In een gezin

Hotel Bellington

Het is donker in de P.C. Hooftstraat en het regent. De etalages van internationale kledingmerken zijn verlicht, maar de winkels zijn al gesloten. Het geeft de straat iets onwerkelijks en triests. De enige beweging komt van de televisieschermen in de winkels.
De hotels zijn misschien de enige plekken in deze straat die echt leven, nog toegankelijk zijn. Nachtverblijven in een dierentuin. Op het uithangbord met HOTEL is alleen de letter T verlicht. Naast het hotel wordt een winkel verbouwd.

Ik bel aan en loop naar boven. De receptie is in een rommelig kamertje. Achter een bak met goudvissen zit een jonge Aziatische jongen. Hij lacht vriendelijk.

“Hier is uw kaartsleutel. Morgenochtend is hier van 7 tot 10 het ontbijt. Uw kamer is op de tweede verdieping, u moet eerst naar buiten en dan naar het andere gebouw. Is er verder nog iets wat ik voor u kan doen? Dan wens ik u een prettig verblijf.”

Buiten is het harder gaan regenen. De deur naar het andere deel van het hotel is open. Iedereen kan hier gewoon naar binnenlopen. Iedereen lijkt vanavond in het hotel te zijn gebleven. Er klinkt vrolijk gelach uit alle kamers. Uit sommige komt een wietlucht.

De kamer is veel groter dan ik verwachtte. De meubels zijn in de loop der jaren bij elkaar verzameld. Bedden met rotan, grenen kasten, plastic bloemlampjes met spaarlampen en groene veloursgordijnen. Een wirwar van snoeren. Er staat een kleine tv met een haperend beeld. De douche heeft twee verschillende kranen. De drie bedden zijn netjes opgemaakt en op elk bed liggen identiek opgevouwen handdoeken. De manier waarop de kamer is ingericht heeft iets vertederends.

Veel te vroeg klinken bouwgeluiden onder het raam. Naar het andere gebouw om te ontbijten. De man die bovenaan de trap staat lijkt sprekend op de jongen achter de receptie, maar dan een oudere versie. Dit moet zijn vader zijn. Hij knikt vriendelijk en loopt voor me naar de ontbijtruimte. In het keukentje, waar ook de wasmachine en –droger staan, snijdt hij het vlees. Het is tien uur als een groep Italiaanse jongens binnenkomt. Ze spreken geen Engels. De vader wijst op het bord aan de muur waarop staat dat het ontbijt tot tien uur duurt en zet ontbijtbordjes op de tafel. Zijn vrouw komt binnen en zegt in gebrekkig Engels dat ze morgenochtend voor tien uur moeten ontbijten. De jongens knikken. De vader maakt een nieuwe rol beschuitjes open die door de jongens worden voorzien van drie lagen beleg: jam, muisjes en vlokken.

De ochtendroutine. Natte handdoeken op de vloer, afval verzamelen en in de vuilnisbak doen, het bed fatsoeneren. Een controleronde langs alle plekken waar ik ben geweest.

In de kamer naast me is vader het bed aan het verschonen. Hij groet me lachend als ik naar binnen gluur.

Terug naar de receptie. In de hal staat een nadampende eierkoker. De moeder is bezig met de administratie. “Wilt u uitchecken?”
Het hele fenomeen ‘hotel’ lijkt opeens zo overzichtelijk en klein. Ontdaan van alle illusies. Alsof het een gezin is waar iedereen zijn eigen taak heeft en de gasten op bezoek zijn.

“Ja, we doen dit nu zo’n 8 jaar, maar het hotel bestaat veel langer, hoor.” Ze lacht vriendelijk en kijkt naar de oude kamer, alsof ze zich verontschuldigt voor haar rommelige huis.

Hotel Bellington is een klein tweesterrenhotel met 20 kamers van 2- tot 4-persoons dat ligt in de P.C. Hooftstraat. Het hotel is al lange tijd niet grondig gerenoveerd, maar is schoon en huiselijk.

