In een kast

Hotel Jimmy

ROOMS AVAILABLE, CHEAPER PRICE staat op de deur. Elke dag.

De deur gaat automatisch open en ik neem de trap naar boven. De hal ruikt naar verf. De grijze plavuizen en glimmende wanden ogen nieuw. Is dit echt het smerigste hotel van de stad? De hotelhel? Ondanks alle waarschuwingen wil ik er slapen.

“We hebben een kamer van 75 euro, maar ik moet je waarschuwen: hij is klein. Heel klein.” zegt het meisje achter de receptie in het Engels met een Oost-Europees accent. Ze lacht ernstig. “Er is wel een grotere kamer, maar dan betaal je 170 euro of meer.” Was dit niet een budgethotel? Ze pakt een schrift en schrijft zorgvuldig de gegevens van mijn paspoort over.

Ik leg het geld op de receptie. Het voelt als een criminele transactie. “Wilt u de kamer niet eerst zien?” vraagt het meisje vriendelijk onzeker, maar ik pak de geknakte kaartsleutel en ga de trap op. Blij dat er nog een kamer is, want de stad zit vol met mensen die hier afscheid komen nemen van het jaar.
“De kamer is aan het eind van het hotel,” zegt ze, terwijl ze naar de hemel wijst.

“Welke kamer zoekt u?” vraagt de schoonmaker met een zelfgerolde dunne sigaret in zijn mondhoek, leunend op zijn mop. Hij begint te lachen als hij nummer 30 op de kaart ziet staan. “Helemaal boven. Die kamer is echt heel klein.”

Buiten adem door de zware verflucht, in combinatie met de sigarettenrook en schoonmaakmiddelen, bereik ik de bovenste verdieping. De kamer is niet breder dan een toilet in een rijtjeswoning. In deze scherpe verflucht kan ongedierte niet overleven, troost ik mij. Een eenpersoonsbed met een krukje. Daarboven hangen een lamp, een televisie met twee houten hangertjes eraan. De kamer is de kast. Glanzend witte muren. Voor het kleine venster hangt een gordijn. Door kapot getrokken kippengaas is een dak vol apparaten en een satellietontvanger te zien. Het is warm in de kamer en een van de lampen is kapot.

De koffer balanceert op het krukje als een circusolifant. Ik ga liggen op de harde matras, onder de oorlogsdeken. De verflucht vermengt zich met een wietlucht uit de andere kamers in de hal. Hard klinkt oubollige vioolmuziek uit de kamer van een Italiaans koppel aan de andere kant van de gang. Steeds hetzelfde nummer. De uren verstrijken, maar slapen lukt niet onder de felle lamp. Als ik wil douchen, realiseer ik me dat er geen handdoek op de kamer ligt. Ik wil weg, weg uit dit hotel.

“Klein, he?” lacht het receptiemeisje besmuikt. De voordeur draait automatisch open.

Een nette man staat buiten. “Ik ben de eigenaar van het hotel, niet de manager. We hebben geen tijd om naar de negatieve recensies op internet te kijken, want ik heb nog meer hotels. Dat het schoon is, dat vind ik het belangrijkst. We hebben net alles opgeknapt. Die hoge kamerprijzen, dat is marktwerking. We zitten natuurlijk op een geweldige plek, zo dichtbij het station. En als er te weinig hotelkamers zijn, dan schieten onze prijzen omhoog. Dan betalen mensen 75 euro voor zo’n klein kamertje. Zolang ze dat betalen, zijn wij gek als we de prijzen zouden verlagen. Mensen komen een volgende keer niet meer terug, maar er komen genoeg nieuwe toeristen naar Amsterdam. Wij zitten altijd vol.”

Hotel Jimmy is een hotel tegenover het Centraal Station. De kamers zijn zeer basic en ouderwets ingericht, maar het hotel is net opgeknapt en geschikt voor gasten die willen blowen en nergens anders terecht kunnen.

Hotel Jimmy, Martelaarsgracht 15-boven
Vanaf 75 euro (geen website)

In het wit

chic&basic Amsterdam

Mensen ontvluchten de snijdende kou. Het begint te sneeuwen en iedereen lijkt gehaast. Onrust aan de vooravond van een nieuwe ijstijd.
“Hoe heette dat hotel waar je naartoe ging? Cheap & dirty?” vraagt een vriend ironisch.
“Altijd weer die kakkerlakken,” zegt een taxichauffeur als een collega zijn rit wil afpakken en hij steekt zijn vuist op. De grijze massa onder zijn banden spat op tegen een nors kijkende vrouw.

