In de Haarlemmerstraat zit een zwerver op het trapje van een portiek. Hij groet vrolijk en proost met zijn blikje bier.
Naast de deur van het hotel hangt een bordje met één ster. Bovenaan de lange trap staat de receptionist blauwe handdoeken te vouwen.
“Goedenavond. Ik heb een vierpersoonskamer voor u,” zegt hij met een onbekend accent.
“Wat leuk, dan kan ik vrienden uitnodigen.”
“Nee, de kamer is alleen voor u,” spreekt hij streng. “Wilt u een handdoek?”
Hij pakt een witte uit de kast. Hij ziet me kijken naar het kaarsvet dat op de handdoek zit. “Wacht, u krijgt een andere. Sorry.” Op de receptie staat een aantal flessen frisdrank met prijzen erbij. Sommige zijn verkleurd. KITKAT, TWIX, SNIKERS.
“Kan ik verder nog iets voor u doen?” vraagt de receptionist. “De kamer is boven, de douche is er tegenover.”
Op de bruine minibar zit een sticker van hotel Mercure. Twee stalen stapelbedden op een bruine tegelvloer. De poten zijn kromgetrokken. Op de bedden liggen alleen dekens, geen lakens. Ik haal een laken van een ander bed, maak het bed op en ga liggen. Voor het eerst in dit jaar vraag ik me af waar het woord ‘hotel’ vandaan komt. Al die maanden heb ik het vanzelfsprekend gevonden dat ik elke avond een gebouw binnenga waar het bord ‘hotel’ op de gevel hangt. Hotel. Het is vreemd dat er op een hotelgevel ‘hotel’ staat en op een huis geen ‘huis’.
De kussens hebben allemaal verschillende slopen. Op eentje staat WELTERUSTEN. Voor de open kast hangt een blauwe doek uit het Midden-Oosten. Ik sta op en zet de laptop op het bureau. Zoals elke avond ga ik achter mijn laptop zitten en denk ik aan de nacht ervoor. Maar de kamer en het licht zijn te koud om te kunnen schrijven. Ik pak mijn Dell en ga op weg naar een kroeg in de buurt.
“Is alles naar wens?” vraagt de receptionist. “Jahoor,” antwoord ik. “Als er wat is wat we voor u kunnen doen, dan horen we het wel, toch?” Ik knik lachend en ga naar beneden.
“U hoeft nog niet weg, hoor,” zegt het meisje als het hele café al leeg is en zij de tafels schoonmaakt, maar ik wil naar huis. Mijn huis waar ‘hotel’ op de gevel staat.
Automatisch word ik wakker voor het ontbijt, maar er is geen ontbijt. Ik kan uitslapen. Schimmen bewegen langs het glazen vierkant in de kamerdeur. Ze komen voor de douche. Elke tien minuten een nieuwe schim. Soms rammelt een schim aan de deur van de douche en loopt mopperend verder. Twee uren gaan voorbij. Uit de kamer naast mij komen kreunende geluiden van een vrouw. Hoorbaar komt ze klaar. Ik geniet van mijn te harde bed.
Het haar van de man in de spiegel is te lang en hij moet zich al dagenlang scheren. Iets nieuws aantrekken. Waarom verwaarloost hij zichzelf? Omdat hij geen vaste thuisbasis meer heeft? Door de gedeelde badkamers in de vorige hotels? Door zijn volle agenda?
“Je begint er ook uit te zien als een zwerver,” zei een collega die dag tegen me. “Je moet je wel verzorgen. Je hebt een baard.” Ik pak mijn scheermes en scheer me, knip mijn nagels. Met doucheschuim uit een luxe hotel ga ik naar de douche op het moment dat iemand naar buiten gaat. Aan beide kanten van de gang staan twee jonge jongens in boxershort die net te laat zijn. Ze groeten. De douchekop spuit de haren van de vloer. Dan spoel ik mezelf schoon. De handdoek ruikt als een scheikundig laboratorium.
Beneden de hal staat een man. “Key,” zegt hij en hij pakt de sleutel uit mijn hand. De man achter de receptie vraagt: “En, was het goed?” Hij kijkt vragend alsof hij een klachtenregen verwacht. “Ja, het was geweldig,” zeg ik oprecht. “Ik ben schoon en uitgerust.”
De zwerver zit nu op de Prins Hendrikkade. Naast hem staat een blikje bier. Hij glimlacht tegen de zon en ziet me niet. Meer zorgen dan het vinden van een nieuwe slaapplaats voor die nacht en het geld verzamelen voor een blikje bier heeft hij niet. Dat is vrijheid.
In de volle trein naar Schiphol.
Hotel Schröder is een basic hotel met 1 ster, zonder ontbijt. De kamers zijn eenvoudig ingericht. Een douche wordt gedeeld met verschillende kamers, wat leidt tot filevorming.
Hotel Schröder, Haarlemmerstraat 48-B
Vanaf 45 euro

