In het donker

Hotel EMB Memphis

De pijn in de rug en in het hoofd zijn ondraaglijk. Het is zaterdagavond laat en ik heb nog geen hotel. Groepen mensen gaan over de straten als kuddes wilde dieren op de vlucht. Nederlanders en toeristen. Ze zien me niet en struikelen over de koffer. Boze blikken. Ik ga met mijn hoofd tegen een gebouw staan. De koelte van de stenen werkt verzachtend.

Ik passeer een verzorgingstehuis. Zal ik binnengaan en me laten verplegen? Op een bed gaan liggen en me overgeven aan het personeel. Me laten wassen, voeden en aaien? Het hospitaal als het ultieme hotel. Ik zie mezelf als kind in het ziekenhuis liggen, na een val in het donker. Bijkomend van bewusteloosheid en tijdelijke blindheid. De voortdurende misselijkheid en pijn. Desondanks waardeerde ik de aandacht.

Met de tram naar Amsterdam Zuid. “De grote zaal komt naar buiten en er moet een heel bejaardenhuis naar binnen, dus schuif een beetje op,” zegt de tramchauffeur als we langs het Concertgebouw rijden. Met mijn koffer worstel ik naar buiten, door de trage massa naar een viersterrenhotel verderop. Hier moet een slaapplaats voor mij zijn. Al was het maar een vloer waar ik op kan liggen.

Het vierkante hoekpand is overwoekerd door klimop. De luifel steekt uit, zodat gasten droog van de taxi naar de deur van het hotel kunnen lopen. Een reddingsboei die me uit de donkere nacht trekt. Het naambord op de luifel lijkt dat van een ziekenhuis. Snel, een bed.

“Ja, we hebben nog een bed. Maar dan moet je wel de kamer erbij nemen,” zegt de Amsterdamse nachtreceptionist lachend.

“’s Nachts werken is zoveel leuker dan overdag,” zegt hij. “Dan maak je dingen mee die bij daglicht niet gebeuren.
Er komen drie mensen van beneden. Een strakke blik in hun ogen. “Kunt u een taxi bellen?” probeert de man te zeggen.
“Het meest bizarre wat hier af en toe gebeurt, maar dat gebeurt in alle hotels, is dat mensen coke gebruiken op hun kamer en vervolgens de hele kamer onder schijten, om het maar eens in netjes Nederlands te zeggen. Stront en bloed tegen de muren, overal.”
Natuurlijk wordt er in dit viersterrenhotel in Amsterdam-Zuid niet geblowd, maar worden er echte drugs gebruikt.

“We hebben drie hotels in Amsterdam en nog een soort verpleeghotel in Alkmaar. Voor bejaarden en zieken en zo. Daar kun je ook nog heengaan. Weet je wat, ik vind je een leuke gast, ik geef je een lekker tweepersoonsbed, in plaats van een single.”

Het licht gaat niet aan met de hoofdschakelaar. In het donker zoek ik een ander lichtpunt, maar dat is er niet. Als een inbreker op zijn eerste werkdag beweeg ik door de kamer. In het donker ga ik op het bed liggen. Stel voor dat deze kamer bezet was en iemand wakker naast me wakker schrikt. Voorzichtig spreid ik mijn armen en benen als een kruis.

De rugpijn wordt langzaam opgezogen door de matras. Er ligt alleen nog een kloppend hoofd. Een door vocht opgezwollen bloemkool die niet langer in de hersenpan past en de deksel omhoog probeert te drukken. Opeens mis ik mijn kat, die als enige ter wereld aanvoelde als ik ergens pijn had en precies op die plek ging liggen, als een harig drukverband. Ik bel de vriend die voor haar zorgt. “Nee, het gaat echt niet goed met me. Niet omdat je poes is weggelopen, hoor. Daar ben ik al lang overheen.” Even blijft het stil. “Grapje. Het gaat heel goed met haar. We krijgen echt een band.”

Alcohol. Ik heb alcohol nodig om de bloedvaten te verwijden. Schuifelend naar beneden. Het is donker en ijskoud in de bar.
“Sorry, de bar gaat om 11 uur dicht,” zegt de receptionist, maar hij voelt aan dat het een noodgeval is. “Als je nog wat wilt drinken, dan kan dat wel, hoor. Hij doet de lampen van de bar aan en pakt drie flessen rode wijn. “Welke wil je? Deze krijg je van mij.”

Terug naar de donkere kamer. De deur klapt dicht, maar net op tijd red ik het glas. De wijn klotst. Ik vind een schakelaar van een staande lamp. Gelukkig zijn de vloerbedekking en de bedloper rood en zit de wijn voor het grootste deel nog in het glas.

Ik wil een douche nemen, maar krijg de kraan niet aan. Vanavond is alles ingewikkeld. Dan maar slapen. Binnen enkele seconden ben ik bewusteloos.

Hotel EMB Memphis heeft 74 kamers en ligt vlakbij de RAI en het Concertgebouw. Het viersterrenhotel heeft een bar, een restaurant, gratis draadloos internet en keuze uit ontbijt op bed, een ontbijtbuffet en een ontbijt ‘to go’. De kamers zijn netjes en schoon.

Memphis EMB Hotel, De Lairessestraat 87
Vanaf 79 euro, exclusief ontbijt

In een veste

Hotel Heemskerk

Dit was het hotel waar ik weken geleden ’s avonds laat voor een gesloten deur stond. De telefoon was doorgeschakeld naar de eigenaar die op een feestje was. Het Amsterdamse-Schoolgebouw bleek een onneembare veste. Weer regent het en weer is het koud. Het wordt toch niet weer een avond door de stad zwalken? Migraine splijt mijn hersenhelften. Ik moet rusten in een donkere kamer. Geluiden, geuren, mensen, alles is dodelijk. Achter de deur zie ik gelukkig de contouren van een jongen.