Hotel Bellington, P.C. Hooftstraat 78-80
Vanaf 75 euro

Met haperende sloten

City Garden Hotel

Aan het eind van de P.C. Hooftstraat, vlakbij het Vondelpark wapperen de vlaggen van verschillende landen. Duidelijk een hotel met internationale allure.

“You are faster than the fax,” lacht de receptionist, terwijl hij in een stapel prints graait. Hij kan de reservering niet vinden. Als hij hem eindelijk heeft, kijkt hij zorgelijk. “Oh, I only have a double room in the basement.” Hij wacht mijn reactie af. “But there’s AC,” zegt hij troostend, terwijl hij gebaart naar het plafond.

De trap af. Op de rode vloerbedekking liggen houtschilvers en een lange grijze doek. Het ziet eruit alsof hier jaren niemand is geweest. De deur van de kamer gaat niet open. Het lichtje blijft rood. Terug naar boven. “Sorry, soms doen de sloten het niet. Vandaag heeft iedereen er last van. Je bent de zoveelste. Soms doen ze het de ene keer wel de andere niet, de ene dag wel, de andere niet.”
“My key doesn’t work.” Een andere gast heeft hetzelfde probleem. De receptionist geeft hem een stalen sleutel.

Nogmaals naar beneden. Dit keer gaat de deur wel open. De kamer is donker en triest. Tegen het plafond zitten twee smalle ramen en een airconditoningapparaat. Van de plafondlamp komt koud wit licht. Het kapje is van het bedlampje; uit het stompje steken twee losse draadjes. Het bed lijkt al beslapen. Ook de handdoek in de badkamer lijkt gebruikt.

Vaker heb ik in dit soort kelderkamers geslapen, maar deze kamer voelt niet goed. Hoe komt dat? De twee minuten dat ik binnen ben, merk ik dat de zuurstof uit mijn lichaam vloeit. Het lijkt of ik de druk van het hele gebouw op mijn hoofd voel. Wat is er in deze kamer gebeurd dat hier zo’n negatieve energie hangt? Zelfs de telefoon heeft geen ontvangst. Snel, weg, naar boven. Met mijn tas vlucht ik naar de receptie om daar te gaan werken.

“The key doesn’t work?” vraagt de receptionist. Ik antwoord dat de sleutel niet het probleem is. “Is it, because it’s the basement?” Hij fronst.
“Nee,” stamel ik. “The room doesn’t feel good.” Is dat een legitieme reden om een kamer af te keuren? Door mijn hoofd flitsen alle vreselijke gasten die aan de receptie hebben gestaan omdat de kamer aan de verkeerde kant van het hotel zat, te klein was, te ver weg verwijderd was van de andere kamer.
“Is it really the last room you have?” vraag ik. Hij bevestigt dat het de allerlaatste kamer is. Betekent dit dat ik straks terug moet naar de kelder? Ik kan ook het hotel ontvluchten. Het Vondelpark inlopen. Frisse lucht. Of naar een ander hotel.

Hij vraagt of ik het een probleem vindt om op een vierpersoonskamer te liggen. Er is hoop. Misschien hoef ik niet terug naar de bedompte kelder. Ik knik gretig ja en vertel dat ik een boek over hotels schrijf.
“In that case, I give you a room on the top floor. With park view. It’s one of the best rooms we have.” Waar haalt hij plotseling een kamer vandaan? Was deze eigenlijk bedoeld voor iemand anders of stond deze nog wel leeg?

Naar de vierde verdieping. Opnieuw doet de sleutelkaart het niet. Terug. “Sorry,” zegt de receptionist lachend en hij steekt hem opnieuw in het apparaat dat de kaart activeert.
De nieuwe kamer is een stuk groter. Licht stroomt uit het kleine zolderraam en hult de kamer in een zonnige waas. Er staan twee fauteuils.  Het lijkt of er twee flatscreens hangen, maar eentje blijkt een spiegel. Ik ga op het bed zitten. Het matras is dun. Een pijnscheut door mijn rug.

