Zonder te douchen

Hotel The Veteran

Rond het hoekgebouw staan steigers. Is dit hotel wel open? Hebben ze vergeten mij te verwittigen? De bordjes Hotel The Veteran in verschillende huisstijlen zijn verstopt achter de tussen de pijpen gespannen doeken.

Een geplastificeerde print met de naam van het hotel leidt me naar de receptie. Een pijl naar beneden, naar een kelder. Ik druk op de bel en er gebeurt even niets. Dan komt een kleine Chinese man met een brandwond op zijn wang naar de deur. In zijn hand een grote bos sleutels. Hij kijkt bang en probeert 12 sleutels voordat hij de juiste heeft. Hier moet geen brand uitbreken, want dat overleeft hij niet. Zijn gasten dus ook niet. Zal ik weggaan? Naar een ander hotel? Is dit een teken?
“Wordt het hotel verbouwd?” vraag ik de man overbodig.
“Alleen de buitenkant.” Geen emoties.

Op de vloer van de donkere kelder ligt een rode deurmat met Welkom in het Engels en Chinees. Een vissige etenslucht penetreert de benauwde ruimte. Hij overhandigt de sleutels en loopt voor me uit naar buiten. Om de hoek is een trapje naar boven. Weinig behendig klim ik door de ijzeren buizen. De man steekt zijn hand uit naar de koffer en draagt hem naar boven. Achter de deur begint direct een nieuwe trap met meteen links een deur die 2/3 is van de normale hoogte. De deur van de andere kamer is even klein. Dit is een hotel voor kleine mensen. Ook de kamer is erg laag. Het is een halve kamer. Rechtop staan lukt alleen op de plaatsen waar geen balken lopen. Een scheepshut zonder deining.

Het oude bed is strak opgemaakt met een wollen deken. De vergane vitrages hangen slechts aan enkele haakjes. Samen met de steigerdoeken maskeren ze het uitzicht op de gracht. Met de lampjes aan is de kamer zelfs gezellig. Door de magere verlichting zijn de zelfgetimmerde wanden en meubels minder lelijk. Vanaf het bed staar ik naar de televisie. Naar een wereld die ook niet de mijne is.

De badkamer is smerig. Bruine sporen in het toilet, een deken van haar bedekt het doucheputje. Op het planchet staan vijf verschillende soorten doucheschuim. Zijn het gevonden voorwerpen?

Mijn steeds dikker wordende lijf smeer ik in met DEET. Als een Turkse olieworstelaar die dit moment gebruikt om zich te concentreren voor de wedstrijd. De lakens zijn smetteloos wit. Een intense jeuk op mijn schouderbladen op het moment dat ze contact maken met het onderlaken. Is dit verbeelding? Het lukt niet om in een diepe slaap te komen. De lamp blijft aan. De andere gasten die de hele nacht thuiskomen en weggaan, zorgen dat ik elk half uur kan controleren of er geen ongewenste gasten tussen de lakens zitten. De eeuwige geur van wiet.

De honger wekt me definitief, maar de gedachte aan de geur bij de receptie en in de badkamer maken het onmogelijk om uit bed te komen. Het ontbijt is gelukkig tot half 11. De bouwvakkers zingen vrolijk en een verflucht komt het raam binnen. Zonder te douchen kleed ik me aan. Op de buitentrap staat een ladder. Door een misstap val ik bijna van de trap. De bouwvakkers lachen om mijn onhandigheid.

Op de binnenkant van de voordeur staat Do NOT lock! Fire escape. En daaronder hangt: Be Careful. Step is broken.

De ontbijtkelder zit vol. “Koffie?” vraagt de verbrande Chinese man. Hij wijst naar een tafel die voor 1 persoon is gedekt. Hij zorgt voor me. Vergeleken met andere budgethotels is het ontbijtbuffet uitgebreid. Witte puntjes en gesneden koek. Achter me zit een vrouw met ongewassen haar in een mysterieus gewaad. Haar wenkbrauwloze ogen staren me leeg aan. Even wezenloos als de Aziatische vrouw in de keuken.

De koffer is hermetisch dicht gebleven. Het oude bed, de plakkerige anti-insectenvloeistof, de badkamer. Opeens is het allemaal teveel. Ik bel een vriend om daar te douchen.

De Chinese man neemt halverwege de trap de sleutels in ontvangst.
“Was het goed?” Hij kijkt bang en verdrietig. Bang is voor het oordeel.

Hij werkt hard. ’s Morgens vroeg maakt hij koffie en ’s avonds tilt hij koffers op het onmogelijke trappenstelsel. Elke dag zorgt hij weer dat er een kan jus d’orange staat en een schaaltje gekookte eitjes. Want dat hoort nu eenmaal bij een hotel. Hij laat de buitenkant van het gebouw opknappen en verzamelt vergeten shampooflessen en moet tussendoor ook nog zorgen dat de kamers gevuld worden via alle mogelijke boekingssites. Elke dag de vieze toeristen die drinken en blowen tot ze naar boven kruipen en in hun eigen kots in slaap vallen, en niet eens merken dat ze door hen zelf meegebrachte beestjes worden leeggezogen. Een wezenloze vrouw die als een zwart gat alle energie uit de omgeving zuigt.
“Ja, het was goed,” knik ik geruststellend.

Hotel The Veteran is een budgethotel met 12 kamers, zonder ster, van dezelfde eigenaar als Hotel De Munck. De kamers zijn redelijk onderhouden, de sanitaire voorzieningen zijn niet schoon, maar het ontbijt is in orde. Het ligt naast het Rembrandtplein/Thorbeckeplein en daarom trekt het vooral jong uitgaanspubliek dat over het algemeen weinig tijd in het hotel doorbrengt.

Hotel The Veteran, Herengracht 561
Vanaf 39 euro

Met kleine beestjes

Croydon Hotel

In het blauwverlichte raam van een wasserij aan het begin van de Warmoesstraat zitten twee vrouwen kruiswoordpuzzels te maken.
“Business?” fluistert een donkere man iets verderop, vanuit een portiek. Hij kijkt stoned en gebaart met zijn handen. “No. Pleasure,” lach ik. Dit was duidelijk niet wat hij bedoelde. Hij wendt zijn hoofd nors af.