“Ik zag je al aankomen. Was net bezig om je sleutel in dit kluisje te doen. De code heb je via email ontvangen. Dit systeem is net nieuw. Nu kunnen gasten de hele avond inchecken, ook als wij er niet zijn.” Hij ziet er vermoeid uit. Ingevallen ogen, een grijze huid.

“Het runnen van een hotel is zo enorm zwaar,” zegt hij, als ik net binnen ben. “Je moet hier elke dag aanwezig zijn. Met maar 9 kamers kunnen we niet iemand in dienst nemen. De laatste tijd wordt het me echt veel te veel. We hadden hier een meisje, maar zij heeft zich psychisch ziek gemeld. Ze ging me op een gegeven moment stalken en dat is helemaal uit de hand gelopen. Daar is nu een advocaat mee bezig, maar dat kost me klauwen met geld. Ja, dat heeft me echt gesloopt. Ik was 66 kilo!”

“En ik heb een Italiaanse vriendin die het helemaal niets vindt dat ik dag en nacht bezig ben met dit hotel. Het liefst wil ze dat ik meega naar Italië. We wonen hier in het hotel en als je hier dan bent, dan is er altijd wel wat te doen. Nu met het nieuwe inchecksysteem, een idee van haar, kunnen we eindelijk ’s avonds weg. We gaan straks eten in een Italiaans restaurant. Dan kan ik het ook wel even loslaten. Als er dan brand uitbreekt, dan is er de brandweer. Zij kunnen beter blussen dan ik en dan betaal ik die honderden euro’s per maand tenminste ook niet voor niks.”

“Om dit hotel te kunnen runnen zouden we eigenlijk moeten uitbreiden, maar probeer in deze tijd maar eens een bank mee te krijgen. Nee, verkopen is het enige wat ons rest. Het is niet te doen, zo’n hotel. Het met mensen omgaan vind ik erg leuk, hoor en ik heb het ook altijd met veel liefde gedaan. Het is me met de paplepel ingegoten. Mijn ouders hebben dit pand in 1970 gekocht. Het was een kamerverhuurbedrijf. Sommige mensen woonden hier al 25 jaar. Het was een enorme bende, met bed bugs en zo. Zij hebben er een hotel van gemaakt. Toen ik het overnam heb ik eerst tien jaar verbouwd. Alles weer teruggebracht in de oude staat, Art Deco. Al mijn liefde heb ik erin gestopt. Het is een wonder dat dit geen monument is en een modern gebouw als het Hilton wel. Dit is Amsterdamse School. Kijk naar al die prachtige details.” Even ontspant zijn gezicht en is er een kleine fonkeling in zijn doffe ogen.

“Nee, mijn vriendin wil hier weg en ik heb geen zin om weer een relatie op de klippen te laten lopen door dit hotel. En er zijn nog zoveel dingen in het leven die ik ook zou kunnen doen. Door Italië rijden op een motor.” Hij kijkt naar de koffer. “Sorry, vroeger had ik je koffer naar boven gebracht, maar dat mag ook niet meer van mijn vriendin. Mijn hele rug is kapot.” Op zijn gezicht wisselen woede en verdriet elkaar af. “Het ontbijt is morgen tot 12 uur,” herstelt hij zichzelf.

De kamer is klein, maar met zorg ingericht. Goudmotieven op het behang, een groen bibliotheeklampje, een kussen met koninklijk embleem, een minibar. Een plant in de vensterbank. Ik ga liggen op het comfortabele eenpersoonsbed onder het zachte dekbed. Mijn hoofd staat op ontploffen. Het licht flitst door mijn ogen. Ik doe de lampen uit, maar de druk op mijn schedel neemt steeds verder toe. Het voelt veilig in dit bakstenen bastion. Buiten raast de wereld verder, hier heerst rust. De pijn maakt plaats voor het grote niets tot gillende kinderen me wekken.

“Je bent laat,” zegt de eigenaar vrolijk als ik om 11 uur naar beneden kom. Zijn depressieve bui heeft plaatsgemaakt voor gastvrijheid.
“Wil je nog ontbijten? Er zijn nog wat croissants en er is nog wat fruitsalade.”

Een Italiaans meisje komt de ontbijtzaal binnen. Een opvallende verschijning in een kort jurkje van roodglanzende zijde.
“Do you want espresso or Dutch coffee?” Ze is positief verbaasd als ik voor de espresso kies.

De postbode belt aan. “Wat ziet u er chique uit. Gaat u trouwen?” zegt hij tegen de Italiaanse vrouw. Ze verstaat hem niet, lacht en komt bij me staan.
“I studied television science. I don’t like hotels. I don’t know anything about it. Some people like to serve people and are very patient. They are born to work in a hotel. I hate people in general, only intelligent and interesting people I can stand. I learned so much psychology in this hotel. All those different people.”

Als ik uitcheck zegt de eigenaar. “Nee, ik doe niet mee aan dat hotelproject van je. Ik ga er toch mee stoppen. Maar het ontbijt, dat krijg je van mij.”

Hotel Heemskerk is een kleinschalig hotel met 9, binnenkort 10 kamers, naast het Concertgebouw in Art Deco- en de Amsterdamse School-stijl, met smaakvolle kamers en een uitgebreid ontbijtbuffet.

Hotel Heemskerk, Jan Willem Brouwersstraat 25
Vanaf 75 euro (exclusief ontbijt)

Zonder een hotel

Hotel Heemskerk

Achter de kleine ramen van Hotel Heemskerk hangen geprinte A4-tjes. Het hotel bestaat dit jaar 40 jaar. Het gebouw is van de Amsterdamse School. Op de deur hangt een eveneens geprint papier: No information for Hotel Inner, een hotel in de buurt.

Er hangen vijf deurbellen. Telkens druk ik op een andere bel. Een orgel zonder geluid. Geen reactie, dus eerst maar eten. Daarna probeer ik opnieuw aan te bellen, maar niemand doet open. Nooit eerder heb ik voor een hotel gestaan, zonder naar binnen te kunnen. Van buiten lijkt het gebouw opeens een onneembare veste. Er lijkt niemand binnen te zijn.