Op bed ga ik liggen schrijven. Nooit eerder was het zo prettig om een ruime kamer te hebben. Steeds kijk ik om me heen om te genieten van de ruimte. ’s Avonds laat verlaat ik het hotel om iets te eten. Als ik terugkom werkt de sleutel niet. De receptionist laat me binnen. Hij zit aan de telefoon. “It’s not included. Shall I offer him breakfast?” Heeft hij het over mij? Hij schudt lachend zijn hoofd. “Use this one.” Hij geeft me een ouderwetse metalen sleutel. “This always works.”

Een lange nacht. Uitgerust neem ik een douche. Als ik uit het raampje kijk, zie ik een busje van de slotenmaker staan. Het probleem wordt opgelost. Een hotel met daadkracht.

“Can I have your room number?” Het tweede kamernummer weet ik niet meer, dus ik pak het kaartje erbij. Er is aangekruist: Breakfast included.

Het meisje schudt haar hoofd ferm. “Sorry, breakfast is nog included. You are not on my list.”
Ik moet denken aan de woorden van een vriend die vaak in hotels slaapt. “Er zijn twee hotels: hotels waar je je welkom voelt en hotels waar je je niet welkom voelt.”

Weer wil ik niets liever dan het hotel ontvluchten. Verbaasd wijs ik op de kaart. Dan loopt ze met mijn kaart naar de receptie. “Wait.” Met mijn cappuccino in de hand sta ik te wachten. Ongemakkelijk. Als de koffie op is, komt ze terug. “Yes, you can have breakfast.”

Hotel City Garden is een ouderwets hotel dat al jarenlang niet grondig is gerenoveerd. Het ligt aan het begin van de P.C. Hoofstraat, aan de zijde van het Vondelpark. City Garden is onderdeel van de groep WIN Hotels.

Hotel City Garden, P.C. Hooftstraat 162
Vanaf 65 euro

Met natte handdoeken

Dag 81. Hotel Brasserie Patou

Tussen de merktassen en zonnebrillen door rol ik naar het volgende hotel.

Met een kleine lift naar de eerste etage. Aan een klein bureautje zit een lange blonde jongen. Eenzaam in de verder lege ruimte, wat een komisch beeld oplevert. Ondanks mijn opmerking hierover, blijft hij serieus kijken. Hij overhandigt een kegeltje aan een keycord. “Heb je de zwarte stip naast de voordeur gezien?” vraagt hij serieus. Ik ontken alles. “Als je deze sleutel er tegenaan houdt, dan gaat de deur open. Een prettig verblijf,” mompelt de jongen. In de lift.

De sleutel tegen het glazen oog onder het verlichte kamernummer. Groen licht. De kamer is strak ingericht. Deuren tot aan het plafond, een bed op een zwart plateau. Zilveren drukknopjes voor het licht. Witte schermen voor de ramen. Ingenieus weggewerkte deuren. De badkamer is van wit mozaïek, gecombineerd met grijs marmer. De douchekop, de handdoeken, de toiletrol. Alles is weggewerkt achter vlakken. Het levert een rustig beeld op. Op de kussenslopen is het hotellogo geborduurd. Aan de muur hangt een zwart-wit modefoto. Voor het bed liggen modemagazines.         

Op de badkamervloer ligt een natte handdoek met voetafdruk en haren. Het toilet is niet doorgespoeld. Als ik mijn handen wil wassen, is er geen zeep. In een weggestopte nis van de douche staan gebruikte flacons en ligt een scheermesje. Een grondige inspectie. In de rest van de kamer ligt vuil op de vloer. De prullenbak is niet geleegd. Er is duidelijk niet schoongemaakt. Als ik beneden om nieuwe flacons vraag, zegt de jongen: “Ik breng ze zo naar de kamer.” Even later gaat de bel. Staand lijkt de jongen nog veel langer. Zouden de deuren vanwege zijn lengte tot aan het plafond doorlopen? Drie flacons en een zeepje. Hij bekijkt de vuile handdoek zorgvuldig en haalt hem zwijgend weg.

Voordat ik onder de douche wil, pak ik een handdoek. De grote badhanddoeken zijn vochtig. Klam. Zijn deze na gebruik opgerold? Opnieuw naar beneden. “Excuses. Ik zorg voor nieuwe handdoeken.”  Waarom wordt dit stijlvolle hotel niet schoongemaakt?

