Met bijzondere mensen

Crowne Plaza Hotel Amsterdam City Centre

Een lachende man in rood uniform staat buiten met een gast te praten. Gekruiste gouden sleuteltjes blinken trots op zijn revers. Ik neem niet de hoofdtrap, maar de schuine opgang aan de zijkant, om hem niet te storen in zijn gesprek, maar hij ziet me in zijn ooghoek, springt galant op de koffer af en neemt de bagage over. Een pas-de-deux. Ontdaan van al het gewicht kom ik bij de drie receptiedesks.
“Goedemiddag, meneer Van Dijk,” zegt de jongen vrolijk.
“Wat goed, kennen jullie alle namen van de gasten?” vraag ik lachend.
“Nou, bijna dertig tot veertig procent wel. Veel gasten komen hier terug,” zegt de jongen ad rem en ik heb spijt van mijn egocentrische opmerking.
Er komt een andere jongen aangelopen. “Goedemiddag, meneer Van Dijk. Ik ben de Duty Manager, zal ik u even naar de kamer brengen en het hotel laten zien?”
De Conciërge komt naar me toe en drukt een stapeltje folders in mijn handen. “Waarschijnlijk heeft u ze niet nodig, maar ik geef ze toch maar.”
“De conciërges zijn een hecht team met jarenlange ervaring,” zegt de gids. “Ze vinden het leuk om alles op te lossen en uit te zoeken. Al wil je met een olifant over de grachten van Amsterdam. We maken het eigenlijk nooit mee dat we een verzoek niet kunnen inwilligen.  Ja, als een gast heel dicht boven de stad wil vliegen met een helikopter, of zo. Maar dan komt de Conciërge met een alternatief.”

Hij loopt met me door het hotel. “Dit hotel is anderhalf jaar geleden helemaal gerenoveerd. De receptie was heel statisch. Door de nieuwe opzet hebben we veel meer contact met de gasten. En hier is de Living Room. De architect heeft een woonkamer bedacht met een enorme boekenkast waar gasten boeken kunnen lenen en andere boeken weer kunnen neerzetten. Er is geen bar meer. Het hele restaurant is verplaatst en gemoderniseerd. Het restaurant staat helemaal los van het hotel, om ook mensen van buitenaf te trekken.”

De restaurantmanager komt erbij staan. “Ooit was er een restaurant Dorrius in Amsterdam. Enorm groot en erg bekend vanwege de Nederlandse keuken. Toen de eigenaar al zijn winst vergokte ging het restaurant failliet. Destijds is de inboedel gered en daarmee is het oude hotelrestaurant ingericht.” We kijken door de roededeuren het oude restaurant in. Tussen de ouderwetse lambrisering en decoratie zit Sinterklaas en een groep met jonge kinderen. “We vieren elk jaar Sinterklaas met alle medewerkers.” Twee donker geschminckte meisjes komen op ons af. “Willen jullie pepernoten?”

De General Manager komt naar me toe. “Mag ik even kennismaken? Je reis langs alle hotels zit er bijna op. Vind je het jammer of kijk je er wel naar uit?” Zijn interesse klinkt oprecht.
Op de kamer ligt een kaartje van zijn hand: Ook namens alle medewerkers wens ik u een prettig verblijf. “Ook namens alle medewerkers,” lees ik hardop. De hoekkamer is smaakvol ingericht in aardekleuren. Imposant uitzicht over de Nieuwezijds Voorburgwal. Een stomme film uit een andere tijd, want het geluid wordt geweerd door de ramen. Op het speciale bed liggen tips en essentiële oliën om snel in slaap te komen. Er staan een fles wijn en een schaaltje met hartigheden.

In het New Dorrius-restaurant ga ik zitten werken. “De menukaart is nog wel hetzelfde. Oud-Hollandse gerechten. Zelfs de receptuur is onveranderd. Mag ik u de kaassoufflé aanraden? Die is heel anders dan u ooit heeft geproefd. Bijzonder lekker. Hier heeft u versgebakken brood met reuzel.” De restaurantmanager is trots op de kaart. Ondanks het witverlichte modern ingerichte restaurant proef ik vroeger.
“Hier is de jachtschotel. Een andere favoriet. En nu de laptop even dicht en genieten,” zegt hij gemaakt streng. Ik doe mijn ogen dicht en waan me in het bruine restaurant met een verleden.

“Hier is nog een glas écht lekkere wijn.” Een man komt bij me aan tafel staan. “Voor de verbouwing was ik de Barman. Ik deed mee aan wedstrijden en iedereen kende ons.” Opeens krijgt hij een melancholische blik in zijn ogen. “Maar er is nu geen bar meer, dus het werk is heel anders geworden. Ja, daar staat een rijtje flessen, maar dat is geen bar. Vroeger had je bijzondere gesprekken met de gasten, nu is het wat afstandelijker. Het is de schuld van de architect.”
Een Amerikaanse man en een vrouw komen het restaurant binnen. “Is there a bar? We would like to drink something.”
“No, we don’t have a bar, but I can bring something to the Living Room,” zegt de Barman gelaten. De Amerikanen gaan akkoord.

Het restaurant is verbouwd tot ontbijtzaal. In het daglicht en gevuld met mensen leeft de ruimte. Een doek met een zwart-witfoto van Nederlandse fietsen probeert de flessen drank te verhullen.
Een Ontbijtmevrouw komt naar me toe. “Zal ik een lekkere cappuccino voor u maken? En zal ik aan de kok vragen of ze een spiegeleitje voor u bakt?”

Een mevrouw van de Housekeeping wenst me enthousiast goedemorgen, net als de drie lachende meisjes achter de receptiedesks. De conciërge is enthousiast in gesprek met twee gasten. Zijn desk ligt vol met brochures en het echtpaar luistert ademloos naar zijn tips. Ik probeer onzichtbaar langs hem te lopen om hem niet te storen in zijn verhaal.

Hier werken stuk-voor-stuk bijzondere mensen. Daar kan zelfs een architect gelukkig niets aan veranderen.

Crowne Plaza Hotel Amsterdam City Cente is een luxe viersterrenhotel dat onlangs geheel is gerenoveerd. Het ligt zeer centraal, vlakbij Centraal Station. Er zijn een klein fitness- en wellnesscentrum, een Clublounge, een mooi ontworpen woonkamer en een nieuw restaurant met Oud-Hollandse keuken. Het oude restaurant is beschikbaar voor groepen en partijen, en er zijn meetingzalen. De kamers hebben comfortabele bedden en andere faciliteiten om goede nachtrust te garanderen. Het is onderdeel van de InterContinental Hotels Group.

Crowne Plaza Hotel Amsterdam City Centre, Nieuwezijds Voorburgwal 5
Vanaf 126,65 euro

In een Krimi

Hotel Van Gelder

Het wit-groene bord met de Nederlandse familienaam valt op binnen de schreeuwende gevels op het Damrak. Een trap naar boven. Achter de receptie zit een blonde vrouw. “Goedemiddag meneer Van Dijk.” Een Amsterdams accent. De inrichting is netjes, maar zonder vaste stijl. Waarom heeft het hotel nooit geantwoord op mijn e-mails? Het is een keurig hotel van Nederlandse eigenaars dat niets te verbergen heeft.

