mozart val ik in slaap. Het boek moet af, maar er staat nog geen letter op papier. Alle hotelverhalen lopen door elkaar heen. Wanneer was ik in welk hotel? Waar ben ik nu? Zwetend word ik wakker. Confutatis maledictis. Hoor ik geklop? Is het de uitgever? Flammis acribus addictis. Het smalle raam op een kier. Kou is zuurstof. Mijn laptop op schoot. Doortypen.

De volgende ochtend staan in de ontbijtzaal de schalen met kaas, de boterhammen, de koffie. Het lukt vandaag niet om tussen alle etende en drinkende mensen te gaan zitten. De boterhammen, de prefab-cappuccino, de plastic kaas. Alles staat me tegen. Op de hoek van de straat ga ik naar een bakker en koop ik verse croissants. In de tramhalte hoest een oude man. Spetters op mijn hand, de croissant verdwijnt in de overvolle afvalbak.

Hotel Mozart is een enigszins vervallen, ouderwets driesterrenhotel, vlakbij het uitgaanscentrum. Het hotel ligt aan de Prinsengracht.

Hotel Mozart, Prinsengracht 518-520
Vanaf 38 euro  

Zonder de koffer

Dag 92. Hotel ITC

Pas na middernacht kom ik aan in Amsterdam. Mijn koffer staat nog in het vorige hotel en de receptie daar is al gesloten. Dan maar zonder spullen naar het nieuwe onderkomen. Waarom heeft een mens een koffer nodig? Een telefoon is meer dan voldoende.

Prinsengracht 1051. Het huisnummer is een postcode.  Het logo aan de gevel van het grachtenpand doet me denken aan Kentucky Fried Chicken. Aan de receptie staat een Nederlandse jongen die een kamer zoekt. Hij heeft ook geen bagage. Het hotel zit vol en hij wordt weggestuurd. Moet ik hem een bed aanbieden in mijn kamer of is dat erg vreemd? Ben het inmiddels gewend om met totaal onbekenden te slapen. Voordat ik hem kan uitnodigen is hij weg.

Ik vraag waar ITC voor staat. “Volgens mij International Tourist Club,” zegt de man achter de receptie. Hij kijkt lachend. “Wilt u morgen ontbijten, of beslist u dat dan? Het kan in ieder geval tot 12 uur. Het is gewoon een simpel ontbijt met ham, kaas en zo. “Toch wel een eitje,” vraag ik bezorgd. “Ja, wees maar gerust, ook een eitje.” Wilt u nu een kopje koffie of thee? Mag u de hele dag hier pakken, hoor.” Voor de receptie staan een koffieautomaat en een zithoek.

De kamer is in de kelderruimte. Op de smalle trap lopen vier dronken Italianen. Ze doen hun best me te ontwijken, maar dat blijkt moeilijk. Ze lachen om hun onhandigheid. De doortellende kamernummers en constructies beneden doen vermoeden dat dit gedeelte later is toegevoegd. Een klein raampje. Op de bedden liggen twee handdoeken met daarop een lolly. De kamer is niet heel modern, maar goed onderhouden en schoon.

Mijn telefoon heeft geen bereik. Pas als ik hem uit het kelderraampje steek. Ik zie mezelf opeens staan. Met mijn telefoon uit het kelderraampje. Opgesloten in een luxe gevangenis.

De indrukken van de dag zorgen voor een korte nacht.

Bij het raam staan twee gedekte ontbijttafeltjes met uitzicht op de Prinsengracht. Eentje is bezet door een Duits echtpaar. De man leest hard de krant voor aan zijn vrouw. Zij toont geen interesse. Aan het andere tafeltje neem ik plaats. Op de achtergrond klinken bekende nummers, uitgevoerd door een strijkorkest. Zoals in Chinees restaurant. Er staat een schaal ham, een schaal kaas en een bord met afgedekte eieren.

Een Franse jongen komt binnen en stormt af op de kan sinaasappelsap en drinkt gulzig. “Did you have a rough night?” vraagt de receptionist vriendelijk. De jongen knikt. Een Nederlander checkt uit: “Heb je lekker geslapen?” De receptionist houdt van zijn gasten.

Over de Prinsengracht loop ik terug naar het vorige hotel. Het is vreemd om weer terug te zijn. Het lijkt zo lang geleden dat ik hier heb geslapen. Mijn koffer staat nog op dezelfde plek. De receptionist vraagt met een Pools accent: “Hebben joelie alles?”