Op zoek naar het telefoonnummer. Op de website van het hotel staat Hier leert u de ware betekenis van gastvrijheid kennen. Een voorovergebogen voorbijganger schrikt van mijn gelach uit de portiek.
“Norman Heemskerk.” Het is de eigenaar. Op de achtergrond klinken borrelgeluiden. “Ja, ik kan nu niet naar het hotel komen om open te doen, maar ik heb ook helemaal geen kamer voor je. Was in alle haast het reserveringssysteem vergeten te sluiten, dus nu zitten we vol. Er is een fout gemaakt maar die kunnen we nu niet oplossen, want ik ben op een feestje. Succes.”

Het is bijna 12 uur ’s nachts en het regent. Het is vrijdagavond en alle hotels zitten vol. Lopend van Amsterdam-Zuid naar het Centraal Station. Overal bordjes: FULL en NO ROOMS.

Een hotel binnen in de Damstraat, al was het maar om even te schuilen. “Nee, wij hebben geen kamers, maar hoeveel geld wil je uitgeven, dan ga ik even bellen.” De receptionist pakt een stapel visitekaartjes met notities. “Ik ken wel andere hotels en mensen die appartementen verhuren.”

Er komt een groep van 5 Spanjaarden binnen. “Just wait, I will arrange an appartment for you.” Hij belt een vriend in het Arabisch, pakt een papiertje en schrijft op: 600 euro. “They wanted 600 euros for 2 nights.”Hij streept de 600 door en schrijft er 500 onder. “But I arranged that you pay 500, because you are students.” De jongens reageren dankbaar.  Even later komt de vriend naar het hotel om de groep te halen en gaat de receptionist verder met mij. De scheidingslijn tussen gastvrijheid en commercie leek niet eerder zo dun.

Een nieuwe man komt binnen. “Do you have a room?”
“You are single, he is single and you are both nice guys. You’d better share a room. That’s cheaper.” De nieuwe man kijkt me verbaasd aan. Hij is met stomheid geslagen.
“Leave your luggage here, go out and I will arrange something for you,” zegt de receptionist tegen ons. Ik bedank hem voor zijn moeite verlaat het hotel. “No problem, come back later, my friend. We will arrange a room for you,” roept hij me na.

Opnieuw de regen in. Mijn telefoon is leeg. Ik bel aan bij een vijfsterrenhotel om hem even op te laden.
“Sorry, we can’t let you in. Guests only.” Ik leg uit dat ik dakloos ben en dat het nat is buiten, maar de glazen deuren blijven dicht.

Zonder hoge verwachtingen

Hotel BEMA

“Concertgebouwplein nummer 2 of 6?” vraagt de taxichauffeur.
“Nummer 19B,” antwoord ik. “Een hotel.”
“Okay, dat kan ook.” Hij stopt voor de deur en wijst naar het bordje op de gevel. “Eén ster. Dat is net ietsje beter dan een jeugdherberg,” lacht hij. De gele letters BEMA op de deur van het statige gebouw zien er goedkoop uit.

De deur gaat open. Een lange trap doemt op. Elke trede wordt de koffer zwaarder. In de hal staan rode bioscoopstoelen tegen de wand. In de keuken hangt een bordje: Breakfast from 8.30 – 9. 30h.
De deur naar de receptie is open. Achter een bureautje zit een Oost-Europees meisje. “Good afternoon. Please take a seat.” Ze wijst op de bank midden in de ruime woonkamer en legt een formulier klaar. Aan de muur hangen geweven kleden. Op de schouw staat een grote spiegel.
“Would you like coffee or tea for breakfast? We bring the breakfast to your room between 8.30 and 9.00.” Ik kijk haar verbaasd aan.
In haar handen houdt ze een denkbeeldig dienblad, waarop ze onzichtbare kopjes probeert recht te houden. “We can’t let you carry your own tray on the steep stairs, so we do it for you.” Ze lacht. Ze gaat er vanuit dat het normaal is dat hotels het ontbijt op de kamer serveren.
“This is the key for room 1.” Ze overhandigt hem zorgvuldig alsof het een kostbaar geschenk is. “The room is on the second floor, so one more flight to go.” Ze kijkt meewarig naar de koffer.

Op de deur staat Kamer 1 in krulletters. De kamer is extreem hoog. Een behang met donker krulmotief, een oude houten kast. Er staat twee zachte bedden met een plissérokje aan de onderkant. Op de nachtkastjes staan twee zwarte lampjes, aan het plafond hangt een kleine kroonluchter. In het midden staat een met linnen gedekte tafel met twee stoelen. Erop een bordje met drankjes, broodjes en enkele pasta-gerechten. Deze kamer doet denken aan een Frans kasteel. Dit hotel kan toch niet maar één ster hebben?

Met een vriend ga ik naar een theatervoorstelling. “Ja, ik ging zonder enkele verwachting naar dit theaterstuk,” zegt hij. “Dat is veel beter, want dan kan het nooit tegenvallen.” Opeens zie ik de ster voor me op de gevel van het hotel. “Briljant,” zeg ik. “Je hangt maar 1 ster op de gevel, om de verwachtingen te temmen, dan kan het nooit tegenvallen. Het draait allemaal om verwachtingsmanagement.”
“Zelfs in een theater denk jij alleen maar aan hotels,” acteert hij. “Hotels, hotels, hotels. Alsof er niets anders meer is in het leven.” Een vrouw  draait zich om. “Ben jij niet die jongen van die hotels?”

In de receptiekamer zit de nachtportier. “Mag ik wat drinken?”
Hij loopt naar de keuken en pakt een blikje uit de koelkast. Op het aanrecht in de keuken staan dienbladen met bordjes, kopjes en glazen klaar voor het ontbijt.