“Dit hotel is nu al heel lang van hetzelfde echtpaar. Ja, volgens mij zijn we wel een van de nettere hotels, hier op het Damrak. We doen ons best om het schoon te houden. Als je sommige hotels in deze straat ziet… En dat snap ik niet. Er wordt veel gecontroleerd. Wij krijgen al een waarschuwing van de sociale hygiëne als een randje van de koelkast aan vervanging toe is en de brandweer gaat steigeren als de deuren even open staan om de boel te luchten. We willen dat de kamers schoon en fris zijn.”

Dit is duidelijk een degelijk hotel waar nooit iets gebeurd. Er is geen enkel verhaal. Of misschien is dat het verhaal. Dat er nooit iets gebeurd. Dat dit hotel, net als de inrichting, al tientallen jaren hetzelfde is en dat niemand het doorheeft.
“Is er een verhaal?” vraag ik, enigszins ongerust. “Het lijkt me een net hotel waar niet zoveel gebeurt.”
De vrouw kijkt me aan alsof ik haar voor de gek houd. “Nou, kijk maar eens op de website.” Bedoelt ze misschien internet?
“Afgelopen zaterdag is hier een inval geweest van de politie. Drie mannen zijn gearresteerd en er een klein miljoen aan contanten in beslag genomen,” zegt ze opgewonden.
“Was dat hier?” vraag ik minstens zo opgewonden. “Nergens stond de naam van het hotel genoemd.”
“Wij hoorden het ook pas gisteren, hoor. De politie heeft het even stilgehouden. Het was heel vreemd. Er zijn drie mannen opgepakt. De politie had een huiszoekingsbevel voor dit hotel. Ze sliepen al meer dan een maand mensen in dezelfde kamer. Steeds kwamen er weer andere mannen bij en gingen anderen weer weg. Heel vreemd. Ze wilden wel steeds dezelfde kamer. Ze hadden veel bagage bij zich. Wel zes koffers. We hebben gewoon elke dag de kamer schoongemaakt, maar nooit iets gevonden. We kijken natuurlijk ook niet in de koffers van gasten. Wel raar dat je gewoon niets door hebt. Maar ook raar is dat de politie ons nooit meer heeft ondervraagd, terwijl wij al die weken hebben gezien wie hier in het hotel kwam. Misschien weten ze niet eens dat er meer mensen bij betrokken waren.”

“Ja, criminelen kiezen natuurlijk voor een net en onopvallend hotel,” vervolgt ze. “We krijgen hier van alles over de vloer. Veel toeristen, maar ook wel Nederlanders die even een wip willen maken. Die boeken dan een kamer voor drie uurtjes. Wel voor de normale prijs, hoor, want die kamer kunnen we niet nog een keer verhuren, die dag. En er komen ook wel zakkenrollers hier. Normaal blijven mensen maximaal een week, maar zij blijven langer. Soms houdt de politie ze een tijdje in de gaten. En dan bellen ze ons of we door willen geven als ze het hotel verlaten, zodat ze hen kunnen schaduwen. Wil je ontbijten, morgenochtend? Dat is niet inclusief.”
“Alleen als er een eitje bij zit,” onderhandel ik.
“Ja, het is een continental breakfast met kaas, zonder vlees, maar met een eitje.”

De muren van de gang zijn van ongeverfde rode steen. De kamer is op de tweede verdieping. Voor een single is hij erg groot. De kamer ruikt muf alsof het raam wekenlang niet is geopend en er een stel drie uur lang anonieme seks heeft gehad op het eenpersoonsbed. Ik open het raam dat uitzicht geeft op een baksteenmuur en onderzoek of er een koffer is achtergebleven van de vorige gasten, maar de kamer is leeg op een verzameling van verschillende knaapjes in de kledingkast, een televisie, een asbak en een guest directory en een wat badproducten na.

Uit de kamer naast me komt een indringende wietlucht. Als ik wil slapen komen de buurjongens thuis. Een groep Italianen. Ze praten op lachende toon. Veel te hard, maar ik besluit om me er niet aan te storen. Ze zijn op vakantie en hebben het leuk. Liever slaap ik de hele nacht niet dan dat ik als een gefrustreerde man op de muur moet kloppen of naar de receptie bel.

In de ontbijtzaal is slechts één tafel gedekt. De receptioniste zet een schaaltje kaas, een schaaltje brood, een glas sinaasappelsap en een kannetje koffie neer. “No de e-mailadres is www.vangelder.nl” herhaalt ze drie keer, door de telefoon. De eigenares pakt de hoorn uit haar handen. “No, let me do it. The e-mailadres is info-apenstaartje-hotelvangelder.nl,” zegt ze. “No, info-apenstaartje,” herhaalt ze.

De receptioniste van gisteren maakt de kamers schoon, samen met twee andere vrouwen.
“En? Schoon en fris?” vraagt ze me in de gang.
“Ja, schoon en fris. Zowel ik als de kamer,” antwoord ik.

Hotel Van Gelder is een keurig hotel op het Damrak met 33 doorgaans redelijke prijzen en schone, redelijk ruime kamers. Ontbijt is niet inclusief.

Hotel Van Gelder, Damrak 34
Vanaf 60 euro, ontbijt 5 euro

In een theater

Hotel Rho

Een zijstraatje van de Dam. Door het donkere en smalle straatprofiel lijkt de hal bij binnenkomst ongekend groot. Door gebogen glas-in-loodvensters wordt de hal van boven gefilterd verlicht. Een stationshal. Het Pantheon. Nee, de tafels, zitjes, banken en de receptie maken het een internationale hotellobby.

De kamer is netjes. Een schone, nieuwe badkamer. Bedlampjes met getekende lijnen waar reepjes stof in verschillende kleuren zijn opgeplakt. De minibar is leeg. Hier kun je dronken thuiskomen, zonder verleid te worden tot nog meer drinken. Uitzicht op een lichtschacht en kamerramen. Het is een kamer om te slapen. Naar beneden om te schrijven. Een vrouw komt naar me toe en geeft me een hand. Het is de manager. Ze neemt plaats op de fauteuil tegenover me.

“Je wilt de juicy details horen? Haha. Nou, dit was vroeger een theaterstraat. Aan het eind van de 18e eeuw was dit een theater: Victoria. Waar je nu zit stond het podium waar cancandanseressen optraden. Verenshows met wulpse meisjes. Je kon eentje uitkiezen en mee naar boven nemen.” Ze wijst naar de kamertjes achter de drie balkons aan een kant van de zaal. “Door de vliegdeuren kregen studenten de kans om even naar binnen te gluren. Ze werden zo verleid om binnen te komen. De bekende schrijvers uit de jaren 1880 liepen hier syfilis op. Toen de theaters verdwenen, nam de tabaksindustrie deze straat over. Dit pand werd verbouwd tot goudsmelterij en de hoge zaal werd dichtgetimmerd. Er kwam een verlaagd plafond en op de plek van het podium stonden machines. Eind jaren ’80 van de vorige eeuw zijn wij hier begonnen met het hotel. We hebben alles weer in ere hersteld, in Art Deco-stijl. De hoge zaal, het glas-in-lood, de lampen.”