Terug in het hotel. Er liggen nieuwe handdoeken. De ochtendjas is weggehaald. Misschien was die ook nat. In de enorme badhanddoek zit een bruin brandgat. Er is bezoek. Uit de in de kast weggewerkte minibar haal ik twee biertjes. Mijn blikje ruikt naar een scheikundige laboratorium. Het is warm. We spoelen de inhoud door de bijzonder vormgegeven wasbak. Wat is er gebeurd met dit hotel? Ik kijk of er misschien een verborgen camera hangt en ik in de maling word genomen. Of is dit een zorgvuldig geplande stakingsactie van een onderbetaalde housekeeping-staf? Meer dan ooit heb ik respect voor de mensen die onder tijdsdruk elke dag het vuil van onbekenden moeten wegwerken om de volgende gast het idee te geven dat hij de eerste is die in die kamer slaapt.

De in het plafond verstopte verlichting kan niet uit. Door de knop ingedrukt te houden, dimt het licht iets. Het blijft branden. Maar het bed is schoon en slaapt heerlijk. 

Beneden bij de receptie zit een keurig meisje in mantelpak met een kamerlijst en gele markeerstift. Een geblondeerd Oost-Europees meisje fatsoeneert haar klassieke kapsel en kijkt naar haar nagels. “You can start with these rooms.” Ze pakt de lijst aan, zonder erop te kijken en verdwijnt de lift in. Ik moet denken aan het verhaal van een vriendin die haar werkster op staande voet had ontslagen, toen ze haar in bad betrapte, omringd door dure verzorgingsproducten.

“Heeft u een prettig verblijf gehad?” Ik antwoord dat ik het een mooi hotel vind, maar dat ik teleurgesteld was omdat de kamer niet schoongemaakt was. “Ja, dat mag niet gebeuren. Excuses. Heeft mijn collega het wel goed opgelost, gister?” zegt het keurige meisje. “U mag inderdaad meer kwaliteit van ons verwachten. Het ontbijt is beneden, maar u kunt uw bagage hier laten staan.”

Beneden in de brasserie eet ik een verse croissant, een gekookt eitje, een versgebakken broodje. Na drie kwartier wachten vraagt een echtpaar naast me waar hun bestelling blijft. “Sorry, de bedrijfsleider is hem vergeten in te voeren. De serveerster fluistert iets in het oor van de vrouw. “Wat een idioot,” antwoordt de vrouw in plat Amsterdams. “Hierbij benoem ik jou tot nieuwe bedrijfsleider.” De serveerster loopt lachend weg.

Hotel Patou is een ‘boutique’-hotel boven een brasserie, midden in de P.C. Hooftstraat dat ruimt twee jaar geleden werd geopend, vernoemd naar de Franse couturier Jean Patou. Het hotel is met zorg ontworpen, maar raakt in verval. 

Boutique Hotel & Brasserie Patou
Kamers vanaf 99 euro

Bij twee koningen

Dag 74. Hotel ROBERTRAMON

Voor een dichte glazen deur. Er zit niemand achter de receptie. Waar zijn Robert en Ramon?

Even later komt een jongen van beneden en doet de deur open. Een lange student met stralende ogen. Ik vraag hem wie de eigenaars zijn. “Robert en Ramon natuurlijk! Maar die zijn er bijna nooit.” Op de vloerbedekking zie ik een klassiek patroon met twee gespiegelde letters R. Alsof Robert en Ramon twee koningen zijn geweest die in dit stijlvolle onderkomen hebben gewoond.

“Hier is uw sleutel. Kamer 309. Denk eraan dat vannacht de zomertijd ingaat. Het ontbijt is tot 11 uur, en dat is ook de uitchecktijd. Dus eigenlijk 12 uur. Hij spreekt keurig. Zouden Robert en Ramon hem persoonlijk hebben geselecteerd? De Uitverkoren Zoon.