De gekleurde donuts, die overal in het red-light disctrict van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht de honger stillen van druggebruikers en hoerenbezoekers, liggen pontificaal uitgestald in de verlichte kast. Dit is een receptie van het hotel en tegelijk een food-shop met een aantal basale voedingsmiddelen, blikjes fris en bier. Een verdoofde man likt aan zijn roze donut. Achter de desk zit een Aziatische man.

“Hier is je sleutel en hier is de kaart waarmee je naar binnen komt. Deze sleutel is voor de kamer, deze voor de locker. De ingang van het hotel is hiernaast.” Mag ik een handdoek?” vraag ik, wijzend op de stapel. “Of liggen die op de kamer?” Zwijgend geeft hij een handdoek.

Met mijn koffer en mijn tas een nauwe trap op. Onderweg ga ik naar het toilet in de hal. De WC is niet doorgespoeld. In de pot ligt een stevige bruine worst. Om de pot ligt toiletpapier. De luchtverfrisser in de hal ontkent de geur die uit het toilet komt. Nog een trap.

De kamer ruikt naar slapende mannen. Het bed is slordig opengeslagen. Op het dekbed zitten bloedspatten. Op het laken zitten gele vlekken en liggen kleine roodbruine bolletjes, omringd door kort schaamhaar. Zijn dit uitwerpselen van dieren of zijn dit kleine beestjes? Ze gaan niet bewegen door het licht en de aansporing van mijn telefoon. Misschien zijn ze overleden door het zuurstoftekort in de kamer. Snel het raam open. Van buiten klinken bekende geluiden uit de Warmoesstraat. Gelach en glasgerinkel. Een jongen loopt op blote voeten met zijn slippers in de hand.

Op de badkamervloer ligt nat toiletpapier. De smerigheid van de kamer projecteer ik op mezelf. De enige remedie is reinigen. Ik knip mijn nagels, scheer me. Alles moet schoon, ook de inhoud van mijn koffer. Ik zoek naar een locker, maar deze is er niet, dus weer met mijn tas en koffer weer naar beneden.

Met een schone koffer terug. Het geplastificeerde briefje houd ik omhoog naar de twee mannen achter de receptie. Ze kijken me aan, maar doen niet open. “You have to wave,” zegt een Britse man. “Wave.” Hij doet de beweging voor. Ook hierop wordt niet gereageerd. “Somebody is waving,” schreeuwt hij naar de receptie. Ze kijken hem vreemd aan, maar openen daarna de deur.

Een vriend sms’t. De bedwants is weer terug in Amsterdamse hotels. Alsof hij weet waar ik ben.

Op internet zoek ik op hoe het is om geconfronteerd te worden met een bedwants. Met zijn steeksnuit prikt hij door de huid, injecteert hij een verdovende stof en een antistollingsmiddel. De wondjes lijken op muggenbulten, soms in rijen als hij gestoord werd tijdens het voeden. Hij maakt gebruik van traumatische inseminatie: hij maakt een gat in het vrouwtje om de geslachtscellen af te geven. Uitgeademde CO2 en lichaamswarmte trekken hem aan. Opeens herinner ik de rode bultjes uit een eerder hotel. In de schaamstreek, op mijn kont, en zelfs eentje op mijn borstkas. Dit moeten wantsbeten zijn geweest.

Met al mijn kleren aan ga ik op bed liggen. Een handdoek op het hoofdkussen. Zonder deken, al komt er een natte kou binnen door het open raam. De harde geluiden zijn zo regelmatig van hardheid en toon, dat ik snel in slaap val. De volgende ochtend is mijn keel opgezwollen en pijnlijk. Onder de bovenrand van mijn spijkerbroek zitten rode bultjes, waarvan een is opengekrabd. Na een lange douche opnieuw naar de wasserij om mijn kleding heet te wassen.

Hotel Croydon is een hotel en hostel met drie- tot achtpersoonskamers dat slecht wordt schoongemaakt.

Hotel Croydon, Warmoesstraat 77
Vanaf 45 euro

Als een student

Hotel Hans Brinker

“Nee, je bent hier eigenlijk niet welkom,” zegt de receptioniste. Dit is voor studenten en jij bent geen student meer. Bovendien zitten we nu in een kleine verbouwing, dus het komt niet goed uit. De eerste reden begrijp ik, de tweede is vreemd. Dit hotel is bekend geworden door de jarenlange reclamecampagne Worst Hotel in the World. Wat maakt een kleine verbouwing dan uit? Dan maar anoniem een bed op een vierpersoons slaapzaal boeken.

Vroeg in de ochtend check ik in. Als je er niet voor 12 uur bent, dan loop je het risico dat je bed aan een ander wordt gegeven, staat in de bevestiging. Voor het hotel staat een 45-km-wagentje met AIRPORT SHUTTLE SERVICE op de zijkant. Een hotel met humor. Het duurt even voordat de deur open wordt gedaan.

“Goedemorgen. Heb je een uitje met de jongens?” Ik kijk om me heen, maar zie niemand staan. “Nee, hoor, ik slaap alleen.”
“Okay, nou, dat gebeurt wel vaker hoor, dat mannen met elkaar een uitje hebben en hier slapen. Een vrijgezellenavond of zo?”
“Er komen niet alleen studenten, dus? Nee, ik slaap alleen.” Ik lees de bevestiging voor: 4 Bed Mixed Dorm Ensuite. Ik weet niet wie er nog meer slaapt, het is een dorm.”
“Oh, ik dacht dat je met z’n vieren was.”
“Nee, ik slaap alleen. Het is een dorm, een slaapzaal.”
“Wil je nu alleen voor jezelf betalen, of betaal je ook vast voor de anderen?”
Verbaasd kijk ik haar aan. “Nee, ik betaal alleen voor mezelf. De anderen ken ik namelijk niet, het is een dorm
“Door please,” schreeuwt een Italiaanse student die al een tijdje staat te gebaren. Het meisje drukt op de knop.
“Okay. Je kunt vanaf half 2 op je kamer terecht. Hier is de sleutel. Laat hem steeds zien als je naar binnen wilt.”
Buiten staat een groepje meisjes druk te zwaaien. “Volgens mij willen ze naar binnen,” zeg ik tegen de receptioniste.
“Dit zijn de tijden.” Er is een briefje met de in- en uitchecktijden en de openingsuren van de bar en het restaurant op de receptie geplakt. Nadat ze deze heeft onderstreept opent ze de deur.