Om 8.30 uur wordt op de deur geklopt. “Breakfast.” Achter de deur staat de lange nachtportier met een dienblad in zijn handen. Hij zet het op de tafel. Een rekje met geroosterd brood, een eitje, een kannetje koffie, een glas jus d’orange, ham, kaas, jam, boter. Op de achtergrond het ochtendnieuws. Wat een luxe. Nooit ontbijt ik op de kamer, omdat bij het ontbijt duidelijk wordt welke gasten er in een hotel zitten. Zij bepalen voor een deel de sfeer. Opeens realiseer ik me dat ik nog helemaal niemand ben tegengekomen. Een golf van eenzaamheid.

Er is geen handdoek. Als deze in de houten kast ligt dan is het bewijs rond. Dan is dit niet een hotel met 1 ster. In de kast ligt een stapel grote en kleine handdoeken. Ik sla een om en loop naar de badkamer. Misschien kom ik hier andere gasten tegen? In de hoge ruimte zijn drie douchehokjes. In een hokje ligt een stapel oude schilderijen. De andere twee ruiken naar schoonmaakmiddel. De douches zijn leeg; geen enkel spoor van anderen.

Ik bestel een taxi. Vijftien seconden later gaat de deurbel. “Haha, zo snel had je niet verwacht, hè? mijn collega’s moesten lachen. Het leek wel een grap. Opeens verschijnt Concertgebouwplein nummer 19B op mijn scherm. Ik zeg: dat is aan de overkant.” Aan de andere kant van de straat is een grote taxistandplaats.

En was het wat, hotel BEMA?”
“Boven verwachting,” zeg ik. “Boven verwachting.”

Hotel BEMA is een budgethotel met goed onderhouden kamers en een klassieke sfeer. De kamers zijn groot. Het ontbijt wordt op de kamer geserveerd en er zijn ook verschillende dranken en snacks te krijgen.

Hotel BEMA, Concertgebouwplein 19B
Vanaf 40 euro

In totale onzichtbaarheid

Hotel Bronckhorst

Voor de tramhalte staan twee daklozen. “Mag drie dagen hier niet slapen, “ zegt de lange man met dode ogen. Hij wijst naar het grote pand van het Leger des Heils waar daklozen en verslaafden worden opgevangen dat veel weg heeft van een Grand Hotel. De kleine man heeft een nieuwe fiets in zijn hand, zonder slot. Hij noemt een aantal alternatieve slaapplekken. Eigenlijk zou ik hier moeten slapen om te horen hoe het is om echt dakloos te zijn.

De straat erachter staat vol Amsterdamse woningen. Het lijkt een woonhuis, maar aan weerszijden staan twee verlichte boompjes in potten. Volgens de nummering moet het hier zijn. Huisnummers hebben altijd gelijk. Op de deur hangt een geprint A4-tje met de naam van het hotel. Ik bel aan. Aan de andere kant van de glazen deur staat een man, een hotelgast. Hij staart me aan, maar komt niet op het idee om de deur open te doen.  Na enkele minuten doet een Chinese vrouw open.

“Hier is uw sleutel. Kamer 506.” Ik loop naar de lift en ben het kamernummer meteen vergeten. Het staat niet op de kaart. De kamernummers van de afgelopen drie dagen lopen door mijn hoofd. “Welk nummer was het?” De vrouw herhaalt het nummer zonder op te kijken van haar computer. 506.

De kamer heeft een gekke vorm, maar ziet er nieuw uit. Alsof hij net uit de verpakking komt. Uitzicht op een bakstenen muur met kleine raampjes. De daklozen kunnen niet naar binnen kijken en zich vergapen aan de luxe van een zacht en schoon bed. De badkamer oogt ook ongebruikt. Op de zeep- en shampooverdelers staat een Engelse en Chinese tekst. Op de badmat is de naam van het hotel geborduurd. Waarom wel op de badmat, maar niet op de gevel?

De internetverbinding werkt niet. Volgens een andere gast is er een internetverbinding in de ontbijtzaal, beneden in de kelder. Op de deur hangt een geprint papier met Internet Room / Breakfast. De ruimte is donker. In de hoek staan twee paar sandalen en een tas. Is dit de personeelsruimte? Dan maar buiten het hotel om contact te maken met de buitenwereld. Nu zitten er een man en een vrouw achter de kleine receptie. Ze kijken gebiologeerd naar het computerscherm en praten niet. Ik groet tweemaal, maar ben onzichtbaar. Ze reageren niet.

Misschien is het negeren van gasten een vorm van beleefdheid. Alsof ze willen zeggen: het maakt ons niet uit hoe u binnenkomt, met wie u binnenkomt of wanneer u binnenkomt. En of u binnenkomt. Ik ben opgegroeid met het feit dat negeren het tegenovergestelde van liefde is, maar misschien is dit juist wel liefde. Of respect. Zoals een butler nooit laat merken dat hij een conversatie volgt. Hij doet zijn best onzichtbaar te zijn en te dienen, om de huiselijkheid niet in de weg te staan. In een huis zit immers ook niemand in de gang achter de voordeur die groet.

In een café aan de andere kant van de straat ga ik zitten werken met een glas wijn en een bord pasta. Verstopt in een donkere hoek. Er komt een jongen naar me toe: “Ik las het. Van de bedbeestjes. Wat smerig. Zit je echt helemaal onder de uitslag?” Het meisje naast me legt haar bitterbal terug.
Terug naar het hotel, naar de anonimiteit. De deur staat open. Er zit een nieuwe man achter de receptie. Ook hij kijkt alsof hij is gehypnotiseerd naar het beeldscherm en doet net of hij niet ziet dat ik binnenkom.

Het is moeilijk om het zachte bed te verlaten. Met de lift ga ik naar de ontbijtzaal. Hier is niemand. Er staan nog steeds twee paar schoenen en een tas. Op een tafel ligt een lijst met kamernummers. Achter één kamer staat een streepje. Ik besluit om het ontbijt over te slaan en check uit.
De vrouw lacht vriendelijk. Ze hoeft niet langer te doen of ik niet besta, want ik verlaat het hotel. “U heeft ontbeten?” vraagt ze. Ik ontken.
“Maar achter uw kamernummer staat een streepje. Ik ontken stellig. “Okay. Tot ziens, dan.” En ze draait haar gezicht naar de computer.