In de lift hangt een geprint bericht over het ingaan van de zomertijd. De kamer is klein. Erg klein, beaamt de plattegrond. Verreweg de kleinste kamer van het hotel op de schoonmaakkast na. Wel smaakvol ingericht en voor mij groot genoeg om in te wonen. Op de wand een behang met hetzelfde design. RR. In de hoek hangt een minuscuul televisiescherm. Aan de wand een zwart lampje met franje. De wanden in de badkamer zijn bedekt met grijs marmer. De douchekop, wastafel en het toilet zijn oud. Boven de WC hangt een zeepdispenser die ook is bedoeld voor de douche. De kamer kijkt uit op een binnenplaats met brandtrappen. Snel de gordijnen dicht. Het is een designhotel. Komt dat door de vloerbedekking, het behang en het lampje met franje? Wat is eigenlijk een designhotel?

Als ik thuiskom, heb ik zin in rode wijn en ik vraag aan de Uitverkoren Zoon of er een bar is. Even hoop ik dat hij een mooie fles wijn naar mijn slaapkast komt brengen. Met nootjes. “Op de eerste verdieping staat een automaat met blikjes.” Na veel rekenwerk vertel ik hem dat uitchecken ‘eigenlijk’ om 10 uur is, als de klok een uit vooruit gaat en niet om 12 uur, en vraag of een late check-out mogelijk is. “Je mag morgen een uurtje later uitchecken.” Yes. Ik ben de zomertijd te slim af.

Naast het automaat zitten twee buitenlandse meisje met flutes champagne. Ze lachen uitdagend naar me. Waarom hebben zij wel champagne? Ik trek een blikje bier uit het automaat.

De volgende ochtend twijfel ik of mijn klok automatisch vooruit is gezet, dus ik sta voor tienen op. Het ontbijt is in de kelder. Het is druk bij de nauwe doorgang naar het buffet. Ik zoek een glas voor het sap. “Glasses are on the table,” zegt een vriendelijke Aziatische vrouw. Iemand zoekt een bord. “Plates are on the table.” Iemand zoekt een koffiemachine. “Coffee is on  the table.”

Als ik mijn brood wil snijden, maar zie dat er geen bestek op de tafel ligt. Terug. Bestek ligt op het buffet. Als ik zout op mijn eitje wil strooien, zie ik geen peper en zout op tafel. Terug. Peper en zout liggen op het buffet. Gasten lenen de koffiekannetjes van andere tafels. Iedereen loopt door elkaar heen en er heerst chaos, maar de gasten lachen vrolijk. Tussendoor loopt een man in pak naar heen en weer naar een kantoortje achter het buffet. Is dat Robert of Ramon? Vanuit een ander hokje wordt het buffet aangevuld. Veel verkeer voor deze nauwe ruimte.

Housekeeping is bezig met de kamers. Bij het afval staan lege schoenendozen en tassen van dure merken. Dit is de P.C. Hooftstraat. De man uit het kantoortje staat achter de receptie. Ik vraag of hij Robert of Ramon is. “Geen van beiden. Robert en Ramon zijn er niet. Die komen hier niet zo vaak.” Hij vertelt: “Vroeger zat hier een ander hotel, maar twee jaar geleden hebben Robert en Ramon het overgenomen en helemaal verbouwd. Ze hebben nog een tweede hotel.”

Buiten is de zomer begonnen.

ROBERTRAMON is een smaakvol driesterrenhotel in de P.C. Hooftstraat. Het interieur is donker en stijlvol, de mensen die er komen zijn toeristen die komen shoppen en zakenmensen. Er zijn weinig faciliteiten in het hotel, maar er zijn voldoende restaurants en cafés in de buurt om dit te compenseren. In de kelder is een ontbijtruimte en er is internet aanwezig. En een blikjesautomaat.

Hotel ROBERTRAMON, P.C. Hooftstraat 24
Vanaf 89 euro (eenpersoonskamer, exclusief ontbijt)

Naast het Rijksmuseum

Dag 41. Apollo Museumhotel

Door de PC Hooftstraat loop ik naar het Museumhotel. Ik herken de hotelbar, omdat ik hier jaren geleden een lunchafspraak had. Er was alleen geen lunch.