De kantine is een hoge ruimte met grote tafels en een bar. In de ramen zitten moderne glas-in-loodramen met gekke vormen. In de hoek staat een verlichte vitrine, beschermd door een gouden koord. Op een eveneens gouden kussen ligt het boek Worst Hotel in the World.” Aan de muur hangt een foto van een meisje met een tatoeage op haar arm. Het is de plattegrond van de hotelomgeving met de tekst: PLEASE TAKE ME BACK TO THE HANS BRINKER BUDGET HOTEL.

Het is koud in de kamer, buiten regent het. Op de bedden liggen handdoeken. Als ik net op bed lig, komen er twee jongens binnen. Ze komen uit Israel. “We zijn net gevlucht uit een ander hostel. Dat was veel duurder en vreselijk slecht. Zo druk en chaotisch. Dit ziet er veel beter uit. Alleen die deur, dat is heel erg vervelend. Geen wonder dat iedereen hier op hun kamer rookt. Door het hele hotel hangt een wietgeur. Dat je hier gewoon mag roken! Dat doe je toch niet op de kamer?”
”We willen nu naar Anne Frank, hoe komen we bij haar huis?” vraagt zijn vriend.
“Ze woont daar niet meer,” zeg ik.
Hij kijkt geschokt. “Echt?” vraagt hij.
De student lacht. “Nou, dan moeten we maar naar een coffeeshop.”

“Happy happy hour,” klinkt door de intercom. Meteen vullen de tafels zich met grote glazen bier. Een gezin met kinderen zit aan een tafel met dubbele glazen chocolademelk. In de keuken wordt de avondmaaltijd bereid. “You have to wait until six o’clock,” zegt het meisje in de keuken met harde stem als ik nieuwsgierig kom kijken. Zonder vaste tijden is er geen discipline.

Het is laat als ik terugkom in het hotel. Van de verlichte letters doen allen de H, E, en L het. Er is aan elk detail gedacht. Op de website staat SIMULAR TO HELL, BUT WITHOUT PROPER HEATING.

Uit de kelder klinkt muziek. In het midden staat een glazen kooi. Hier wordt gerookt en gedanst. Ik ben moe en ga naar boven. In de kamer hangt een zware wietlucht. As in de toiletpot. Op het vierde bed ligt een jongen. Zijn grote pupillen kijken me aan en hij geeft me een hand. “Lig ik in je bed?” vraagt hij. Meteen valt hij weer in slaap.

Om half tien gaat de kamerdeur open. “Check-out time is ten o’clock, so get up now,” schreeuwt een schoonmaakster. Ik neem een douche en pak mijn spullen. De twee Israelische jongens steken hun hand uit. “Goodbye, Vincent. Take care.” Op de deur hangt een briefje met de tijden.

“Door please,” schreeuwt een Duits meisje tegen de receptioniste. Er staat een rij met mensen die in- en uit willen checken. Buiten staat een nieuwe groep te wachten.

Hans Brinker Budget Hotel is een hostel dat ooit is opgericht door studentenreisorganisatie NBBS om internationale studenten met elkaar in contact te brgen en wordt ook voornamelijk wordt gerund door studenten. Er zijn duidelijke regels en tijden, maar het hostel heeft een bar, een dansvloer en een betaalbaar restaurant. Ondanks het strenge tijdschema hangt er een leuke sfeer.

Hans Brinker Budget Hotel, Kerkstraat 136/138
Vanaf 21 euro

Met relaxte gasten

The Flying Pig Uptown

Buiten staat een meisje. Ze is stoned. Met moeite houdt ze de deur voor me open, terwijl ze me uitdagend aankijkt. Beneden in de kelder is de receptie. Naast de bar. Als ik wil inchecken zucht het meisje achter de desk vermoeid. “Ga maar in de bar zitten, je wordt omgeroepen. We zijn nog bezig met het inchecken van een ander. Heb even geduld,” benadrukt ze.

Meer dan een half uur zit ik te wachten. Nog steeds staat hetzelfde meisje in te checken. Er zitten drie meisjes achter de receptie. Twee staren aandachtig naar het computerscherm. Het andere meisje drinkt een biertje. Ze begint te dansen. Eindelijk krijgt de gast haar kamersleutel. Aan de bar zit een ander meisje te wachten met een grote pul bier. Ze gaat naar de receptie. Ook haar incheckprocedure neemt ruim 20 minuten in beslag. Het drinkende receptiemeisje veegt verveeld de tafels af en zet de stoelen recht. Steeds valt ze zelf bijna om.

Een meisje achter de desk kijkt me opeens fel aan. “Are you wai’ing to check in?” zegt ze in plat Brits. Is het dan eindelijk mijn beurt? “Sorry, take a sea’. It takes a while, you know,” zegt ze verveeld. Ik ga terug naar mijn plek en wacht geduldig.

Van achter uit de rookruimte komt een zoetige rooklucht. Hier liggen mensen languit. Sommigen lijken te slapen, anderen delen een sigaret. Buiten schijnt de zon en het park is naast het hotel, maar iedereen blijft binnen. In de donkere kelder met bloemen op de muur en relaxte muziek.

Eindelijk ben ik aan de beurt. Ik krijg de sleutel en het verzoek of ik op mijn etenswaren de naam en vertrekdatum wil zetten. Binnen twee minuten ben ik klaar met inchecken. Lag het misschien aan de gasten dat het zo lang duurde? Of ben ik echt een professional geworden?

Buiten hoor ik een jongen praten tegen een vriend. “Amsterdam is so funny. You walk outside, take seven steps and you are out of the city. It’s so small. If you have been to this hostel you have seen it all.”

