In een ziekenhuis

Eden Amsterdam Manor Hotel

“Ze wachten tot hun fietsen afgeleverd worden. Ze gaan een tocht maken,” zegt de receptionist en hij wijst op de groep die buitenstaat. Naast hem op de receptie staat een zwarte haas met een lampenkap op zijn hoofd en een lege blik in zijn ogen. Duidelijk ontsnapt uit Alice in Wonderland.
“Welkom in ons nieuwe hotel,” zegt de General Manager. “Zal ik je een rondleiding geven?” Hij gaat me voor op de ingesleten stenen trap. “Ooit was dit een ziekenhuis. Het Burgerziekenhuis, het eerste ziekenhuis voor minder bedeelde burgers. Het lag toen aan de rand van de stad en was gebouwd rond een binnentuin. Ruimte, licht en lucht waren goed voor het genezingsproces.” Hij loopt naar het raam dat uitkijkt op een binnenplaats. “In de tuin zie je nog een koepeltje staan. Dat was de operatiezaal. Patiënten moesten door de buitenlucht naar dit operatiezaaltje, want de artsen dachten dat dit ontsmettend werkte. De laatste jaren is het een stadsdeelkantoor geweest. Stadsdeel Oost-Watergraafsmeer. We willen nog steeds iets betekenen voor de buurt. De buren komen nu voor onze trattoria, een wijntje of echte Italiaanse koffie.” De lange manager loopt door de gangen met een chaotisch behang van Amsterdamse kruizen. “Ideetje van de architect. Dit behang staat voor het drukke Amsterdam. Vergeleken bij de gangen zijn de kamers rustgevend. Vluchtpunten in een rumoerige stad. De kamers zijn hoog, behalve op zolder. Daar sliep vroeger het ziekenhuispersoneel. We hebben bepaalde delen opgehoogd, zodat we er ook kamers in konden maken. Nou, ik laat je alleen.”
Een raam scheidt de badkamer van het slaapgedeelte. In het midden van de suite staat een kast met televisies aan beide kanten.
Op het bureau staat een doosje macarons met hartelijke woorden van de General Manager.
Voor de open deur ga ik zitten in een zwart kuipje. Mijn maag trekt samen. Ik heb iets verkeerds gegeten voordat ik naar het hotel ging. Waarom nu?
De kamer heeft een eigen terras. Ik adem de koele lucht in.
“Ruimte, licht en lucht,” mompel ik. Een klop op de deur.
“Wat zie je bleek?” Een vriend staat voor de deur. “Je bent ziek.” Hij legt zijn hand op mijn voorhoofd. ”Kom, gooi alles er even uit, dan ben je er vanaf. Daarna gaan we even naar buiten, naar het Oosterpark, hiernaast. Frisse lucht doet je vast goed.”
Hij gooit een jas naar me toe en houdt de deur open.
“Deze gang is zo Alice in Wonderland,” zegt de vriend. “Je wordt helemaal gehypnotiseerd.”
“Misschien kan ik niet meer tegen hotels,” hoor ik mezelf zeggen als we terug zijn. “Mijn lichaam keert zich tegen me.”
“Niet zeuren,” zegt hij streng. “Dit is een geweldig hotel. Het staat je erg goed. Jij hoort hier gewoon. Misschien moet je hier gaan wonen. We nemen een wijntje. Daar knap je van op.” In de bar klinkt Italiaanse zwijmelmuziek. In de hoek staat een poef in de vorm van een Amsterdams stadskruis.
Voor me in het restaurant staat een bord. Voorzichtig prik ik een raviolikussentje op mijn vork en breng het naar mijn mond. De truffelsaus lekt langzaam van de vork.
“Het gaat niet goed met je. Neem een warme douche en ga naar bed. Ik kom je straks een paracetamol brengen.”
Het lange badkamerraam beslaat door de kokende douche.
“Ze hebben geen pijnstillers hier,” zegt de vriend. “Natuurlijk niet, want het is een hotel. Hotels mogen geen medicijnen geven aan gasten. Ik ga even naar de avondwinkel.”
Rillend lig ik onder de warme deken. De paarse gloed van de plafondverlichting maakt het dekbedovertrek nog witter. Niets is lekkerder dan ziek zijn in een hotel. Verzorgd worden in een luxe omgeving. De afstandsbediening zet de twee televisies op verschillende zenders.
“Hier, neem maar drie tabletten. Een overdosis,” zegt de
vriend zorgzaam. “En deze fles water kreeg ik van een medewerker.
Ze wenst je beterschap. Heb je een emmer nodig?” Het comfortabele bed omhelst me en ik verdwijn in een donker konijnenhol.
Onweer in mijn maag wekt me. De pijn heeft plaatsgemaakt voor honger. De koorts is verdwenen. Dit hotel beschikt duidelijk over geneeskundige krachten. Ik open de gordijnen en staar naar de vredige binnentuin.
In de ontbijtzaal neem ik voorzichtig een eitje en besef hoe ik het hotelleven heb gemist. Zelfs de onbekende gasten. Ik groet een Scandinavische vrouw, als een uit het oog verloren vriendin.
Bij de receptie staat een vrouw met hechtingen op haar wang en schaafwonden op haar kin.
“Yeah, I had a terrible fight,” lacht ze zonder haar gezicht te bewegen. “With the pavement. I went on a bike ride yesterday and ended up in the hospital.”