Bij de receptie staat een buitenlandse gast. Hij spreekt geen enkele taal en kijkt triest. Hij herhaalt alleen het woord ‘manager’, maar de receptie begrijpt hem niet en vraagt of hij een baan zoekt.  

Onderweg naar boven informeer ik bij de receptionist of er een speciale samenwerking is met de musea. Hij antwoordt: “Als je naar het museum wilt, dan kunnen we je helpen. Maar er komen hier ook van die mensen die helemaal niet naar het Rijks of naar het Van Gogh willen. Dan zeg ik: je kunt ook naar het Sexmuseum. Dat vinden ze geweldig.”

Met de lift ga ik naar de vierde. Een trap brengt me nog hoger. De kamer is groot en heeft deuren naar aangrenzende kamers, waardoor hij in een suite kan worden omgetoverd. Ze zitten op slot. Door de vitrages is het licht in de kamer diffuus. Warme roodtinten. De badkamer heeft twee wastafels en twee grote hangflacons Dove. Door het raam zie ik het Rijksmuseum in de steigers. Ironisch: een museumhotel, maar de meeste musea zijn tijdelijk dicht. Tegen het bureau staat een elektrische oliekachel voor als de ijstijd aanbreekt. De minibar is leeg. Er wordt geklopt. De deur gaat niet open. Het blijkt de verkeerde deur. Achter de juiste staat de sympathieke receptionist met een fles wijn en twee glazen. Alsof hij wist wat ik dacht.

Een fotograaf komt langs om op mijn koffer te schieten. Hij heeft moeite met het licht. Als de foto eindelijk genomen is, wil hij de kamer verlaten. Hij neemt de verkeerde deur. Deze kamer is een geweldig toneel voor een blijspel.

De bar is leeg, dus ik ga door het hotel zwerven. Nergens zie ik mensen, nergens hoor ik geluiden. Zou ik de enige gast zijn? Ik ga terug naar mijn kamer en open de fles. Later op de avond probeer ik het nog een keer, maar de bar is nog steeds leeg. De vriend die langs zou komen, beantwoordt mijn berichtjes niet. Boven spoel ik mijn eenzaamheid weg met rode wijn. Het einde van de fles maak ik niet meer mee.

De volgende ochtend zit de bar, nu ontbijtruimte, helemaal vol met mensen. Het hotel leeft. Waar waren ze vannacht? Misschien zijn het ingehuurde figuranten. Het zijn karakters die ik in eerdere hotels heb gezien. Ze zijn er allemaal. De twee Groningse vriendinnen die problemen hebben met de koffiemachine. Het geschoren mannenstel met monturen. Het verveelde echtpaar: een geïrriteerde man met een malende vrouw. De groep vrienden. De nerveuze zakenman. Ze zitten allemaal aan het ontbijt en spelen hun bijrol overtuigend.

Zonder iets te zeggen deelt een mevrouw briefjes uit waar we ons kamernummer moeten invullen. Een onmogelijke opdracht. Alle nummers van eerdere hotels schieten door mijn hoofd. Als mijn kamernummer terug is, schrijf ik het op. De twee mannen naast mij proberen het te ontcijferen, als ik even de andere kant op kijk. Maar ik check snel uit en verlaat het hotel. Voor de deur staat een shutlle die me naar Schiphol brengt. Iedereen begint te roepen: KLM. Transavia. Lufthansa. Ik zeg: “Starbucks.” De shuttle zet me af bij de vertrekhal.

Het Best Western Apollo Museumhotel ligt in de bekendste shopping street van Nederland: de PC Hooftstraat, op de hoek met de Stadhouderskade en grenst aan het Museumkwartier. Een ideale plek voor shoppers en cultuursnuivers, dus. Het driesterrenhotel heeft 186 kamers die onlangs gerenoveerd zijn.  De buurt zit vol restaurants en bars.

Best Western Apollo Museumhotel City Centre, P.C. Hooftstraat 2
Kamers vanaf 70 euro