Hotel Bronckhorst is een nieuw driesterrenhotel met 37 kamers, dat recent is geopend. Het is modern ingericht met zachte bedden. Het ligt in een rustige straat in Oud-Zuid.

Hotel Bronckhorst, Bronckhorststraat 14
Vanaf 55 euro

Bij een schrijver

Hotel Omega

De deur gaat open. In de hoge hal hangt een kroonluchter. In de entree staan groene banken uit de jaren ’80. De bar is versierd in Art Deco-stijl. Er hangt een bord met de mysterieuze tekst Omegaden en een aantal Chinese tekens. Het is stil.

“Ja, ik had je mail voorbij zien komen, maar het is erg druk. Wat kwam je hier nou precies doen?” De receptionist spreekt gehaast met een Amsterdams accent.  “Je schrijft over hotels? Literatuur of een hotelgids? Dit hotel is een verhaal apart. In de drie jaar dat ik hier werk, heb ik het achteruit zien gaan.” Zijn hand maakt een noodlanding.

”De vorige eigenaresse van dit hotel is naar Texel gegaan en heeft het hotel verkocht, nouja, de goodwill, want het is pacht. Net voor de recessie, dus het was eigenlijk niets waard. Een kat in de zak. “Hij denkt na over zijn woorden, alsof hij uit een andere realiteit moet komen. ”Er wordt hier dus niets verdiend, en alles mag dus ook niets kosten. Investeringen worden niet gedaan. Vroeger was het een boutiquehotel. Als je goed kijkt, nee, als je heel goed kijkt, dan zie je dat ook wel. Er stonden hier van die prachtige verweerde Chesterfields, maar dat vonden de nieuwe eigenaars niets. Nu zie je van die mintgroene bankstellen staan. Dat is meer hun smaak.”

De eigenaars hebben ook nog een restaurant in Beverwijk, de zoon doet dit hotel. Het zijn aardige mensen, hoor, maar ze willen gewoon een ding en dat is geld verdienen. Het gaat niet om het contact met de mensen. Ze zorgen er alleen voor dat het hotel wordt schoongemaakt. Nouja, meestal dan. Op internet verschijnen dan ook regelmatig negatieve recensies, maar het is net zo gemakkelijk om daar een positieve recensie onder te zetten. En dat doen ze natuurlijk ook, zoals al die hotels. Jij weet natuurlijk hoe dat gaat.” Zijn ogen kijken triest. “Hier is je sleutelkaart.”

“Ik ben een van de laatste Amsterdammers die dit werk nog doen. In al die hotels worden Roemenen, Serviërs en zo aangenomen, want die zijn veel gemakkelijker onder de duim te houden. Nederlanders gaan op een gegeven moment eisen stellen. Ze willen mensen die het voor het geld doen, en niet zeuren. Ik probeer hier nog dingen goed te doen, samen met een collega van me die hier ook al heel lang werkt. Die heeft natuurlijk een contract waar ze niet zomaar onderuit kunnen. Het gaat om geld verdienen, niets anders. Dit zijn mensen die de Grote Revolutie van Mao hebben meegemaakt. Dat was een verschrikkelijke tijd. Ze willen nu alleen nog maar geld verdienen. Werken is het enige wat ze doen. Als ze niet werken, dan worden ze gek. Het zijn op zich erg aardige mensen. Ze begrijpen onze manier van met elkaar omgaan alleen niet. Had ik je de sleutel nu al gegeven?” Hij graait in de papieren.

Er komt een oude Russische vrouw binnen. Ze maakt cartooneske maalgebaren en herhaalt telkens Russische woorden. Dan kijkt ze omhoog en zingt ze Happy Birthday. De enige twee Engelse woorden die ze kent. De receptionist haalt zijn schouders op. Hij snapt haar niet. “Ze is jarig en wil bestek om een taartje te kunnen eten,” vertaal ik. Ze straalt als een jong meisje, als ze met het bestek de lift in stapt.

“Ik ben eigenlijk schrijver en doe dit erbij om dat te kunnen bekostigen, maar dit vreet eigenlijk teveel energie. Dan is dit weer kapot, dan dat weer. En al die dingen die fout gaan, ik kom bijna niet meer aan schrijven toe. Hiervoor heb ik ook bij een hotel van Chinese eigenaars gewerkt: Hotel Cordial. Wat ik daar allemaal heb meegemaakt, daar zou ik ook een boek over kunnen schrijven. Een enorme lekkage, maar de kamer werd gewoon verhuurd voor 90 euro. “Schuif het bed gewoon maar een beetje op,” zei de eigenaar dan. “Ik werkte hier vier dagen in de week, maar dat trek ik niet meer. Nu nog maar twee dagen, anders komt dat boek er nooit.”

Hij bekijkt mijn website. “Ach, het interesseert de eigenaars ook niet echt wat je over hun hotel schrijft. Dit is Amsterdam. De bedden worden toch wel verhuurd. Hierachter is het Van Goghmuseum! Dit hotel zit toch altijd wel vol.”

Met de lift naar de vierde verdieping. Wat tref ik aan? Is het niet beter om naar een ander hotel te gaan? De gang is behangen met een vergeelde wereldkaart en ruikt fris. In de kamer staat een tweepersoonsbed met een rood glimmend sprei. Aan de wand hangt een grote spiegel met gouden lijst. Dubbele gordijnen, kleine lampjes aan de wand. De kamer is veel beter dan ik had verwacht. Schoon en zelfs gezellig. Ik doe de lampjes aan en zie mezelf in de spiegel liggen. “Amsterdam slaapt,” zeg ik hardop. Uit de badkamer komt een druppend geluid. De douche lekt. Op de grond ligt een dweil om het water op te vangen.