ITC is een betaalbaar tweesterrenhotel aan de Prinsengracht. Het hotel heeft z’n twintig kamers, waarvan sommige een badkamer delen. Het is niet modern, maar wel netjes. De trappen zijn een obstakel voor mensen met veel bagage, maar de vriendelijke medewerkers en de lolly’s maken veel goed.

Hotel ITC, Prinsengracht 1051
Vanaf 59 euro

Net als vroeger

Dag 14. Seven one Seven

De Prinsengracht. Met mijn koffer klim ik het bordes van het grachtenpand op. Het duurt even voordat de enorme voordeur opengaat. Een blonde jongen heet me welkom. Het valt me op dat er geen receptie is. Dit is geen hotel, maar een statig herenhuis. Op bezoek bij een onbekende oudtante.

Terwijl ik op de bank bij een knapperend haard zit om het formulier in te vullen, draagt de jongen mijn koffer naar boven. Het vioolconcert van Bartók klinkt op de achtergrond. “Wilt u een glaasje wijn?” Dit huis moet eeuwenoud zijn. Een rijke geschiedenis. Elk beeld en schilderijtje is met zorg verzameld en van generatie op generatie overgegaan.

Aan weerszijden van de hal zijn liggen woonkamers. Grote banken, openhaarden, schemerlampen. Overal branden kaarsen. Mijn kamer is helemaal bovenin het huis. De trap kraakt. Op de deuren onderweg staan namen van kunstenaars. Schubert, Liszt, Picasso. Tolkien. In mijn kamer staan een groot bed, een bank, een eettafel, een aantal kasten. Opnieuw een gezellige huiskamer. Sfeervol verlicht. De muziek achtervolgt me. Bartók speelt rustig verder.

Er wordt geklopt. De student komt binnen en zet een dienblaadje op de tafel. Een glas rode wijn, nootjes, kaas, worst, mosterd. “Kan ik nog iets voor u betekenen?” Het liefst zou ik hem willen omhelzen, maar ik ben hotelgast en hij is aan het werk.

De telefoon breekt de rust. “Mijn collega heeft de sleutels verwisseld. U heeft sleutel 1 en heeft sleutel 7 nodig, excuses.” “Dit klinkt als het begin van een moordspel,” antwoord ik. “Spannend. Bij wie slaap ik vannacht?” “U slaapt vannacht bij een jong stelletje. Erg leuke mensen,” antwoord de nieuwe jongen met gedragen stem. Dan een stilte. “Nee, ik kom de sleutels omruilen.” Even later komt hij binnen. Weer een blonde jongen. Als een volmaakte butler sluit hij de gordijnen. “Kan ik nog iets voor u betekenen?”

Boven mijn bed zit een luik. Wat schuilt daarachter? Kan ik ontsnappen?

Het bad vult zich met schuim uit een flesje Chopard. Onder het water denk ik na over vroeger. Mijn ouderlijk huis. De vioolconcerten op zondagochtend, de grote woonkamers vol lampen, beelden, kaarsjes en openhaarden. Dit is thuis. Dit is het hotel van het verleden. Als het water is afgekoeld, pak ik een handoek van de grote stapel. Ik stap in het zachte bed en laat de muziek aanstaan. Bij Mozart val ik in slaap.

Het ontbijt wordt geserveerd in een benedenkamer met uitzicht op een binnenplaats. Een vleugel vult de ruimte. Naast mij zit een vader, moeder en zoontje. Ze fluisteren naar elkaar in het Spaans. De vader wordt continu gebeld voor zaken. De moeder kijkt triest en het jongetje speelt met een vliegtuigje. 747.

In de woonkamer staat een collage van foto’s van het huis. Lege ruimten. Een kil betonskelet. Geen klassiek behang, geen flakkerende kaarsen. Het huis is niets meer dan een koud verlicht podium, waar nog geen decor is opgebouwd. Alles is nep. Het hele pand is een grote illusie. Een theater. Net als vroeger…

Seven on Seven is een private guesthouse dat in 1996 is bedacht door twee heren. Een kruising tussen een hotel en een bed&breakfast. In een bouwval creëerden zij acht bijzondere suites. Het bezit is inmiddels verkocht, maar hun liefde is nog steeds voelbaar. De benadering van de gasten is zeer persoonlijk en zorgzaam. Het prachtig ingerichte huis, de hoogstaande service. Alles klopt tot in de details. Vandaar dat veel zakenmensen dit als hun tweede huis zien en jonge stellen hier graag hun huwelijksnacht doorbrengen.

Seven one Seven, Prinsengracht 717
Prijs Room at the Top: 425 euro