Op een oud pand aan het begin van de Herengracht prijkt de intrigerende hotelnaam in zilveren letters. Wat is ‘chic’ en wat is ‘basic’? Van buiten is het moderne decor te zien. Een groot contrast met het meest pittoreske deel van de grachtengordel, dat eeuwenlang niet aangetast lijkt.

De receptionist overhandigt de kunststof sleutel.
“Je kunt beter een creditcard van een Hollywood-ster zijn,” spreekt de kaart bescheiden.
“We zijn een Spaanse miniketen van vijf hotels. Eentje hier en vier in Spanje. Het schijnt dat de Spaanse hotels nog mooier zijn dan dit. Ik loop even mee.” We lopen door de spierwitte ruimte met groen plafond, waar witte loungebanken en kuipstoelen staan. Er zit een jong echtpaar in galakleding te wachten op hun taxi. Haar jurk past bij zijn felrode strikje. Twee vriendinnen werken hun make-up bij. Om hen heen staan kleurige tassen van modewinkels.
“Hier staat een machine waar je de hele dag koffie en thee uit kunt halen. En hier wordt morgenochtend een ontbijt geserveerd. Een erg eenvoudig ontbijt, hoor. Maar het is wel inbegrepen.”

De kamer is niet groot, maar doordacht ingericht. Het hangende bureautje is meteen de kledingkast. De kamer is wit. Achter het bed hangt een van achter aangelichte zwart-witfoto met een man en een vrouw in een liefdevolle pose. Op het bed liggen twee opgerolde A4-tje met een rood lintje erom: de hoteldirectory.  Een spiegel op de badkamerdeur. Op het ingepakte zeepje in de badkamer staat: this is the cutest soap that you will steal from a hotel. enjoy it.

Ik smeer mezelf in met doucheschuim van honing en amandelolie. Een goede douche met een fijn geurend doucheschuim en een comfortabel bed. Is dat de basis of is dat de luxe van een hotel?
In mijn handdoek ga ik op bed liggen en kijk naar het shirt en jasje die aan de bureaukast hangen. Naar de laptop en telefoon. Naar de schoenen naast het bed en de koffer.  Dit ben ik. Dit is de man die ik wil zijn. Even lijkt mijn leven te kloppen. Chaos is structuur geworden. Chic & basic.

Opeens is het glashelder. Een hotel moet blanco zijn. Alles wat afleidt, kan zorgen voor irritaties en problemen. Kleur wordt aan het hotel gegeven door de mensen. De mensen die er werken én de gasten. Subtiel improvisatietoneel op een leeg podium. Een goede regisseur bepaalt niet alleen wie er op het podium staat, maar ook wie er in de zaal zitten. Want bij toneel gaat het om de interactie tussen de zaal en het stuk. Elk hotel krijgt de gasten die het verdient.

Shine like a star,” adviseert de schoenpoetsmachine. In de ontbijtzaal begint een man een gesprek met mij, nadat ik hem heb laten zien hoe de broodrooster werkt.
“Er gaan geen vliegtuigen, dus ik moet helaas in Amsterdam blijven,” zegt hij lachend. We staan met onze handen in de zak te wachten op het brood. Voor het eerst sinds maanden knoopt een andere gast een gesprek met me aan. Uit verbazing vergeet ik terug te praten. We kijken zwijgend naar de broodrooster, als na een te lang huwelijk.
De sneeuw heeft ook het treinverkeer stilgelegd, dus ik besluit om in het hotel te blijven werken en neem een cappuccino.
“Wat is dat,” vraagt de man die wijst op het witte schuim. “Dat wil ik ook wel.” Ik pak een kopje en druk op de cappuccinoknop.
Af. Scènewissel.

“Hola. Wil je misschien ook wat andere kamers zien?” vraagt de receptievrouw met Spaans accent. “De kamers zijn verdeeld in M, L en XL. Jij had een L, dus die was vrij ruim. Bijna alle kamers zijn inmiddels in de stijl zoals die van jou. Voor een aantal kamers wachten we al tijden op een vergunning om te verbouwen. Dat zijn onze vintage-kamers.”