Ze staat op. “Loop even mee, dan leid ik je rond. Ze opent een deur. “Hier is een parkeergarage in het gebouw en daarboven een toren met hotelkamers. Je zou het van buiten niet verwachten, maar we hebben maar liefst 160 kamers. Het loopt een heel eind verder, de straat in. Onder het laatste pand zit nog een atoomkelder, waar de Koninklijke familie kon schuilen, vanuit het Paleis op de Dam. Je voelt in dit gebouw het verleden.” Ze laat foto’s zien van de gevel met theaterposters en de letters Grand Café. De opzwepende muziek en het hoge gekir weerkaatst tegen de witte muren van de hal. Gedempt door het verleden. Moulin Rouge.

“Hier komt een mix van toeristen en zakenmensen die gewoon willen slapen en ontbijten en los willen gaan in het centrum. Ze hebben geen zin om te betalen voor een kapper in het hotel waar ze toch niet naar toegaan, of een restaurant, zoals in 5-sterrenhotels. Restaurants genoeg in de buurt.”

“Verder zijn we een hotel zoals alle hotels. Je maakt hier van alles mee. Sinds kort nemen we alleen geen groepen meer. Dat gaf teveel overlast. Je wilt niet weten hoe vaak we matrassen hebben moeten verschonen omdat Engelsen en Ieren zoveel drinken dat ze alles laten lopen. We zorgen er altijd voor dat iedereen, hoe dronken ook, keurig in zijn bedje komt te liggen, hoor. We hebben nu ook zeiltjes op de matrassen gelegd. We hebben hier ook een bar, met een gemiddelde omzet van 2 euro per dag. Laatst werd gedreigd dat ons hotel moest sluiten, vanwege de bar. Toen hebben alle receptiemedewerkers een diploma moeten halen.”

“En er gebeuren ook wel heftige dingen. Laatst was hier nog een hoge militair die de suite was gesprongen, nadat hij drugs had gebruikt. Hij knalde op de keien en vloog meteen het leger uit. En dan hebben we nog de zelfmoorden, maar dat ligt niet aan ons hotel, hoor. Dat komt in alle hotels voor. Het zijn mensen die een anonieme omgeving zoeken, maar wel gevonden willen worden, snap je? Ze willen niet dagenlang in een huis liggen. We worden er zelf niet mee geconfronteerd, hoor. Zo snel we merken dat een deur gebarricadeerd is, schakelen we de politie in. Maar het is wel heel vervelend.”

Naar buiten om wat te drinken. Niet teveel, want ik wil wel weten wanneer ik plas. Gelukkig is de bar uitgestorven en is de minibar leeg, dus verschijn ik uitgerust aan het ontbijtbuffet.

Rho hotel is een groot driesterrenhotel met 160 kamers, midden in het toeristische centrum van Amsterdam en dichtbij het Centraal Station. De kamers zijn redelijk modern en schoon en hebben grote badkamers. Het uitgebreide ontbijtbuffet is altijd ingegrepen, net als draadloos internet. De monumentale lobby is altijd levendig druk. Er is een inpandige parkeergarage. Er zijn kamers en suites.

Rho Hotel, Nes 5
Vanaf 100 euro

In een guesthouse

Maggy’s & Gunputsing Guesthouse

Op een boekingssite staat tussen alle hotels opeens een guesthouse. In de trein vanuit Schiphol lees ik de naam  hardop voor. Maggy’s & Gunputsing. De vrouw tegenover me kijkt verschrikt op. De naam klinkt als een buitenlandse detective.
Wat is een guesthouse? Ik ben dit jaar in bed & breakfasts geweest, in serviced-apparments, in hostels, maar nog niet in een guesthouse. Maggy’s & Gunputsing, dat wordt vanavond mijn huis.

Van buiten is niet te zien dat dit een hotel is, maar ik bel aan bij het juiste nummer. Een olijke Surinaamse vrouw doet de deur open met een touw. Een trap omhoog. De hal is tropisch warm.
“Meneer Vincent? Kom binnen!” zegt ze enthousiast. Het is alsof ik in haar huiskamer sta. Overal liggen persoonlijke bezittingen, kledingstukken. Ze pakt een inschrijfformulier.
“Heb je je vlucht gemist?” Ze komt voor me staan en kijkt me aan. “Ohnee, nu zie ik het. Jij bent het. Die jongen van de hotels. Hahahaha. Ik wist het. Je naam kwam me bekend voor. Zag je op televisie. Oh, nee, jij bent het. Waarom mij? Waarom heb je mij gekozen?”
Ik antwoord dat ik een keer in een guesthouse wilde slapen.
“Nee, dit heb ik weer. Wat ga je schrijven, dan? Nee, je bent van harte welkom en je mag schrijven wat je wilt.” Ze overhandigt de sleutel.

“Hiervoor heb ik een aantal jaar in Latijns-Amerika gewoond. Daar werkte ik in een hotel. Toen ik in Nederland kwam, toen kreeg ik de kans om dit gebouw te huren. Twee kamers op de vierde verdieping verhuur ik aan gasten, mijn zus woont op de tweede verdieping en ik op de derde.
In een guesthouse heeft iedereen zijn eigen badkamer, koelkastje en koffieapparaat. Je kunt dus gewoon je eigen gang gaan. We mogen maximaal twee kamers verhuren, vier gasten mogen hier slapen. Het is een soort Bed & Breakfast zonder ontbijt, hahaha. Vroeger hadden we een deal met een zaak aan de overkant, dat je daar kon ontbijten, maar we hebben te weinig gasten om echt een goede deal te kunnen maken. Maar, de supermarkt is vlakbij, dus je kunt gewoon zelf je ontbijt maken.”

“We willen hier al jaren eigenlijk een hotel van maken, maar dat mag niet van de gemeente. Dit gebied mag maar een beperkt aantal hotelkamers hebben. Misschien in 2015. Maar we hebben een heel goed contact met verschillende boekingssites en die sturen mensen graag door. Die komen regelmatig langs om te kijken en zijn dan heel enthousiast. We werken ook samen met reisbureaus. We zijn goed en goedkoop, dus sturen ze mensen naar ons door. Natuurlijk vragen we in het weekend en in de zomer wel wat meer, maar gemiddeld betaal je hier 50 euro per bed en dat is heel netjes. Ooit wil ik terug naar de tropen en een hostel beginnen voor jongeren die daar studeren. Niet alleen kamers verhuren, maar het moet echt een huis voor ze zijn, maar de komende vijf jaar blijf ik hier. Ik kan er goed van leven.”