Bij de bar sta ik te wachten. Twee mensen zijn innig met elkaar in gesprek. Ze zien er verdoofd uit. Na tien minuten hebben ze door dat ik er sta. Ik bestel een biertje en krijg twee flesjes Becks. Het is happy-hour. Ik geef een flesje aan een jongen. Hij komt uit Frankrijk. “This is an amazing hostel. Such a relaxed atmosphere. Is it not allowed to smoke outside anymore? This place is next to a park, but everybody stays in. I think it’s because of the relaxed atmosphere. No, I don’t smoke anymore. I have been living in Jamaica. There the weet was great. Here it is too strong.”

Mensen beginnen te dansen. Britse jongens maken zogenaamd foto’s van elkaar en hebben plezier. In de keuken staan mensen zelf te koken. De ene na de andere maaltijd wordt meegenomen naar de bar en opgegeten. Ik ben moe en ga naar bed.

De kamer is versierd als een Delfts blauw tegeltje. De airco staat aan, maar de ruimte is gevuld met sigarettenrook uit kleding. Ademhalen gaat moeilijk. Ook mijn rug doet pijn. Drie dronken Britse meisjes komen de kamer binnen en schreeuwen naar elkaar. Steeds ga ik op een andere manier liggen, maar de pijn maakt slapen onmogelijk.

Ik ben misselijk en durf niet op te staan, bang om over te geven. Pas in de ochtend verlaat ik voorzichtig het bovenste stapelbed. De Britse meisjes slapen nog, en hun vrienden proberen ze wakker te maken voor het ontbijt. “Get me some bread,” schreeuwt een meisje en ze valt weer in haar kussen.

Beneden is het een chaos van mensen die een bed zoeken, uit willen checken en ontbijten. De eerste mensen drinken alweer bier. Op elke sleutelkaart zit een euro borg die ook aan een goed doel kan worden geschonken. Omdat iedereen het wachten beu is, worden de sleutels massaal in de collectebus gestopt. Met mijn koffer vlucht ik het Vondelpark in om diep adem te halen.

The Flying Pig Uptown is een van de drie hostels van deze miniketen. Het recept is goedkoop bier, een rookhok en een relaxte atmospheer. Deze Flying Pig ligt aan de rand van het Vondelpark. Er is een keuken waar zelf gekookt mag worden en er is een bar die elke nacht tot 3 uur geopend is.

The Flying Pig, Vossiusstraat 46
Vanaf 32, 50

Met leuke mensen

Hostel Aroza

Het is laat. De eigenaar van het hotel staat op straat. “Je slaapt wel met vijf anderen op de kamer. Vind je dat erg?”
“Niet als het leuke mensen zijn,” antwoord ik. Hij denkt even na en zegt: “Ja, het zijn leuke mensen.” Het is kamer 301. Op een lijst vul ik mijn naam, beroep en paspoortnummer in. Ik lees dat er een professor uit Slovenië op mijn kamer slaapt. En een student. Dat moeten leuke mensen zijn

“Als je spullen wilt achterlaten, papieren en zo, dan kan dat achter de bar. Hier zijn ze verzekerd.”
“Geen sleutel?” vraag ik verbaasd. “Nee, er is geen sleutel. De deur is open.”

Helemaal bovenin het oude gebouw is de kamer. De deur staat open. Er staan drie verschillende eenpersoonsbedden en er liggen drie losse matrassen op de grond. Verschillende kleuren dekens en de alle muren zijn gevuld met schilderingen van paddenstoelen. Een bont geheel. Midden in de kamer ligt een forse man met trainingsbroek en ontbloot lichaam. Het zweet loopt over zijn hoofd. Hij snurkt en het vet van zijn buik en het bed bewegen in tegengestelde richtingen. Daarnaast ligt een jonge jongen te slapen, met kleding en schoenen aan. Ik neem het bed dat het minst beslapen lijkt. Er ligt geen handdoek op de kamer. Een bed is omringd met boeken. Op een ander bed liggen pakjes met oplosnoodles.

Een man komt binnen en gaat op het achterste bed liggen. Binnen een minuut overstemt hij de man in het midden. Een concert voor tuba’s. De jongen wordt wakker en gaat blowen in het open raam. Als hij weer ligt komt er een Spanjaard binnen met zonnebril. Hij kleedt zich uit en spuit een fles deodorant leeg over zijn lichaam en zijn bed. De kunstmatige geur mengt zich met het dominante mannenzweet en de zoete wietlucht.

Opeens is het stil. Het diepe geronk is gestopt, de zwetende man is wakker. Hij steekt een joint op, midden in de kamer. Hij neemt niet de moeite om naar het raam te lopen. Net als ik eindelijk inslaap begint het gesnurk weer. Ik zet het vioolconcert van Beethoven op en steek de iPhone in mijn boxershort. Als hij gestolen wordt, dan voel ik dat misschien. Mijn laptoptas gebruik ik als hoofdkussen. Voor het eerst voel ik me niet veilig. Beland in een andere wereld.

Kort val ik in slaap. Het is een komen en gaan van vreemde mensen in de kamer. Alle bedden zijn inmiddels bezet. Een oude man vraagt of ik wil opschuiven en schurkt met zijn klamme pels tegen me aan. Gelukkig blijkt het een droom. Ik schrik wakker. Een hippie-achtige man komt de kamer binnen en staat een uur onder de douche. Misschien is hij dood. Een overdosis? Als hij klaar is, gaat hij op bed liggen. Met een joint in zijn mond valt hij in slaap. De rookmelder heeft minder last van de rook dan ik, want die is afgeplakt. Met mijn telefoon schijn ik op de plattegrond. De ontsnappingsroute is via de tweede en eerste verdieping. De overlevingskans in geval van brand zijn nihil, met het nauwe trapgat. Ik leg me erbij neer en leg mijn lot in de handen van een niet-bestaande god.