Comments Off

In een club

Dag 30. Hotel Arena

Het is rustig in Oost. Prominente gebouwen staan er verlaten bij. Ook de zijkant van het hotel oogt onbewoond. In de stenen muur van het hotel staat een lege fles champagne. Als ik om de hoek kom, herken ik de binnentuin van laveloze uitgaansnachten in het danskerkje. Ik realiseerde me nooit dat Hotel Arena ook een hotel was. Hotel Arena was voor mij een club. Zoals Hotel de Goudfazant een restaurant en Tokyo Hotel een band is. Hotel als synoniem voor stijl, internationaal, fashion.

De entree van dit voormalig weeshuis is groot, donker en hoog. De receptioniste brengt me naar mijn kamer, want een van de liften is kapot. We passeren een prominente hal. Grote lichtbollen, trappen en doeken. Een filmdecor. We gaan een hoge gang door met witte gordijnen als behang. Een catwalk, met kamerdeuren aan de wand en lampjes op voethoogte. Fashionbeats in mijn hoofd. De gang naar mijn kamer is donker. Een klein schemerlampje verlicht met moeite het slot van de deur.

Een hoge ruimte met witte balken en een witte inrichting. Modern en klassiek. Donker glas scheidt de kamer van de zwarte badkamer. Een waterkoker met oploskoffie en doosjes thee. Een designbad. Enorme tegels op de badkamervloer. Kleurige flacons met doucheschuim.

Het is zondagmiddag en het is druk in de bar. Gezinnen met rondrennende kinderen, zakenmannen die inchecken voor een symposium. Er wordt gegild en genetwerkt. Door de ruimte klinkt lekkere muziek. Ik wil uit. Ik wil dansen.

Er staat een fotograaf voor de deur die een foto komt maken van mijn koffer. Als hij de kamer binnenkomt kijkt hij teleurgesteld. “Ik had gehoopt op zo’n hotel-hotel. Met zo’n bed, van die gordijnen en van die lampjes. Weet je wat ik bedoel? Dit had ook op de slaapkamer van mijn ouders kunnen zijn.” Ik kijk hem verbaasd aan. “Sorry, ik heb nog niet zo heel vaak in hotels geslapen. Ik had het beeld van zo’n Oost-Europees hotelletje in mijn hoofd. Met strijklicht over een bed met dekens. Dit is hip.” Als een kunstschilder zet hij mijn koffer neer op het bed en onderzoekt hij het licht. Steeds een andere compositie, een andere belichting. Bijna twee uren is hij geconcentreerd bezig voordat hij het juiste beeld heeft. Ik kijk door zijn camera. Mijn hele bezit is ingekaderd. Als hij klaar is, haalt hij zijn rolletje uit de camera.

’s Avonds wil ik eten in het restaurant, maar het is gesloten. Ik ga mijn honger stillen in de bar. Blonde vrouwen drinken cocktails, donkere mannen vertellen verhalen. Muziek. Ik had gelijk. Dit is geen hotel. Dit is een club.

In mijn kamer is het leeg. Vanaf mijn bed bekijk ik mezelf in de glazen wand. Dit ben ik, ik lig in een hotel. Alleen. Waarom lig ik hier? Waarom? Het is te benauwd om te slapen. Het dakraam kan, anders dan in veel hotels, gelukkig open. De nachtkou stroomt de kamer binnen en bevriest mijn gedachten. Ik doe mijn ogen dicht.

Als ik wakker word, voel ik mijn heerlijke bed. Het licht speelt door de kamer. Veel te lang sta ik onder de douche en geniet. Had ik dit maar geweten, dan was ik die ochtenden na het uitgaan in Hotel Arena, niet naar huis gegaan. Dan had ik een kamer geboekt en was ik direct uit de bar in mijn bed gerold.

Mijn telefoon gaat. Het is de fotograaf. Wat nog niet eerder in zijn leven was gebeurd: het vaklab heeft zijn rolletje verprutst. Hij wil morgen graag een nieuwe foto maken.

Hotel Arena was ooit een weeshuis met een eigen kapel en werd via een enorme jeugdherberg een driesterren- en vervolgens een viersterrenhotel. Naast het hotel zijn er een bar, een restaurant en een populaire club gevestigd. De club zit in de voormalige kapel. De inrichting is fashionable en de ruimten zijn indrukwekkend. Hier slapen toeristen die van stijl houden en businessboys. Er zijn ook vergaderzalen beschikbaar.

Hotel Arena, s-Gravesandestraat 51
Vanaf 119 euro