Het interieur loopt over in de steeds witter wordende wereld aan de andere kant van de glazen pui. Als het even stopt met sneeuwen, verlaat ik het hotel. Er rijden geen auto’s meer op de grachten. Alleen mensen schuifelen voorzichtig door de krakende sneeuw. Ze groeten vriendelijk en lachen naar elkaar, maken een praatje met onbekenden. Alles wat voor afleiding kan zorgen is afgedekt door een beschermende laag. Geluiden worden gedempt en de haat is verdwenen. De hele wereld is veranderd in een wit hotel.

chic&basic is een klein en sympathiek hotel in drie grachtenpanden, vlakbij het Centraal Station, aan het begin van de grachtengordel. De kamers zijn ingedeeld in drie maten, waarbij sommige uitzicht hebben op de gracht. Het grootste deel van de kamers is zeer modern ingericht en hebben een bescheiden formaat. Internet, koffie & thee en een zeer basic ontbijt zijn inbegrepen. chic&basic maakt deel uit van een groep hotels, hostels en appartementen in Spanje.

chic&basic Amsterdam, Herengracht 13-19
Vanaf 82 euro

Op neutraal terrein

Hotel Neutraal

De receptionist kijkt me via een hoekspiegel aan. Hij houdt nauwlettend in de gaten wie zijn hotel binnenkomt en verlaat. De deur zit niet op slot en hier kan iedereen overdag zomaar naar binnenlopen. Het is al ver na middernacht als ik incheck, maar dat is bij dit hotel geen probleem.

In de overdekte patio tussen de entree en de kamers ligt groen zeil, staan emmers en grote kluizen met YOUR PERSONAL SAFE erop en hangt een condoomautomaat. Veiligheid boven alles, in dit hotel. Het lage tweepersoonsbed in de kleine kamer heeft een spiraalbodem en een dun matras. Bruine paardendekens met witte bloemen. Gestreepte pastelgordijnen die niet geopend kunnen worden en het uitzicht op de luchtkoker blokkeren. Een helblauw tafelkleedje. Kabul, zeg ik hardop. Nee, de kamer doet eerder denken aan het staatshotel in Bulgarije, waar mijn ouders ons wodka voerden zodat we de kakkerlakken zouden vergeten.
Tot mijn verbazing werken de afstandsbediening en de televisie en is het behaaglijk warm. Het bed is hard, maar de slaap wint.

“Ga zitten. Wilt u koffie of wilt u thee?” vraagt de dagreceptionist vriendelijk, en hij staat op. Ik had niet verwacht dat hij Nederlands zou spreken.
“Hier staat het ontbijt.” Hij wijst op de schalen met brood, kaas, vlees en gesneden komkommer en tomaat.
“We zitten op een toplocatie, maar het is van buiten niet zo goed te zien dat we hier zitten. Ik loop er zelf ook wel eens voorbij, ’s morgens. De belettering valt niet op. Te neutraal.”

“Vroeger stelden mensen eisen aan een hotelkamer. Ze wilden dit en dat, dat, dat en betaalden daar ook voor. Tegenwoordig willen mensen maar een ding: goedkoop. De meeste toeristen zijn de hele dag op pad. Ontbijten hier even en zijn dan weer weg. Naar coffeeshops en zo. Komen dronken thuis. Zij merken dan niet waar ze slapen. Desnoods op de grond. Soms is het zo druk in de stad en zijn er nergens goedkope hotels. Dan smeken mensen zelfs of ze in de kast mogen slapen. Zelf vind ik een goed bed en een goede douche erg belangrijk.”

Hij komt dichterbij en kijkt angstig. “Zeg eens eerlijk. Is dit het ergste hotel waar je bent geweest?”
“Nee, ik heb veel slechtere hotels gehad.”
“Wat vond je het slechtste aan de kamer?”
“De bed en de douche,” antwoord ik zonder na te denken.
“Ja, ik weet het. Het is vreselijk oud. Ik zou er nooit voor betalen om hier te slapen. Ik zeg dit ook tegen mijn baas. Er zou dit jaar verbouwd worden. Dit pand is onlangs overgekocht door de gemeente. Het wordt helemaal gerenoveerd en dat is ook echt nodig. Maar zeg eerlijk: is het echt niet het slechtste hotel waar je dit jaar bent geweest?” vraagt hij verbaasd. Hij schrikt van mijn stellige ontkenning.