De zwetende man maakt zijn haar nat in de badkamer en voorziet zijn oksels van deodorant. Zijn lange haar schudt hij als een hond uit boven de slapende jongen. Het is zijn zoon. Hij schrikt wakker. De vader haalt wiet en broodpakketjes uit zijn rugzak en vindt een kleine handdoek om zijn haar af te drogen. Tegen zijn zoon zegt hij: “Let’s go downstairs. Als deze een sigaret heeft gerold, gaan ze op straat zitten. De Spanjaard en de hippie groeten me hartelijk. De badkamer is betegeld als een Spaanse hoeve, maar het sanitair is behaard. Het douchegordijn wordt met een roestige ketting omhoog gehouden. Ik besluit dat ik beter in het volgende hotel kan douchen.

Beneden is er geen ontbijt, maar er staat een koffiemachine. “Mag ik een koffie?” “Pardon? No, coffee is for guests only,” zegt de jonge receptionist. Op een bordje staat dat tot 9 uur ontbijt wordt geserveerd, maar het ziet er niet naar uit dat er hier ooit iemand zo vroeg is opgestaan. Ik leg uit dat ik een gast ben. Hij kijkt op de lijst. “Two Euro’s please.” Hij brengt de koffie naar mijn tafeltje in de met vloerbedekking beklede zitboxen. Er klinkt opzwepende loungemuziek. De hippie komt naar beneden. “Bonjour Thomas.” De Spanjaard komt binnen. “Goodmorning Thomas.” De jonge Franse receptionist groet vrolijk terug. Twee vale katten lopen stoned door de ruimte. “Thomas kaputt. Thomas kaputt,” gilt de Aziatische eigenaar vrolijk. Hij geeft hem een kopje thee met citroen. “Thomas is ziek,” legt hij uit. Hij heeft vannacht niet geslapen.”

Vader en zoon staan te poolen. Ze hebben het leuk samen. Er komt een net uitziende Franse vrouw binnen. Ze vraagt of er nog een kamer is voor vanavond. “Nee, geen kamer, nog wel een bed. Wel op een kamer met vijf andere mensen. Vind u dat erg?” De eigenaar knikt vanuit een hoek om aan te geven dat het bed gereed is. Mijn bed. Ze zet haar bagage op de kamer en verlaat het hotel. Even later komt ze terug. “Sorry, ik slaap vanavond toch in een ander hotel. Bedankt.” Ze haalt haar koffer en verlaat opgelucht het pand.

Hostel Aroza is een oud en rommelig budgethotel op een minuut loopafstand van het Centraal Station. Er is een pool-biljard en een woonkamerachtige receptie met frisdrank en chips. Hier mag niet gerookt, maar wel geblowd worden.

Hostel Aroza, Nieuwendijk 23
30 euro per bed

Naast een hotel

AWA Amsterdam Youth Hostel Inn

Veel te laat kom ik terug uit Den Haag. Een taxi zet me af bij een hotel aan de rand van het Oosterpark. Het is donker binnen en er wordt niet gereageerd op de deurbel. Wat moet ik doen? In het park slapen? Het is twee uur ’s nachts. Direct naast het hotel moet een hostel zitten, volgens internet. En inderdaad: de deurbel bevestigt dit. Zal ik aanbellen? Straks maak ik iedereen wakker. Ik duw tegen de deur en deze is open. Gastvrijheid begint met een open deur.

Opeens sta ik in een kaal herenhuis. Is dit wel een hostel? Er is geen receptie. Ik open een deur en zie een kamer met een leeg bed. God bestaat wel! Hij heeft een bed voor me klaargezet. Dan zie ik in de donkere ruimte een tweepersoonsbed staan. Hierin liggen mensen opgerold in dekens. Is het raar dat ik toch in het andere bed ga liggen of schrikken ze zich morgenochtend dood?

Ik sluit voorzichtig de deur en zie verderop in de gang een trap naar boven, die is afgesloten met een wit hekwerk. Achter een andere deur gromt een hond. Als ik het hek open, blaft hij. Bang geworden loop ik naar de voordeur. Wegwezen. Dan komt er een jongen van boven, net wakker geworden. “Hoe kom jij binnen? Stond de deur gewoon open? Ik dacht al iets te horen.” Hij spreekt met Oost-Nederlands accent. Of is dit het dialect van deze wijk?

“Ik heb een kamer voor je. Loop maar mee naar boven.” Hij opent het hek en loopt twee verdiepingen naar boven. Hij opent de deur en doet het licht aan. Een van de handdoeken op het bed haalt hij weg. Er staan een groot bed in de kamer, enkele kasten en planken en een plastic witte douche in de hoek naast het bed, met een verkleurde badmat.

“Hier is de sleutel en hier is de sleutel van de voordeur. Hij legt ze op een van de lege houten planken. Ik geef je mijn telefoonnummer, mocht er wat zijn. Maar niet voor 12 uur bellen, hoor. Dan slaap ik nog. Als je naar buiten gaat, dan kun je je kamer op slot doen. Graag om 2 uur uitchecken. Hier is de douche. Ik zal de douchekop wat hoger stellen, want anders pas je er niet onder. Zo wordt hij warmer, en zo kouder.”

Hij beweegt ongemakkelijk door de kamer. “Deze televisie lijkt heel mooi, maar hij doet het niet. Heb je nog vragen?
Oh, wat slordig. Er is niet goed schoongemaakt.” De eigenaar haalt een leeg blikje van het televisiekastje en loopt weer de kamer in. “Dit had ik even moeten controleren.” Hij pakt een fles douchegel van de supermarkt. “Hier zit nog net genoeg gel in voor een douchebeurt.

Om de deur op slot te doen, moet je even links op het slot drukken. Je kunt je bagage op de kamer laten staan.” Ik vraag hem hoeveel kamers hij heeft. Hij loopt naar de gang en telt. “Vier.”

De sleutel klemt, dus ik leg hem terug en doe de deur niet op slot. Het bed ruikt naar fris wasmiddel. Ik verleid mezelf.

De volgende ochtend hoor ik andere gasten op de gang. Opeens gaat mijn kamerdeur open. Iemand staart naar binnen. “Hallo,” zeg ik, maar er komt geen reactie. Een schim staart me aan. Een halve minuut later gaat de deur weer dicht. Opstaan en douchen. Ook de handdoek ruikt naar wasmiddel.