Ze begeleidt me naar de hal en schreeuwt vrolijk: “Waarom mij? Waarom mij? Waarom heb je mij gekozen.” Ze springt lachend door de gang op haar witte sokken in sandalen. Op de verdieping erboven staat een emmer met schoonmaakmiddelen op de gang. Verder naar de vierde verdieping. Bijna storten de koffer en ik van de steile trap.

De kamer is redelijk groot. Het is een opgeruimde logeerkamer met twee bedden met op het voeteneinde blauwe handdoeken. Er staan een kleine koelkast met blikjes en flesjes, een Senseo koffiemachine en een waterkoker. Een bureautje met een televisie. Een geverfde spaanplaatdeur naar de nette badkamer met ligbad. Op het raam hangt een papier: BROKEN. Ik zak weg in het zachte bed. De telefoon gaat. “Vincent, mijn man vindt dat je niet hoeft te betalen. We vinden het leuk dat je hier bent.”
“Surinaamse gastvrijheid!” roep ik uit.
“Nee, mijn man is Nederlands,” lacht ze.

Als ik naar beneden loop, gaat de deur op de derde verdieping open.
“Doe je de voordeur goed achter je dicht?” vraagt ze bezorgd. We zitten hier vlakbij het station en er lopen hier veel junkies. We hebben wel camera’s, maar toch, ik wil niet dat er iemand zomaar binnenkomt. Buiten vragen twee drugverslaafden om geld en een sigaret. Snel weer naar binnen naar de warmte. Een sms maakt me wakker.

LAAT DE SLEUTEL MAAR OP DE KAMER LIGGEN. Ik antwoord dat ik heerlijk heb geslapen.
DAAR BEN IK BLIJ OM, antwoordt ze.

In de badkuip neem ik een douche. Zonder ontbijt neem ik de trein naar Schiphol.

Maggy’s & Gunputsing is een guesthouse op steenworpafstand van het Centraal Station. De kamers hebben een badkamer, een koelkast met drankjes voor 1,50 euro en een koffieapparaat. De kamers zijn schoon en de gastvrouw is erg enthousiast.

Maggy’s & Gunputsing Guesthouse, Martelaarsgracht 9
Vanaf 45 euro

Met veel aandacht

City Hotel

Een klassiek hoge ruimte vol moderne houten tafels. Achterin een receptie die overloopt in een bar. Een rij met whiskyflessen. De televisie staat aan.
“Goedenavond,” zegt de Turkse man.
“Goedenavond,” zegt de Turkse jongen naast hem. Hun ogen lachen, hun neuzen lijken op elkaar.
De vrolijke gelaatsuitdrukking op hun gezicht is voldoende om de ruimte te doen leven. Architectuur zonder mensen is dood.

“Nee, we zijn geen vader en zoon,” lacht de jongen. “Hij is mijn zwager. Zie je nou wel dat jij veel ouder lijkt.”
“Hé, wel wat respect voor de jongere mens.”

“Het is best druk, vanavond. We zitten voor 88% vol,” zegt de zwager. “En dat in november. Het is al dertig jaar van dezelfde eigenaar, maar het hotel is nog veel ouder. Het is een van de oudste hotels van Amsterdam. Zeker hier in de buurt.” Hij doet zijn jas aan en loopt het hotel uit, de regen in.

“Mijn zwager is de manager,” zegt de jongen. Het hotel is van mijn oom. Die is hier nooit, want hij heeft ook een hotel in Turkije. Ik heb Toerisme gestudeerd  en wilde eigenlijk op een cruiseschip gaan werken toen ik 21 was. Maar dat mocht  niet van mijn ouders, dus ik ben hier gekomen. Zeven jaar later is het nog steeds geweldig als de eerste dag. Het leuke is: er is niet zo heel veel te doen, weet je. Vanavond ga ik maar liefst twee verschillende voetbalwedstrijden kijken. Tegelijk! Er staan hier twee TV’s.” Hij buldert van het lachen.

Een vrouw komt naar beneden en vraagt om een föhn.
“Er zijn al twee föhns uitgeleend en de derde is kapot. Hier is een extra handdoek.” De vrouw loopt glimlachend naar boven. Ik stel me een kaal hotel voor zonder bedden, zonder douche en toilet, zonder ontbijt, waar alleen lachende mensen lopen die aandacht geven aan hun gasten. Gasten die vol lof het hotel verlaten. Aandacht is het geheim van succes.

Hij komt bij me staan. “We zitten hier vlakbij het station. Meestal zijn er 2 kamers gevuld met walk-ins. Van alle gasten was 77% Brits of Iers, echt heel veel. Daarom staan al die flessen whisky hier. Nu komen er iets meer Italianen. Die brengen het wat in evenwicht. En we krijgen altijd mensen via de GGD, die tijdelijk uit huis zijn gezet, bijvoorbeeld. Om af te koelen. Oktober was echt een goede maand.” Hij pakt een ordner uit de kast die bol staat van de boekingsformulieren. “Kijk. Het is niet te geloven. Het was echt een drukke maand.”

“We zijn nu bezig met het pand hiernaast. Er komen nog 21 kamers erbij. Morgenochtend begint de verbouwing. Ze gaan kijken of het fundament nog goed is. Deze tussenmuur moet weg, beneden komt een conferentiezaal. Ook de kamers worden opgeknapt. We laten bedden uit Turkije komen, daar hebben we ook de tafeltjes vandaan gehaald. Er komen flatscreens, minibars en een lift. Dan gaan we voor de derde ster. Wil je trouwens internet?” Hij geeft me een briefje met de code. “Als het niet werkt, dan kan ik je niet helpen. Dan moet je bij mijn zwager zijn. Ik snap alleen het aan/uit-knopje van de computer.”

Een van de moderne tafeltjes wordt mijn bureau. De receptionist wordt barman en geeft me een flesje wijn.
“Nog een voordeel van in een hier werken.” Hij trekt een blikje bier open. Een innemende lach.

“Mijn oom wil ook wel dat we die service, zoals we in Turkije hebben, geven in het hotel, maar dat kan niet. Ik weet wel wat hij bedoelt, want ik heb ook even in Turkije gewoond. Daar leer je om veel respect te hebben voor ouderen en hoe je serveert in een restaurant. Maar hier werken ook mensen uit andere landen. Die kennen dat niet en die zijn opgegroeid met Nederlandse ‘service’.  Ik ben ook wel vernederlandst, hoor. In Turkije krijg  je overal çay. Dat is een vorm van gastvrijheid. Dat zou raar zijn, hier. Hier drink ik gewoon Pickwick-thee. Met een zakje. Morgenochtend kun je trouwens gewoon hier gaan zitten voor het ontbijt. Dan wordt alles voor je geregeld.”