Even later wordt er op de deur geklopt. Aan de deurknop zit een Don’t disturb-hanger van een internationale hotelketen waar het hotel al jaren niet meer bij is aangesloten. Ik kijk door het spionnetje en doe open. “Ja, ik mocht gewoon doorlopen. Ik zei dat ik voor jou kwam. Oh, dit is best een leuke kamer. Op dit nieuwe bureaulampje na. En zelfs de badkamer ziet er prima uit. Jammer dat het beneden zo is ingericht. Dit moet vroeger erg mooi zijn geweest. Je zou hier een prachtig hotel van kunnen maken. Kom we gaan eten.”

De volgende ochtend gaat de telefoon twee keer kort over. Een subtiel signaal. Veel te laat check ik uit. “Geen probleem, hoor,” zegt de receptionist lachend. “Echt geen probleem.” Het regent dus ik blijf binnen wachten. Het is stil in het hotel.

Hotel Omega is een driesterrenhotel in een straat achter het Concertgebouw. De inrichting is een mengelmoes van stijlen. De kamers zijn ouderwets, maar gezellig en redelijk schoon.

Hotel Omega, Jacob Obrechtstraat 33
Vanaf 74 euro

In geen hotel

Dag 114. Hotel AnneMarie

“Hotel? Hotel? Nee, dit is geen hotel.” Ik vertel dat er een bord aan de gevel hangt met Hotel AnneMarie erop. “Ja, vroeger was dit een hotel. Nu is het een hostel, maar we hebben de naam gehouden. Hotel AnneMarie. Maar AnneMarie heb ik nooit gekend. Laatst kwam hier een vrouw die hier veertig jaar geleden is geboren. In het hotel. Ze liep direct door naar de tuin. Daar liepen toen nog kippen. Nu willen mensen weinig betalen voor een hotel en we moeten de kamers vullen. De huur is hoog, hier tegenover het Concertgebouw. Daarom hebben we er een hostel van gemaakt. Vijf euro voor de sleutel, alsjeblieft.”

“U heeft kamer 11 op de vierde verdieping. Wilt u uw adres nog even invullen? Na 9-11 is de politie erg streng geworden. Vul maar het adres van een vriend in. Als u wat te eten wilt maken: de Albert Heijn zit hier tegenover en in de keuken is een magnetron.”

De trappen op. Tussen kamer 10 en 12 ligt kamer 1. De sleutel past en de deur gaat open. Natuurlijk geen handdoek, het is een hostel. Beneden vraagt de receptionist of ik kamer 11 heb kunnen vinden. “Nee, ik slaap ik kamer 1.” Hij lacht. “Ja, iemand heeft ooit de een meegenomen. Waarschijnlijk als souvenir. Maar ik kan nergens meer zo’n eentje vinden.”

Een handdoek huren kost twee euro. AnneMarie is geen oude hoteldame met kippen. Het is een stripmeisje met een parmantig geel kapsel. Haar afbeelding staat op de computerschermen in de receptie. Boven haar hoofd staat Hotel Annemarie.

Een kat loopt mee mijn kamer in en gaat op het verschoten dekbed liggen. Veel werk heeft hij niet, want op verschillende plekken in de kamer staan zwarte dozen tegen ongedierte.

Een Franse jongen is boos op zijn vriend omdat hij dit hostel heeft geboekt. “Sorry, ik had geen tijd om te zoeken, ik had tentamens. En ik dacht dat het wel goed zou zijn, tegenover het Concertgebouw.”

In de douche op de gang vertellende verschillende haarkleuren een verhaal over de andere hotelbewoners. Het douchegordijn ruikt zurig en klampt zich angstig vast aan mijn natte huid.

“Goedemorgen, Vincent. Hier staat het ontbijt. In de keuken kun je een tosti maken. Neem nog maar een bakje koffie. Er is genoeg.” Het ontbijt bestaat uit een schaal droge bruine boterhammen en twee thermoskannen koffie. Op tafel staan potten pindakaas en jam. Drie Chinese jongeren communiceren naar elkaar met onmenselijke eetgeluiden en na mijn koffie vlucht ik naar boven om mijn koffer te halen.

“Succes, Vincent. Tot ziens bij Hotel Annemarie”

Hotel AnneMarie is een hostel tegenover het Concertgebouw. Het is vrij oud en lange tijd niet gerenoveerd. Het onbijt is simpel, maar er is een keuken om zelf eten klaar te maken.

Hotel AnneMarie,Jan Willem Brouwstraat 14
Vanaf 17.99 euro

In het Japans

Dag 73. Hotel Verdi

Vlakbij het Concertgebouw, in een rustige straat ligt Hotel Verdi. Na eerdere ervaringen heb ik geen illusies meer dat dit een eerbetoon is aan de operacomponist. Op de receptie staan zelfgeprinte visitekaartjes met Aziatische tekens. Net als op de website.

Het receptiemeisje kijkt verschrikt naar mijn koffer. Achter haar staat een oudere vrouw die in rap Aziatisch iets aan haar zegt.  De korte zinnen klinken als commando’s. Ze luistert geconcentreerd, als een tolk op pauzestand. In accentloos Nederlands zegt het meisje: “Meneer, dit gaat nooit lukken. Uw kamer is helemaal op de derde etage, de trappen zijn steil en er is geen lift. Uw koffer is echt groot.” Alsof het een klemmend advies is om het hotel zo snel mogelijk te verlaten. Haar blik versterkt de hint. Wat heeft dit hotel te verbergen?

“U kunt het beste alleen de spullen pakken die u echt nodig heeft en de rest hier laten. Dat doen andere gasten die hier maar een nachtje slapen ook. Of u moet in ieder geval in twee keer lopen, omdat u nog een tas heeft. Dit is echt onmogelijk.” Ze geeft me een ouderwetse sleutel. “Als u vanavond nog uitgaat, dan kunt u deze nachtsleutel van het haakje pakken en deze terughangen.“ Ze praat als een voorlichtster. Correct, maar vriendelijk.