Als ik de deur op slot wil doen, zijn de twee sleutels weg. Is er iemand in mijn kamer geweest? Dit is een vreemd hotel. Ik wil weg, trek een pak aan voor een belangrijke afspraak aan de andere kant van het park en vlucht met mijn bagage. De gang ruikt naar natte hond. Op de deur hangt een opvallend geel bordje Close the door.

AWA is een kleine youth hostel, direct aan het Oosterpark. Er zijn vier kamers. Het gebouw is matig onderhouden, er is geen receptie, maar de kamers zijn schoon en de eigenaar is erg flexibel.

AWA Amsterdam Youth Hostel Inn
Vanaf 30 euro

In geen hotel

Dag 114. Hotel AnneMarie

“Hotel? Hotel? Nee, dit is geen hotel.” Ik vertel dat er een bord aan de gevel hangt met Hotel AnneMarie erop. “Ja, vroeger was dit een hotel. Nu is het een hostel, maar we hebben de naam gehouden. Hotel AnneMarie. Maar AnneMarie heb ik nooit gekend. Laatst kwam hier een vrouw die hier veertig jaar geleden is geboren. In het hotel. Ze liep direct door naar de tuin. Daar liepen toen nog kippen. Nu willen mensen weinig betalen voor een hotel en we moeten de kamers vullen. De huur is hoog, hier tegenover het Concertgebouw. Daarom hebben we er een hostel van gemaakt. Vijf euro voor de sleutel, alsjeblieft.”

“U heeft kamer 11 op de vierde verdieping. Wilt u uw adres nog even invullen? Na 9-11 is de politie erg streng geworden. Vul maar het adres van een vriend in. Als u wat te eten wilt maken: de Albert Heijn zit hier tegenover en in de keuken is een magnetron.”

De trappen op. Tussen kamer 10 en 12 ligt kamer 1. De sleutel past en de deur gaat open. Natuurlijk geen handdoek, het is een hostel. Beneden vraagt de receptionist of ik kamer 11 heb kunnen vinden. “Nee, ik slaap ik kamer 1.” Hij lacht. “Ja, iemand heeft ooit de een meegenomen. Waarschijnlijk als souvenir. Maar ik kan nergens meer zo’n eentje vinden.”

Een handdoek huren kost twee euro. AnneMarie is geen oude hoteldame met kippen. Het is een stripmeisje met een parmantig geel kapsel. Haar afbeelding staat op de computerschermen in de receptie. Boven haar hoofd staat Hotel Annemarie.

Een kat loopt mee mijn kamer in en gaat op het verschoten dekbed liggen. Veel werk heeft hij niet, want op verschillende plekken in de kamer staan zwarte dozen tegen ongedierte.

Een Franse jongen is boos op zijn vriend omdat hij dit hostel heeft geboekt. “Sorry, ik had geen tijd om te zoeken, ik had tentamens. En ik dacht dat het wel goed zou zijn, tegenover het Concertgebouw.”

In de douche op de gang vertellende verschillende haarkleuren een verhaal over de andere hotelbewoners. Het douchegordijn ruikt zurig en klampt zich angstig vast aan mijn natte huid.

“Goedemorgen, Vincent. Hier staat het ontbijt. In de keuken kun je een tosti maken. Neem nog maar een bakje koffie. Er is genoeg.” Het ontbijt bestaat uit een schaal droge bruine boterhammen en twee thermoskannen koffie. Op tafel staan potten pindakaas en jam. Drie Chinese jongeren communiceren naar elkaar met onmenselijke eetgeluiden en na mijn koffie vlucht ik naar boven om mijn koffer te halen.

“Succes, Vincent. Tot ziens bij Hotel Annemarie”

Hotel AnneMarie is een hostel tegenover het Concertgebouw. Het is vrij oud en lange tijd niet gerenoveerd. Het onbijt is simpel, maar er is een keuken om zelf eten klaar te maken.

Hotel AnneMarie,Jan Willem Brouwstraat 14
Vanaf 17.99 euro

Onder toeziend oog

Dag 80. The Bulldog Hotel

De eerste coffeeshop – Sinds 1975 staat op de gevel. Een kleurige cartoonhond als logo. Dit is niet het hotel. Verderop in de straat zie ik nog een bulldog aan de gevel hangen, dus ik loop door. Dit blijkt een bar, waar ook ontbeten kan worden. Verder op de Oudezijds Voorburgwal nog een verlicht hondlogo. Dit moet het hotel zijn.

In de lobby wordt door iedereen gerookt. Uit het bargedeelte klinkt muziek en geroezemoes. Een houten receptie, glas-in-loodlampen, museumposters, flikkerlichtjes aan het plafond. De stijl van een Amerikaans hotel. Foto’s van gevaarlijke bulldogs aan de muur. Boven de receptionist een bordje: Next moodswing 6 minutes.

“Mag ik je paspoort, als borg voor de sleutel?” Ik stribbel tegen en zeg dat het wettelijk verboden is om een paspoort af te geven. “Zo doen we het hier al vanaf het begin en dat is nog nooit misgegaan. Je krijgt het terug als je de sleutel inlevert. Ook als je naar buiten wilt.” Achter haar staan alle paspoorten van medebewoners in keurige vakjes. Hier is de sleutel. En als je deze gouden kaart laat zien, kom je het hotel binnen. Raak deze niet kwijt. Hier worden eigen regels gemaakt. Binnen de grenzen van Bulldog heerst een eigen rechtssysteem.

De gangen hangen vol met foto’s en tekeningen van artiesten. In de kamer staan tien bedden. De kamer en de badkamer zijn netjes onderhouden. Er zijn twee toiletten en twee douches.