“Welterusten,” zegt de receptionist, als ik naar boven loop. Hij klinkt als de broer die ik nooit heb gehad. Stoer maar zorgzaam. Wat zal ik dat missen als ik straks niet meer in een hotel woon. Iemand die me welterusten wenst. Bewerkte plafonds en stukgelopen rood tapijt in de hal. Er staat een houten minibar met een slot erop, afkomstig uit een vorige eeuw. De flatscreen blijkt bij nader inzien een houten plank. Maar de aandacht gloeit na en maakt van de armoedige kamer een rijke suite.

Een drilboor doet het steenharde bed trillen. Een douche en snel naar beneden. De kale receptie is omgebouwd tot een restaurant. Twee jongens lopen door de gedekte tafels en serveren jus d’orange, mandjes brood, kannetjes koffie. Een grand-café uit de vorige eeuw.

“Gek. Ik word helemaal gek van de muizen,” zegt de nieuwe man achter de receptie, bij het uitchecken. “Ze zijn aan de overkant aan het bouwen en hier links en hier rechts en daarom vluchten alle muizen naar ons toe. Tientallen. Een poes nemen heeft geen zin. Acht katten zou nog niet voldoende zijn.” Hij lacht. “Hier tegenover wordt het City Inn-hotel gebouwd. Je hebt ook nog City Hotel in de Utrechtsestraat en City Garden en City Centre van NH. Maar wij zijn City Amsterdam. Het enige échte City Hotel.”

City Hotel Amsterdam is een niet heel goedkoop butgethotel in een 18e-eeuws pand, met 32 zeer ouderwetse kamers dat binnenkort wordt uitgebreid en gemoderniseerd, om van een tweesterren, een driesterrenhotel te worden. De mensen zijn erg hartelijk. De bar is tot 1 uur geopend.

City Hotel Amsterdam, Prins Hendrikkade 130
Vanaf 65 euro

Zonder enige spanning

Hotel Multatuli

De bel van een tram doorboort de stilte. Het miezert. Schuin tegenover het Centraal Station ligt Hotel Multatuli. Automatische deuren, een natuurstenen trapje omhoog. Achter, op het altaar is de receptie. Rondom een lambrisering van licht hout. Er heerst rust in de lege ruimte. Achter de desk zit een donkere man met achter hem een zwartwit tekening van de Nederlandse schrijver naar wie dit hotel is genoemd. Een pseudoniem dat betekent: “Ik heb veel gedragen.” De samenvatting van dit hoteljaar.

De donkere man praat tegen me in een onbekende taal. Is het Engels of Nederlands? Hij bezit niet het vermogen om te articuleren of te lachen. Automatisch pak ik mijn paspoort en hij ruilt het voor een kromgetrokken kunststof sleutelkaart. Opnieuw spreekt hij, maar wat hij zegt is onverstaanbaar. Hij gebaart dat de kamer een trapje omhoog is.

Met mijn koffer vol leed nog een trapje op en door drie glazen deuren. Op de kamerdeur staat in messing: 123 Non Smoking. Alsof hier een cursus wordt gegeven om van het roken af te komen.

De kamer is ouderwets. Dezelfde lambrisering. Tot mijn verbazing is er een minibar en staan er een fles wijn, miniaturen van verschillende drankmerken op het bureau. Er is een stomerijservice. Onverwachte luxe. Overal ouderwetse kaartjes met prijsaanduidingen. Het gaat hier wel om het geld. De kamer voelt alsof het een decor is van een oud hotel in een toneelstuk met een dramatische afloop.

De nachtreceptionist belt zijn baas. “It’s really quiet in the hotel. I just went to the railway station and there was nobody. Nobody! I don’t know what’s happening.”
Dit hotel is normaal altijd vol. Tot diep in de nacht lopen mensen binnen die uit het station komen en nog geen hotel hebben geboekt. Maar vanavond is de winterperiode ingegaan. Na een drukke tijd die dit jaar tot einde oktober duurde, is de rust in de stad wedergekeerd. Amsterdam slaapt. Zoals een lichaam tijdens de nacht herstelt van alle indrukken en bewegingen, kunnen hotels de komende maanden uitbuiken. Een grote schoonmaak houden of een verbouwing doen die al veel te lang is uitgesteld.

Voor het eerst sinds maanden voel ik ook de slaapstress verdwijnen. Maandenlang was het elke dag spannend of het lukte om onderdak te krijgen. De altijd gastvrije hotels moesten hun bedden ter beschikking stellen aan de stroom toeristen die elke dag met grote koffers en tassen uit het Centraal Station kwam, op zoek naar een gebouw met de letters HOTEL. Jonge Italianen met merkwaardige piercings zochten naar budgethotels, gesoigneerde stellen naar de vijfsterrenhotels. Er waren dagen bij dat ik diep in de nacht over straat zwierf als een dakloze. Ik heb geleden, maar dit was tegelijkertijd spannend. Elke keer was het een spel om te zien in welk gebouw er een bed voor mij stond. En het lukte altijd. Vanaf nu is het weer gemakkelijk, misschien zelfs wel saai.

Telkens gaat de deurbel en laat de receptionist gasten binnen. Geen nieuwe gasten met wie hij kan onderhandelen over de kamerprijs. Aan wie hij een bizar hoge prijs kan vragen omdat het de laatste kamer in de hele stad is.

Terug naar de kamer. Het raam is geblindeerd en het kan slechts enkele centimeters open. Erachter zit een donkere patio waar de airconditioning op uitkomt en oude spullen opgeslagen zijn. Regen tikt op het platte dak als een traag afgestelde metronoom.

Van beide bedden is een flapje van het dekbed opengeslagen, net als bij de toiletrol. Merkwaardige details die een hotel maken tot een hotel. Ik schuif onder de dekens. De volgende ochtend word ik wakker met merkwaardige rode bulten op mijn handen. Hopelijk zijn het muggen die zich volgevreten hebben met mijn bloed.

De mensen die in de ontbijtzaal zitten zijn veel te dik. Traag lopen ze naar het ontbijtbuffet en scheppen hun borden vol met bergen ei en bacon. Hun volle achterwerken verdringen me. Ostentatief schep ik een half bakje salade op, alsof ik hen duidelijk moet maken wat een gezond leven is. Iedereen zwijgt. Buiten regent het nog steeds.

Hotel Multatuli is een driesterrenhotel schuin tegenover het Centraal Station. Het is ouderwets, maar heeft laundry service en een minibar.

Hotel Multatuli, Prins Hendrikkade 12
Vanaf 65 euro

Met vreemde hallucinaties

Hotel Utopia

De Chinese jongen achter de receptie geeft me een papiertje om in te vullen. Geen glimlach, hij neemt zijn werk uiterst serieus. Hij legt het op een theedoos vol soorten wiet en hasj. Achter hem staan waterpijpen en voorgerolde joints. Dit is een coffeeshop met hotelkamers. Mensen komen binnen, groeten hartelijk en rollen een joint. Rust en gelukzaligheid kleuren hun pupillen zwart. De ruimte vult zich met vette slierten rook.