Ik verzeker haar dat ik enige ervaring heb en neem beide tassen mee naar boven. De koffer voelt opeens een stuk lichter en ik zie dat het meisje hem naar boven duwt. Een visioen dat ik per ongeluk de koffer loslaat en het hotelmeisje wordt bedolven onder het gewicht van mijn bezit. Op de eerste verdieping slaapt een poes. Ze knipoogt naar me. De trappen zijn inderdaad steil,  maar na een behoorlijke klim bereiken ik en mijn Aziatische sherpa eindelijk de top. Hijgend.

De kamer is klein en ruikt naar verf. Op het bed ligt een ouderwetse patchworkdeken. Op grootmoeders bedkastje staat een telefoon. Boven een raam met korte gordijnen. De kraan is incontinent. Er druppelt een sliertje water uit. Het wordt niet veel meer als ik de kraan opendraai. Na het tandenpoetsen blijft er een rooddooraderd schuimmoeras achter. Het spoelt niet door. Naast de wasbak staat een gootsteenplopper. Is het de bedoeling dat ik die gebruik? Onder het bureau met kleine televisie staat een bus insectenspray. Er zijn geen beestjes te zien. In de hal zie ik een douche maar geen wc. Is het de bedoeling dat ik daarvoor de wastafel gebruik? Is hij daarom verstopt? Twee verdiepingen lager is het toilet.

In de voorkamer zit de een Aziatisch gezelschap. Op de grond staat een paar laarzen. Is dit hun huiskamer? Is dit wel bedoeld voor gasten? Tegen de wand een kastje met porseleinen beeldjes. “Prettige avond,” zegt het meisje vrolijk. De wisseltruc met de sleutels.

Onderweg passeer ik twee hotels waar ik al heb geslapen, beide van Chinese eigenaars. Op het visitekaartje ontdek ik dat de tekens niet Chinees zijn, maar Japans. Een wereld van verschil. Ik ga naar een restaurant aan de overkant van het Concertgebouw, omdat ik weet dat hun eten niet hoger is dan een centimeter. Met moeite schuif ik het in mijn mond. Terug in het hotel wissel ik de sleutels weer om. Vanuit een achterkamer hoor ik de oudere vrouw iets zeggen. Klanken, geen woorden. Op bed kijk ik naar de televisie. De afstandsbediening is kapot en ik heb geen energie om op te staan

Voordat ik ga douchen wil ik de kamerdeur op slot te draaien. Er zit geen beweging in. Opeens breekt de dunne sleutel af en blijft in het slot zitten. De ouderwetse hanger in mijn hand.

Met mijn koffer en tas weer naar beneden. “Wilt u geen ontbijt gebruiken?” zegt het Japanse meisje met enige teleurstelling in haar stem. Maar ik moet weg. “De sleutel is afgebroken,” zegt ik terwijl ik de hanger overhandigd. “Er zat geen beweging in het slot.” Het meisje zegt dat dit vreemd is, omdat het slot net vernieuwd is. Ze zucht. “Nou, we zullen het niet in rekening brengen.”

Het tweesterrenhotel Hotel Verdi ligt achter het Concertgebouw. Het is een ouderwets ingericht hotel, gerund door een Japanse familie, waar jarenlang weinig aan lijkt te zijn veranderd. Er is geen lift en de trappen zijn steil. Het hotel richt zich voornamelijk op toeristen.

Hotel Verdi, Wanningstraat 9
Kamers vanaf 45 euro

Naast het Concertgebouw

Dag 37. Hotel Trianon   

De gevel van het Concertgebouw zegt dat Daniel Barenboim vanavond speelt. Chopin. Achter het verlichte muziekgebouw staat mijn hotel.   

De receptionist checkt me in. Hij vraagt of ik niet liever een eigen kamer wil, maar ik kies voor een slaapzaal. Ik wil vanavond mensen ontmoeten en niet alleen slapen. “Het kan mee- en tegenvallen. Je weet nooit bij wie je op de kamer ligt.”   

Groepjes vrienden en jonge stelletjes lopen in en uit. Zelfs de backpackers zijn chic in Oud-Zuid. Ze hebben kleurige minirolkoffers en zijn netjes aangekleed. Fransen, Italianen. Shopping bags vol nieuwe kleren en rozen voor Valentijn. Mijn bezittingen stop ik in een kluisje, dat is weggewerkt achter donkere kasten in de hal. Mijn bezit is nu gereduceerd tot een paspoort en een laptop. De koffer laat ik op de kamer.   

In de lobby zit een mokkende oude man met een geruit jasje. “Ben onderweg naar Berlijn, maar mijn vlucht heeft vertraging. Ik heb hier de hele week al geslapen. Ik verkoop drankautomaten, maar het is een moeilijke tijd. Ik laat in het midden of ik het kan betalen, maar het is hier in ieder geval goedkoop. En het zijn allemaal leuke mensen, hier. Het liefste wil ik mijn bedrijf verkopen. Ik word ook ouder. En een relatie zit er nu ook niet echt in. Ik heb net twee uren op zo’n relatiesite gezeten. Zes reacties. Het is natuurlijk Valentijnsdag. Maar ja, ik ben altijd onderweg, dus wie wil mij?”   

Er staat een rij in het Concertgebouw. Conservatoriumstudenten die geen kaartje hebben en groot fan zijn van de pianist. Ik sluit me bij hen aan. Een uur lang staan we te wachten of er ‘sprinttickets’ zijn. Tot ik hoor dat deze niet zijn bedoeld voor oude mensen van boven de dertig. Gelukkig kan ik nog een gewoon kaartje kopen. Ik laat mijn nieuwe vrienden in de steek.   

Bij Sonate nummer 2 moet ik denken aan de tranen in mijn ogen, als ik dit vroeger speelde. Ook omdat ik beduidend minder goed was dan Barenboim.  