“In deze buurt gebeuren sowieso altijd gekke dingen. Er zijn hier ook wel vrouwen geweest die geen geld hadden voor een hotel en op een trein moesten wachten. Ze waren dan te bang om buiten te blijven en dan zeg je geen nee. Eentje hielp ’s morgens mee met het serveren van het ontbijt. Er komen ook wel eens zwervers. In het begin stond ik dat wel eens toe, maar dan komen ze de volgende dag terug met een vriend. Voor je het weet zitten ze hier elke dag.”

“Ik werk hier nu 17 jaar. Mijn moeder maakte hier schoon en via haar kwam ik hier. Jarenlang deed ik nachtdienst en dan maak je pas echt rare dingen mee. Soms maanden niet en dan drie avonden achter elkaar. Een keer man waarvan de tand uit zijn mond was geslagen, vluchtte in paniek naar boven, boog over de receptie. Het bloed spoot uit zijn mond. Ik moest snel alle papieren aan de kant schuiven. De politie kwam en heeft buiten naar zijn tand gezocht. Meteen daarna kwamen vier clowns binnen die geen geld meer hadden en hier even wilden pauzeren. Dan denk je wel even: wat een vreemde wereld, die hotelwereld.”

“Er komen hier wel mensen die voor een paar uurtjes een kamer huren. Je weet precies wat ze komen doen. Bolletjes slikken en dan meteen het vliegtuig in. Soms moeten ze hier ook dagen blijven wachten tot hun vlucht naar Venezuela vertrekt. Zitten ze hier aan tafel te wachten. Gaan af en toe naar buiten om een rondje te lopen. Dan komt er elke dag ‘een vriend’ om de rekening te betalen. Voor dit soort dingen gaan mensen naar een hotel. Dat is neutraal, hè? Wij vragen niet aan gasten waarvoor ze hier komen.”

Hotel Neutraal ligt aan het begin van het Damrak, vlakbij het Centraal Station. Het budgethotel met 34 kamers is armoedig ingericht, maar redelijk schoon en de mensen die er werken zijn sympathiek.

Hotel Neutraal, Damrak 8
Vanaf 45 euro

In de kou

Hotel Season Star

Het is binnen nauwelijks warmer dan buiten. Achter de receptie zit een Chinese jongen. Hij geeft me de sleutelkaart en reageert niet op mijn pogingen om een gesprek te voeren. Misschien is hij druk bezig.

In de kamer is het zelfs kouder dan buiten. Er staat een twijfelaar tussen de muur en het raam. Op de kleine televisie staat Welcome to Hotel De Martelaar. De gordijnen hangen gedeeltelijk los van de roede. Er zitten bloedvlekken op het dekbedovertrek. Zijn er nog andere sporen van bedbugs? Met jasje aan en sjaal om aan ga ik beneden zitten schrijven. De jongen achter de receptie is continu aan het giechelen. Hij kijkt een serie op de computer voor hem.

Er komt een zwerver binnen met rooddoorlopen ogen.
“It’s so cold outside. Where is the Salvation Army?”
De receptionist haalt zijn schouders op en blijft naar de televisie kijken.
“The Salvation Army is in this street,” zeg ik. “One block away.” De zwerver loopt op me af. “Wacht, ik zoek het adres op,” zeg ik. De zwerver gaat zitten. “Oh, I need to sit down for a moment. It’s freezing. I have no money and no place to go.” Met het adres verlaat hij het hotel. Even later komt hij terug. Hij kan het niet vinden. Ik leg nogmaals uit waar het is, maar hij gaat op een stoel in de receptie zitten.

Het is duidelijk waarom de receptionist hem meteen wegstuurde. Het liefste blijft de man hier de hele avond zitten. Het is hier wel koud, maar in ieder geval windvrij.
“Don’t fall asleep,” zegt de receptionist. Dan stopt hij de serie en zoekt in de computer op waar de daklozenopvang is, print de informatie uit en wijst aan op de kaart waar hij moet zijn. Diep in hem zit een service-verlener verscholen.

Even later komt de man weer terug. Dit is mijn schuld. Ik heb van dit hotel een daklozenopvang gemaakt. Hij gaat parmantig op zijn stoel zitten.

Ik loop schuldbewust naar buiten, bel aan bij het Leger des Heils en vraag of ze nog onderdak hebben voor een verkleumde zwerver. De man kijkt verbaasd naar mijn laptoptas, mijn merk-jasje en overdreven sjaal.
“Nee, niet voor mij, maar voor iemand die in mijn hotel zit te wachten.”
“Erg aardig van je, maar we zitten helemaal vol door de extreme kou. Niet alleen wij, maar de hele stad zit vol. Hij moet contact opnemen met de politie. Wij kunnen helaas niets doen. Dank voor je betrokkenheid.”