De serieuze receptionist geeft me de sleutel. Kamer 6, bed 5.
De entree zit naast de voordeur. De trapbekleding laat los. De kamer is donker. Een geeuw. Iemand steekt een hand uit. “Sorry, I have been smoking, so I really needed to sleep,” verontschuldigt een onzichtbare jongen zich. Hij houdt mijn hand langer vast dan gebruikelijk, alsof hij me in bed wil trekken. In een coffeeshop is iedereen vriendelijk tegen elkaar.

Mijn rug doet pijn. Ik ga beneden zitten schrijven. Kussens verzachten de pijn. Opeens lijkt het me heerlijk om gedrogeerd te zijn. Even afgesloten van de chaos, van het bestaansritme. Even de rugpijn verdoven. Maar mijn longen kunnen de sigarettenrook niet verdragen. Een jongen bestelt een waterpijp, stopt er wiet in en steekt het aan. Grote rookwolken komen uit zijn mond. Hij lacht om de videoclip op zijn laptop en begint te hoesten. Dit is ook duidelijk niets voor mij. Ik moet me erbij neerleggen dat ik alcoholist ben en nooit drugverslaafde kan worden.

Aan de muur hangt een uittreksel van de Nederlandse wetgeving. Hier mogen alleen mensen van 18 jaar en ouder komen, is handel in gestolen goederen verboden. Net als wapens en hard-drugs. De receptionist ziet mijn laptop en geeft me een papiertje met een internetcode. “Nog een cappuccino?”

Ik koop nog een blikje frisdrank om mee te nemen naar de kamer. In de vitrine zie ik cakejes liggen. Onschuldige hoopjes gezwollen deeg in cellofaan. Zal ik? Heel de wereld komt naar Amsterdam om zich naar een andere wereld te roken, de blowen te snuiven en te spuiten en ik ben te schijterig om een spacecakeje te proberen?
“Mag ik een spacecakeje?” hoor ik mezelf vragen. Ik lach nerveus, maar de receptionist vindt de vraag niet opzienbarend.
“Vanille of chocolade?” vraagt hij droog.
Vanille of chocolade? Ik sta op het punt om voor het eerst van mijn leven drugs te gebruiken. Me te storten in de negatieve spiraal. Zet mijn voet op de eerste stepping-stone op het pad naar heroïne en krijg een vraag alsof ik in een ijswinkel sta.
“Vanille,” antwoord ik zelfverzekerd.

Ik neem het blikje en cakeje naar boven. Naar mijn stapelbed. Inmiddels slaapt er ook een andere jongen. Hij wordt wakker en groet verdwaasd. De televisie staat aan, maar verder is het donker. Het is vast de bedoeling dat ik hem aan laat staan. Ik maak me klaar om naar bed te gaan. In het staalomrande bed kan me niets gebeuren. Naar het toilet, drie wekkers zetten. Een beveiligd laboratorium voor dit nieuwe experiment, met twee professionele laboranten die me kunnen bewaken.
Of zal ik het cakeje weggeven aan mijn kamergenoten? Dit is toch niet wat ik wil? Ik heb toch alcohol om de scherpe kantjes van de wereld te polijsten?

Op de verpakking staat: Als het de eerste keer is, wees voorzichtig. Het duurt een uur voordat je iets voelt. Wacht geduldig af en neem niet nog een portie. Als het verkeerd valt en je denkt dat je doodgaat, ga rustig liggen. Het komt goed. Na deze geruststellende woorden eet ik het cakeje gulzig op.

Een uur verstrijkt voordat er iets gebeurt. Dan voel ik iets. Ik kijk naar beneden, naar het stapelbed. Op een roltafel lopen twee muizen speels rondjes. Is dit echt of is dit een hallucinatie? In dat laatste geval zouden ze vast roze zijn. Als mijn kamergenoot zich omdraait schieten ze weg. Mijn ogen dicht. Dan komen de geluiden en de kleurwisselingen van de televisie versterkt binnen. Kleurige stripfiguren met sterke belijning veranderen van binnen, klappen uit, vervormen, worden zwart-wit. Elke beeld leidt tot een andere associatie in het tempo van een achtbaan. Af en toe moet ik mijn ogen openen om de beeldenstroom te doorbreken. Opnieuw naar de televisie kijken voor andere beelden.

Mijn lichaam wordt warm van onder. Ik wil geaaid worden. De geluiden van de televisie vertalen zich naar vormen, de vormen vertalen zich naar woorden. Synesthesie. Kleuren, woorden, vormen, alles loopt in elkaar over. Pen en papier. Het liefst wil ik aantekeningen maken van de nieuwe ideeën en beelden, maar het gaat te snel. In bed blijven. Mijn hart slaat over. Drie woorden herhalen zich, telkens versterkt door andere beelden. Een film die in steeds hoger tempo wordt afgespeeld. Ik moet me concentreren om niet in een loop te raken. Mijn hersenen zijn een transparant 3D-model met felgekleurde ontvangers. Lichtimpulsen schieten alle kanten op. Mijn hoofd is een flipperkast. Ik kijk naar beneden, maar de muizen zijn weg. De televisie moet uit, maar ik durf het veilige bed niet te verlaten.

De volgende ochtend word ik wakker. De televisie brengt het ochtendjournaal. Mijn twee kamergenoten worden wakker, tonen trots hun lichaam aan de ochtendzon en kleden zich aan.
“Do they serve breakfast?” vraagt een Italiaan.
“They have spacecake,” antwoord ik.
“That sounds delicious,” zegt hij lachend en hij valt terug in zijn kussen.

De coffeeshop is alweer gevuld met rook. Ik drink een cappuccino, maar moet nog niet denken aan eten. Ik vlucht de koele buitenlucht in naar Schiphol.

Budgethotel Utopia is een coffeeshop met een aantal hotelkamers, op loopafstand van het Centraal Station. Zowel single, double als vierpersoonskamers. De kamers zijn netjes en schoon. Er is gratis internet beschikbaar. Het ontbijt wordt geserveerd in de coffeeshop.

Hotel Utopia, Nieuwezijds Voorburgwal 132
Vanaf 40 euro

Bij Mr Finney

Hotel Tamara

Tamara. Een van de twee vrouwen waar ik ooit verliefd op was. Tamara had alles wat een man niet had, laat staan een vrouw. Al 15 jaar denk ik elke keer als ik het gele hotelbord zie aan haar. Hoe ze “Vincentje” tegen me fluisterde. Omdat wij Nederlanders zo graag verkleinwoorden gebruiken. “Vincentje.”
Toen Tamara ooit een hotel in Amsterdam zocht, raadde ik haar Hotel Tamara aan. Vooral vanwege de naam.