Op mijn kamer staan acht stapelbedden. Als ik thuiskom, zitten drie jongens en twee meisjes op de grond een spelletje te doen. Tieners. Hun moeders liggen te slapen. Ze vragen of ik al naar bed ga en of het licht uit moet. Ze fluisteren zacht Frans en liggen binnen een kwartier te slapen. Mijn nieuwe Franse familie. Ik glimlach in het donker. De bedden liggen heerlijk en de nacht vliegt.  

’s Morgens neem ik een uitgebreide douche in badkamer van grijs marmer. Een Franse jongen vraagt waar ik vandaan kom. “Amsterdam,” zeg ik. Hij moet lachen.   

In de hal zit een deur naar een Chinees restaurant. Chang-i. De ruimte is stijlvol ingericht. Aardetinten.  Een van de mooiste ontbijtruimten tot nu toe. Mijn Franse kamergenoten zitten naast me te ontbijten. De kinderen zwaaien vriendelijk. Een familie voor een nacht. 

Hotel Trianon is een tweesterrenhotel naast het Concertgebouw. Er zijn eenpersoons, tweepersoonskamers, maar ook bedden in een slaapzaal. Het hotel deelt het gebouw met een goed Aziatisch restaurant, waar ’s morgens het ontbijt wordt geserveerd. Het personeel is erg sympathiek en de kamers zien er schoon en netjes uit. Het hotel trekt overwegend een net publiek. 
 
Hotel Trianon, J.W. Brouwersstraat 3
Vanaf 10 euro per bed 

Nothing has changed

Dag 35. Hotel Washington

Ooit sliep ik in New York in het klassieke hotel Washington. Ik studeerde nog, maar was met een vriend die werkte en het kon betalen. Na een nacht was mijn vakantiebudget er doorheen gejaagd. Voor de tweede nacht heb ik een hostel geboekt. De vriend koos voor een hotel.

Over de Van Baerlestraat loop ik naar het hotel. Door een klassiek ingerichte hal kom ik in een woonkamer. Antieke kasten, kroonluchters. Op de tafels liggen roze en witte tafelkleden, die ik alleen ken van Aziatische restaurants. Achter de computer zit een Chinese jongen met een innemende glimlach.

“Ja, het valt je misschien wel op dat er steeds meer hotels zijn met Chinese eigenaren. Onze generatie heeft gestudeerd. Ik heb zelf HEAO gedaan. Maar we komen allemaal uit een horecafamilie. Onze ouders hadden zo’n klassiek Chinees restaurant. Na de opleiding keren veel Chinezen toch terug. Meestal niet zo’n klassiek restaurant, maar juist iets anders. Het is namelijk een branche waarin je veel geld kunt verdienen. Als je bereid bent om hard te werken en het ook goed doet. We hebben dit hotel overgenomen, maar hebben er eigenlijk niets aan veranderd.

Wij kunnen ons goed aanpassen. Voordeel van onze generatie is, dat we de Nederlandse cultuur goed begrijpen. Ik speelde op school gewoon met Nederlandse vriendjes. Wil je een kopje koffie?

Buitenlanders kijken niet vreemd op als hier een Chinees achter de receptie zit. Ze zijn vaak veel warmer dan de Nederlander. Een Spanjaard omhelst je gewoon. Nederlandse gasten die stellen vreselijk veel eisen. Willen eerst hun kamer zien en vragen wat ze voor die 60 euro kunnen verwachten.

Als je begint, dan denk je het allemaal beter te gaan doen. Maar toen ik en mijn neef het in 2008 overnamen, bleek het allemaal wat tegen te vallen. In onze berekeningen hadden we de crisis natuurlijk niet meegenomen. Nu gaat het allemaal weer beter. We hopen dit jaar uit de rode cijfers te komen of net break-even te draaien.

We hebben alles gehouden zoals het in het begin was. Dezelfde lampjes, dezelfde stoeltjes. Er komen nog altijd mensen die hier ooit hebben geslapen en de persoonlijke service van de eigenaars zo bijzonder vonden. Wij kunnen natuurlijk niet geven wat zij deden. Wij doen het op onze eigen manier.

We hebben een schoonmaakbedrijf, maar voor de rest doen we alles zelf. Ik zit nu de hele dag achter de receptie, vannacht slaap ik hier. Ik ga naar bed als de laatste gast binnen is. Morgenochtend sta ik het ontbijt te maken. Daarna ga ik naar mijn huis. Naar mijn vrouw. Om te slapen. Mijn neef en ik doen het om-en-om.”

De hele avond voel ik me schuldig dat er thuis iemand op me zit te wachten, maar het is te gezellig met mijn vrienden.

De volgende ochtend drink ik koffie aan een roze tafeltje. Er komt een Australisch echtpaar binnen. Ze komen van Schiphol. “Tired, no I am delirious.” De vrouw is half-Aboriginal en spreekt als een comédienne. ”Ze hebben alles veranderd,” haalt ze uit. “It’s a whole new Amsterdam! De trams, de straten.” Ze kijkt om zich heen. “Alleen in dit hotel is niets veranderd. Alles is zoals het was. Dezelfde lampjes, dezelfde stoeltjes.”  Als ze de kamersleutel krijgt vraagt ze: “Is that up the deadly stairs?”

Dan draait ze zich om naar mij. “What about you? You are hopping from hotel to hotel? You must be a writer! I think I saw you on the internet.”  De hoteleigenaar en ik kijken elkaar verbaasd aan. Als ik even later afscheid neem, omhels ik hem op on-Hollandse wijze en wens hem gelukkig nieuwjaar. “Ik was helemaal vergeten dat het Chinees Nieuwjaar was. Goed dat je me eraan herinnert.”

Hotel Washington is een betaalbaar hotel in Oud-Zuid. Hier komen geen backpackers, maar mensen die musea komen bezoeken en artiesten van het Concertgebouw. Ook veel families, omdat het hotel een aantal groet appartementen heeft die zeer geschikt zijn voor langdurig verblijf.  Het interieur van het hotel is zeer ouderwets Amsterdams. Gezellig en schoon.Hotel Washington, Frans van Mierisstraat 10
Kamers vanaf 45 euro