Bij de receptie vraag ik om een slot voor de locker en een handdoek. Ze geeft me een grote roze handdoek en  wijst naar het drankenapparaat. Voor 5 euro koop ik een slotje. Het is druk in de bar. Er wordt gerookt, geblowd, gedronken, gesnookerd en gegeten. Echt rokerig is het niet. Opzwepende muziek. Grote pullen bier. Aan het plafond hangen camera’s. We worden bewaakt. Niemand lijkt de behoefte te voelen om de beschermde hotelomgeving te verlaten en Amsterdam in te gaan. Dit is Amsterdam. Roken, drinken, blowen met vrienden. Aan de muur hangt een bordje: We said NO DRUGS. (But they didn’t listen).

Even op bed liggen. Net als ik mijn ogen sluit komt er een jong meisje binnen. Ze pakt spullen uit haar uitpuilende koffer en stalt alles op bed uit. Alles zit in zakjes en pakjes. Drie kwartier lang is ze haar leven aan het ordenen. Ritsje open, ritsje dicht, locker open, locker dicht, zakje open, zakje dicht. Is het een psychopaat met dwangneuroses? Word ik vannacht opengereten wakker zonder lever? Dwangmatig kamt ze haar haren. Opnieuw wordt de koffer ingepakt. Hij kan nog moeilijker dicht dan eerst. Opnieuw alles uit de koffer. Dit kan ik niet langer verdragen. Ik vlucht de kamer uit. “Wilt u uw paspoort?” vraagt het meisje bij de receptie. Langs een brede uitsmijter verlaat ik het hotel. Naar de echte wereld waar andere regels en wetten gelden.

Uren later. Terug voor de dichte deur van het hotel. Ik bel aan. “Hello?” –  “Ik ben een hotelgast.” – “Hello, what do you want?” –  “I am staying here. I am a guest.” –  “Are you guest and are you staying in the hotel?” – “Yes, I am a guest. Staying in the hotel.” Bulderend gelach achter mij. Er staat inmiddels een rij Engelse jongens die ook het hotel binnenlopen. “Honey, we are home!”

De volgende ochtend gaat onder mij een wekker. Het is 7 uur. Het meisje opent haar koffer en legt alle bezittingen op haar bed. Op dezelfde manier geordend. Dit is de structuur in haar leven. Zo kan ze zelfs in een chaotische stad, in een coffeeshophotel overleven. Binnen 20 seconden pak ik mijn koffer in. Geroutineerd en geruisloos.

Het buffet in de bar is eenvoudig. Als de ontbijttijd verstreken is, is alles binnen een minuut afgeruimd. “Sorry, we have to clean now.” De stoelen gaan op tafel, de bar wordt afgesloten. Dit hotel wordt geleid met discipline.

Het neurotische meisje zit in de lobby, tussen blowende mensen en opzwepende muziek. Alleen. Ik verlaat het hotel en loop langs een nieuwe, kwaad grijnzende striphond. Een winkel met Bulldog-gadgets. Het is een imperium. De gevaarlijke striphond lacht ironisch naar me. Hij heeft alles onder controle.

The Bulldog Hotel is ontstaan vanuit de eerste coffeeshop ter wereld die de eigenaar startte in de oude seksshop van zijn vader. Ondanks de voortdurende problemen met de politie breidde hij zijn imperium uit. Onder meer met een hostel, dat hij in de loop der jaren uitbouwde tot “5-star hostel” met slaapzalen, privékamers met verschillende aantal bedden en luxe-appartementen, gericht op mensen die het uitgaansleven van Amsterdam willen ontdekken. Het hotel is goed onderhouden en wordt strak geregisseerd, zodat onregelmatigheden worden voorkomen.

The Bulldog Hotel, Oudezijds Voorburgwal 220
Bed vanaf 27 euro, kamer vanaf 76,50

Dichtbij een dichter

Dag 72. De Witte Tulp

De Warmoesstraat is chaotisch. Voor de receptie van het hotel staat een aantal mensen te wachten. “What’s your name, please?” Van Dijk. “Oh, je spreekt Nederlands. Ik ook een beetje.” Hij neemt een hap van zijn bord en vertelt er nog iemand op mijn kamer ligt. Een jongen uit Latijns-Amerika. “Het zal niet druk worden, het is een rustige avond.”

In het stapelbed naast mij ligt een jongen met donkerbruine krullen en een driedagenbaard. Hij komt uit Peru en vraagt waar ik vandaan kom. “Amsterdam,” antwoord ik. Een kwartier later vraagt hij waarom ik hier slaap. Hij is zelf schrijver en dichter is en heeft een blog. Hij houdt een boek omhoog over een schrijver die in het Chelsea Hotel woonde en lacht.

Ik maak een foto van het bordje boven het stapelbed. Top #3, Bottom #4. De dichter wijst me op het bordje op de deur. “Fotografeer dit. Meer hoef je niet te schrijven over dit hotel. Dit zegt het allemaal. Soms heb je niet zoveel woorden nodig.”

If somebody is sleeping in your bed
by mistake, please come to the
reception so we can resolve the
problem for you.

Waarom heb ik zelf niet gezien dat dit een gedicht was? Zie ik alleen de platte humor?

De dichter vertelt dat hij vanavond bij veel hotels geweest, maar dit was het enige hotel met een goede prijs-kwaliteitverhouding. “Amsterdam heeft te weinig hotelkamers. Er is een congres,” leg ik uit.  “Iedereen had het over The Conference, maar niemand kan me vertellen wat voor congres het is.” “Misschien is het een congres over congressen, The Conference conference,” zeg ik. “Misschien hebben de hotels het onderling afgesproken en is The Conference gewoon verzonnen. Om de prijzen omhoog te kunnen gooien.” Hij spreekt langzaam en het voelt alsof we elkaar al jaren kennen.

De dichter vraagt of er iets is wat alle hotels in Amsterdam gemeen hebben. Ik antwoord dat de meeste mensen die in hotels werken over het algemeen opvallend aardig zijn. Dat dit bijzonder is in Nederland. “Spreek je veel Nederlands?” “Nauwelijks,” antwoord ik. Voortdurend word ik in het Engels aangesproken. Ook door Nederlanders. Sommige medewerkers spreken helemaal geen Nederlands, er werken veel buitenlanders in de hotels. “Dat verklaart misschien die vriendelijkheid.” Een ironische lach.  