Ik bel aan, maar de deur is open. Een klein bordje met L&M Finney. Boven aan de trap klinkt gehoest. In een schimmig kamertje staan een rieten ligstoel, een geïmproviseerd bed van kussens en dekens en een bureautje vol oude spullen. Een oude man begroet me rochelend. Hij ziet eruit alsof hij vanavond zal sterven.
“Please close the door every time you leave the hotel. You know Amsterdam. It’s a Fellini movie set.” Hij spreekt Brits. Ik vraag of dit zijn hotel is. Tamara, het hotel van mijn geliefde.
“No, it’s my little auntie’s.”
“Tamara?””
“No, Tamara is a Hebrew name,” zegt hij verbaast over de stupiditeit van mijn vraag. “My name is written above the front door. Downstairs is a supermarket. Open until 10.” Hij spreekt de woorden duidelijk uit, als een acteur die jarenlang hetzelfde stuk speelt. Een positieve manier om te vertellen dat het hotel geen dranken of andere voedingsmiddelen verkoopt.

Op de trap zit een zwarte kater die weigert uit de weg te gaan voor mij en mijn koffer. Alsof ik niet heb geroken dat hij zijn territorium heeft afgebakend met urine. De lucht vermengt zich met die van verschaald bier.

De kamer is klein, maar niet ongezellig. Alleen het stopcontact en de brandmelder verraden dat deze absurde film zich afspeelt in de moderne tijd. Geen televisie en een wasbak van voor de oorlog. Er zitten bruine vlekken op de wollen deken. Ik inspecteer het matras de muren op sporen van ongedierte. Dit hotel ziet er niet uit alsof het elke dag grondig wordt gereinigd.

De lucht in de hal wordt overstemd door de geur van wiet, de geur die ik inmiddels associeer met ‘thuis’. Mr Finney heeft een pianoconcert opgezet. Hij steekt zijn hoofd om de hoek. “Have a nice night.” Hij drinkt onzichtbaar in een donkere kamer met handgeschreven private op de deur. Hij kijkt televisie.

Als ik uren later terugkom, klinken de piano, het gehoest en de televisie nog steeds door elkaar. Ik leg mijn kleding op de stoel en schuif tussen de lakens. Het licht blijft aan en de gedachte aan jeuk houdt me uit de slaap. Af en toe klinkt de huiselijke deurbel. De volgende ochtend blijk ik toch geslapen te hebben, want de bel maakt me wakker. Na de douche droog ik me af met een blauwe handdoek vol jodiumvlekken.

Dit hotel wordt gerund door cafe één man. Mr Finney. Mr Finney die de receptie, het onderhoud doet en de kamers schoonmaakt. Een oude man die met moeite beweegt. Het is een wonder dat er schone lakens op het bed lagen en een handdoek die was gewassen.

Mr Finney zit achter de receptie. Zo te zien heeft hij wél geslapen.
“Rain for breakfast, sun for lunch,” zegt hij opgewekt en knikt naar buiten. Een positieve manier om te zeggen dat het hotel geen ontbijt serveert.

Tamara had dit hotel fantastisch gevonden.

Hotel Tamara is een oud en vervallen budgethotel voor toeristen die naar Amsterdam komen om te blowen en weinig eisen stellen aan het hotel waar ze verblijven. Het ligt op loopafstand van het Centraal Station.

Hotel Tamara, Nieuwezijds Voorburgwal 144
Vanaf 45 euro

In een gevangenis

Hotel Delta

Voor het hotel staan rijen met etende mensen. De beste Vlaamse friet van Nederland staat op het bord. Door de puntzakken met druipende mayonaise naar de entree van het hotel.

“50 Euro borg,” zegt de receptionist. Een Amsterdammer.
“Dat is veel geld. Dat heb ik nog niet eerder meegemaakt!” roep ik verbaasd uit.
“Nou, dan bent u nooit eerder in een Amsterdams hotel geweest,” zegt hij fel. Alsof hij uit is op ruzie.
“Volgens mij is dit nummer 250, dit jaar,” zeg ik geprikkeld. Hij kijkt me ongelovig aan.
“Laat die afstandsbediening maar zitten,” onderhandel ik.
“Prima. Maar dan moet u toch  50 euro borg betalen. Ja, mensen nemen de afstandsbediening mee en met 20 euro is die niet gedekt.” Hij overhandigt een witte designstaaf, een enquêteformulier en de sleutelkaart. “Dit hele pakket moet morgen terug. Elke keer als als u het hotel verlaat, moet u de sleutel inleveren.” Hij klinkt streng, alsof ik op bezoek ga in een gevangenis.

Op de gang struikel ik over een stofzuiger. Een donkere vrouw lacht vriendelijk en legt me uit waar kamer 225 is. Opeens slaat ze haar hand voor de mond en vraagt of ik even wil wachten. Ze rent naar haar kar en pakt een douchegordijn. Samen met mij gaat ze naar binnen. In de badkamer hangt ze het gordijn op. Zingend knoopt ze de lussen aan de stang. Het is een mooi gezicht. De vrolijke lachende vrouw die afsteekt tegen de witte tegels en het kraakwitte gordijn. Met mijn camera moet ik een aantekening maken en vraag of ze het erg vindt als ik een foto maak. Ik toon de telefoon. Ze lacht vriendelijk en gaat door met het gordijn, terwijl ik haar vastleg.

Ik moet gezuiverd worden en kleed me uit om onder de douche te gaan. Een voorzorgsmaatregel, om verspreiding van bedwantsen te voorkomen. Het warme water spoelt het onzichtbare gevaar richting het riool. Twee keer per dag verkleden, twee keer per dag douchen, de kleding wassen op 60 graden. Nieuwe rituelen in het al zo rigide programma. Bij gebrek aan spiegel maak ik een foto van mijn billen, om te zien of de rode bulten inmiddels dicht zijn en ik een andere crème moet gebruiken.

Hard geklop op de deur. Snel de kleren aan.
“The lady is pissed-off. She wants you to delete the picture.”
“I asked for her permission and she smiled. She smiled!”
“You must delete it now,” zegt de donkere man dreigend. Hij stapt de kamer in.
Ik beloof het met mijn vuist op het hart.
“You must delete the picture now.” Dreigend. “She wants me to check it.”
Over mijn schouder kijkt hij mee op mijn camera. De witte billen met rode plekken verschijnen groot in beeld en hij doet een stap naar achter. Als de vrolijke wasvrouw in de prullenbak verdwijnt, verlaat de man de kamer.

In dit hotel hangt een oorlogssfeer die voortkomt uit frustratie. Door het soort toeristen dat hier komt? Ze willen niet betalen en scheppen overlast? Gasten die drinken, blowen, diep in de nacht dronken thuiskomen en de afstandsbediening meenemen als compensatie van de hoge kosten in Amsterdam. Of het gebrek aan vriendelijkheid van het personeel? Wie beïnvloedt wie?

De kamer heeft uitzicht op een baksteenmuur met twee tralieramen. Rondom een tapijtrand aan de wand. De witte afstandsbediening valt op in het ouderwetse interieur. Ik ontsnap uit het hotel en ga naar vrienden in Den Haag. Na middernacht kom ik terug en val probleemloos in slaap.

“I guess the black water is coffee and the yellow water is orange-juice?” vraagt een man ironisch. In de ontbijtzaal zitten onsmakelijke mensen. Een man is te zwaar voor een enkele stoel. Twee keer ga ik op een andere plek zitten om mijn eetlust niet te verliezen. Achter me wordt geschreeuwd. Twee Spaanse vrouwen vinden het belachelijk dat ze voor koffie uit de espressomachine moeten betalen. “I don’t speak your language,” blijft het blonde meisje herhalen. ”You have to pay for the coffee.” Ze lacht verontschuldigend naar mij.
Haar collega zucht. “Vorige week hadden we ook een gast die niet wilde betalen.” Ze moesten 800 afrekenen en wilden maar 700 geven. Uiteindelijk moest de politie erbij komen.”

Ik lever de witte afstandsbediening, de sleutelkaart en een niet-ingevulde enquête in. Buiten schijnt de zon. Nieuwe groepen toeristen komen Amsterdam binnen. Ze lijken gelukkig.

Hotel Delta is een driesterrenhotel dat midden op het drukke Damrak ligt. Het hotel is ouderwets en schoon, maar de mensen zijn niet erg hartelijk. Hier komen vooral toeristen. Er wordt een borg van 50 euro gevraagd.

Hotel Delta, Damrak 42-43
Vanaf 65 euro

In een shoarmatent

Restaurant-Hotel Il Giardino

Er staat een Egyptische jongen voor het hotel, in de deuropening van de shoarmazaak. Zoals er altijd mannen staan voor deze hoek, schuin tegenover het Centraal Station. Zij leven op straat. Tot diep in de nacht komen toeristen hier om hun nachthonger te stillen met gekleurde donuts, croissants, pizzapunten of shoarma. Broodjes waarvan het lijkt dat ze al maanden in de vitrine liggen. Bewegingloos.

“De receptie is hier,” zegt hij vriendelijk. Een uitnodigend gebaar richting de glazen toonbank. Hij is gekleed in een wit T-shirt met ketting. Op de counter ligt een handgeschreven overzicht van de hotelkamers. Met een wit kwastje streept hij zorgvuldig een kamer door, alsof het uitmaakt in de wirwar van getallen en doorgestreepte namen dat dit er uitgerekend in dit vakje is gekrast. Hij bijt op zijn lip als een kind dat een tekening maakt.

Aan tafel zit een man met een gescheurde pupil. Zijn ogen staan strak van de drugs. “Je moet hem een goed cijfer geven, want dit is een fantastisch hotel. Het is echt een fantastisch hotel. Hij verdient een echt hoog cijfer. Geef hem een… 6,5! En je moet hier eten, want hij is een erg goede kok.”

Hij geeft me de sleutel. “As’heblieft.” De deur naar het hotel, links naast de shoarrmatent staat wagenwijd open. En dat op een plek waar de hele nacht mensen voorbij lopen. Alleen de kamerdeur scheidt mij van de buitenwereld.

De kamer is ruim. Er staan twee eenpersoonsbedden met blauw dekbedovertrek en wit marinesymbool. In een nis staat een derde bed met roze overtrek. Golfende roze lambrisering. Op de kast en op de andere hoge gedeelten van de kamer ligt vuil. De schoonmaker is duidelijk niet lang genoeg. Opengescheurde zeepzakjes en de verpakking van een betaalbaar paar sokken. De te grote kastdeur blijft alleen gesloten met een stuk hoofdkussen in de kier.

Geen bloedsporen op het dekbed of op de muur, maar de koffer krijgt toch een plaats in de badkamer. Buiten razen auto’s voorbij. De dunne ramen dempen lijken de geluiden van buiten slechts te geleiden. Op de deur hangt een briefje. Just 2 minutes away from the Central Station. Een vluchtplan.

Beneden ga ik aan een tafel zitten, onder een driedimensionaal schilderij van de toren van Pisa. Pizzeria Il Giordino staat er in reliëf op de kunstleren placemats. Dit was ooit een pizzeria. Overgenomen door Egyptenaren, als de verovering van een land. Langzaam zijn er andere producten bijgekomen die de hongerige toerist verlangt. “Shoarma s’hotel?” vraagt de receptionist met een uitspraak die liefde verraadt. Hij gaat naar de keuken. Telkens komen er mensen bij de receptie staan. Moet ik hem waarschuwen? Nee, hij gaat op in het koken.

Naast me zit een jongen te eten. Uit de luidspreker komt gehoest en geluid van een kotsende man. De jongen duwt zijn bord weg. “What kind of place is this?” vraagt hij. Het is een CD van Eminem. De fles knoflooksaus blijft plakken aan de binnenkant van mijn vingers. ”Tot 1 uur kun je in het restaurant zitten. Daarna kun je je eten mee nemen naar boven.”

Van buiten klinken de hele nacht bouwgeluiden. Er wordt een brug aangelegd naar het nieuwe hotel aan de overkant. Koplampen en geluid van sirenes. De TL-verlichting blijft aan als bij een biologisch experiment.  Telkens als ik bijna slaap, voel ik jeuk. Op mijn benen, in mijn bilnaad. Ik ontdoe me van mijn boxershort, om beter te kunnen zien wat er op mijn huid gebeurt en om eventuele beesten de vrijheid te geven, zodat ze niet telkens opnieuw moeten prikken, gestoord door de bewegende kleding. Halverwege de nacht opnieuw naar de badkamer voor een laag DEET. De indringende geur zorgt voor het gevoel van veiligheid die zorgt dat ik een uur diep slaap. Egyptisch geschreeuw in de gang wekt me.

Ik bekijk mijn onderlichaam in de staande spiegel. Rode bulten met bloedkoppen. Opnieuw een brailletekst op mijn billen. Intense jeuk. Ik smeer de beetwonden in met desinfecterende crème. Het voelt goed om gebeten te zijn. Een vorm van zelfkastijding. En dat ik niet voor niets heb wakker gelegen.

“Wilt u ontbijt,” vraagt de Egyptische jongen. “Nee, dank je,” hoor ik mezelf zeggen. “Alleen een cappuccino, graag.”
Ik kan het niet nalaten om te vragen wat het ontbijt geweest zou zijn. “Je had iets uit mogen zoeken uit de vitrine. Maar je wilde alleen cappuccino. Was het allemaal goed?” Zijn donkere ogen kijken me aan.

“Het was fantastisch. Je krijgt een 6,5.”

Alles moet gezuiverd worden. Opnieuw in quarantaine. Wassen op 60 graden.

Hotel Il Giardino is een goedkoop hotel met 14 kamers tegenover het station. Het ligt oven een shoarmazaak met andere snacks die de hele nacht open is. De kamers zijn niet heel schoon, maar de Egyptische eigenaars zijn vriendelijk. Ze hebben ook een toeristische bazar naast het hotel.

Hotel Il Giardino, Prins Hendrikkade 97-98
Vanaf 65 euro