Hij laat me zijn gedichten lezen. In het Spaans. Tijdens het lezen observeer ik hem. Zijn borstkas gaat rustig op en neer. De ogen gesloten. Hij luistert naar muziek. De woorden die hij heeft gesproken klinken na. Het is een fijn gevoel om naast hem te liggen. Hij is de wijze broer die ik nooit heb gehad. Door zijn gedichten te lezen, weet ik wat er in hem omgaat. Praten is overbodig.

Als we bijna slapen komt er een groep Spaanse meisjes en jongens binnen. Ze leggen hun tassen op de bedden en verdwijnen weer. De kamer is weer van ons.

’s Morgens vroeg gaat mijn wekker. Mijn broer slaapt nog, net als alle Spanjaarden. Heel stil ga ik douchen en pak ik mijn koffer in. Nooit zal ik hem terugzien, mijn vriend voor een avond. Als  ik wegloop opent hij zijn ogen. Ik geef hem een hand. “Give me your e-mail address,” fluistert hij.

De Witte Tulp is een budgethotel/hostel met slaapzalen in een drukke en lawaaiige straat. Het trekt met name groepen jonge toeristen. Onder het hotel is een Ierse pub gevestigd waar ook gegeten kan worden. Hotelgasten krijgen hier korting. Het hotel is redelijk schoon en heeft gratis internet.

De Witte Tulp, Warmoesstraat 87
Vanaf 30 euro per bed

Op de Wallen

Dag 57. Heart of Amsterdam

De Wallen zijn gevuld met toeristen. Mannen met de hand in hun broekzak. Op jacht. Een jongen klopt op een roodverlicht raam. De deur zwaait open: “Zie je niet dat ik bezig ben?” Naast Casa Rosso staat mijn hotel. Dit is dus het kloppend hart van Amsterdam? Naast de coffeeshops is dit het deel van Amsterdam dat de hele wereld kent. Kleine steegjes met hoeren, roodverlichte grachten met seksshows. Mannen en vrouwen uit de hele wereld die zich vergapen aan al het kwetsbare naakt achter de ruiten.

Een heroïneverslaafde man komt op me af. “Where are you from, chap?” Een Brits accent. “From here!” “Lul, je bent gewoon Nederlands.” Plat Amsterdams. “Geeft niet, hoor. Je bent van harte welkom. Welk hotel zoek je?” Ik wijs naar de overkant. “Dat is een fijn hotel. Heb je wat geld? Ik jat niet, ik ben een sympathieke verslaafde.” Mijn kleingeld is voor hem. “Eindelijk een aardige gozer. Geluk!”

‘Room box office’ staat op de receptie. Erachter zit een enthousiaste jongen. Hij is met vijf mensen tegelijk bezig, maar geeft het idee dat iedereen zijn onverdeelde aandacht heeft. Hij knipoogt lachend naar me. Aan de muur hangen theatrale gordijnen. Een goudomrande boog. Dit is een filmtheater. Aan de andere muur een levensgrote foto van een rode-lopermoment met flitsende camera’. De trap op. Alle deuren hebben een film als thema.

Naar buiten, de Wallen op. Alle vrouwen achter de ramen kijken me aan. Ik moet denken aan de nacht in Madrid, dat ik per ongeluk een hotelkamer in de hoerenbuurt had geboekt. Op het bed lagen alleen een onderlaken, een handdoek en een condoom. De hele nacht gestommel, slaande deuren, schreeuwende mensen. Gehijg en ritmisch gebonk.

Een stelletje loopt uit een pornoshow. Hand-in-hand. Nieuwsgierig loop ik een seksbioscoop binnen. Een steile trap. Gekreun. Als ik de zaaldeur open, kijkt een man op. De broek op zijn knieën. Het ruikt er naar zweet en sperma. Ik ga een nog steilere trap omhoog. Ik houd de leuning stevig vast. Hier wil ik niet doodgaan. “Dus dat deed hij altijd in zijn vrije tijd,” zal iedereen zeggen. “Hier vond hij zijn liefde.” Hoongelach. Een lege zaal met achterin wat stoelen. Twee mannen met de hand in elkaars kruis. Proppen papier op de grond. Hier vind ik geen liefde. Snel naar buiten. Frisse lucht.

Weg van de knipperende neonverlichting, de elkaar verdringende toeristen, de wietlucht uit de cafés, de lonkende vrouwen en schreeuwende mannen. Terug naar de normale wereld. Ik loop naar Tuschinsky en bekijk een overgestileerde film met echte liefde als thema. A Single Man. Surrealistische schoonheid. Langzaam wordt de wereld weer normaal. Zal ik ooit echte liefde vinden?

Terug op de Wallen kan ik het allemaal beter verdragen. Door al het goedkope vertier heen zie ik opeens de schoonheid van de stad. Het is rustig in het hotel. Iedereen is buiten, op zoek naar vermaak. De rode muren van de kamer, de grote foto’s, het licht. Alles is mooi. Moet je eerst de onderkant van het leven zien om schoonheid te waarderen? Of komt het door de film dat mijn geest gezuiverd is? Een lange douche.

Het is vroeg. Vanuit mijn kamer bekijk ik de Oudezijds Achterburgwal. De gracht is leeg. Beneden in het hotel is het ook leeg. In de bioscoopentree staat een kan met koffie, een eierschaal, een bak met jam en pindakaas en het plateau kaas en ham. De gasten komen de trap af met zonnebrillen op. Filmsterren. Verbergen ze hun wallen of kunnen ze de schoonheid niet verdragen?

The Heart of Amsterdam is een betaalbaar hotel en hostel met tweepersoonskamers en slaapzalen. De eigenaars doen er alles aan om het verblijf comfortabel te maken met in de slaapzalen kluizen, bij elk bed een eigen stopcontact, twee handdoeken, een centrale verlichting, zodat de vooral jonge toeristen gemakkelijk hun bed kunnen vinden in het holst van de nacht. Het centrale thema is film en er kunnen dan ook DVD’s worden gehuurd.

The Heart of Amsterdam, Ouderzijds Achterburgwal 118-120
Vanaf 15 euro per bed