Opeens voel ik me schuldig. Elke avond slaap ik in een hotel. Zelfs de meest goedkope hostels zijn luxe vergeleken bij de uitpuilende opvanghuizen voor daklozen. Alle hotels zijn deze week bijna leeg. Er komt een auto aanrijden met dekens en eten. “Het is een gekkenhuis, vanavond,” zegt de chauffeur.

Moet ik hem uitnodigen om naast me te slapen? Als ik hem eerst vraag om te douchen, dan kan hij best naast me liggen. Maar het bed is wel erg smal en ik straks wordt hij wakker met beten van bedbugs. Dat kan ik hem niet aandoen.

“Sorry, there’s no place at the Salvation Army. You have to contact the police.” Ik zet een hamburger voor hem neer om hem te troosten.
“Is this for me?” vraagt hij verbaasd. Tranen in zijn roodomrande ogen.

Een uur later is de dakloze is nog niet weggestuurd. Hij zit keurig op zijn stoel te wachten, alsof hij een gast is. De receptionist is wel verdwenen.
Rillend lig ik onder de dekens. De opladende telefoon en laptop geven me enige warmte. Als ik  de volgende ochtend beneden kom zit de receptionist in zijn winterjas achter de receptie. De zwerver is weg.

Bij het volgende hotel zegt de manager: “Vroeger hadden we hotel Season Star, dat vroeger de Martelaar heette. Nu is dat van een Chinese eigenaar die een ster is kwijtgeraakt. Ik ben nog wel eens teruggeweest, maar de nieuwe eigenaar is heel koud. Die vergeet dat het in een hotel draait om gastvrijheid. Dat je warmte moet geven aan je gasten.

Hotel Season Star is een ouderwets hotel, vlakbij Centraal Station. In de entree is gratis internet en er wordt een zeer basic ontbijt geserveerd voor 7 euro.

Hotel Season Star, Martelaarsgracht 18
Vanaf 65 euro

Met een journaliste

Hotel Avenue

“Goedemiddag. U wilt inchecken? Wat is uw naam? Oh, u bent dus schrijver,” leest het meisje achter de receptie voor van het computerscherm.
“Ja, ik schrijf,” antwoord ik lachend. Zouden ze achter iedere gastennaam een functie zetten?

Tegenover een kleine bar in de entree hangt een portret van de koningin. Verderop een vitrine vol huishoudtextiel met Delftsblauwe bedrukking. Ovenwanten, pannenlappen en theedoeken.
Via gek gebogen gangen bereik ik de keurige kamer en plug de telefoon, laptop en elektrische tandenborstel in. Aangelijnde hongerige beesten op doorreis, die hun dorst lessen bij de drinkplaatsen in de hoeken van de kamer. De gordijnen hebben een jaren-’80-motief. Een messing lampje zit vast aan het bureau. Vanaf een blauw stoeltje observeer ik de kamer.

Een sms van een Duitse journaliste. Bin angekommen. Wenn du lust hast, können wir uns noch sehen.

We vinden elkaar in de hal. De charmante jonge vrouw stapt op me af alsof ik haar al jaren ken.
“Toen ik net incheckte zei de receptioniste: ‘Ah, u bent journalist. Wat grappig dat ze dat bij de reservering zetten. Zouden ze dat bij iedereen doen? Het getuigt wel van interesse in mensen.”
“Ah, jullie hebben elkaar gevonden,” zegt de receptioniste.

De bar is leeg. “We kunnen wel buiten het hotel wat drinken, maar ik ben net ingecheckt, dus ik heb nog niets meegemaakt in het hotel om over te schrijven,” zeg ik tegen de journaliste. Ze knikt begrijpend, maar loopt voor me uit richting de elektrische schuifdeuren. De enige bar in de buurt die ik ken zit in een ander hotel. Mijn wereldbeeld is erg plat geworden.

“Ik snap sowieso niet wat je aan hotelbars vindt,” zegt de journaliste. “Een verzamelplek voor eenzame mensen. Voor een vrouw alleen is een hotelbar vreselijk. Binnen een half uur zit er een man naast je. Niet omdat ze op zoek zijn naar een diepgaand gesprek over het leven, maar omdat ze niet alleen in bed willen eindigen. Wat is er misgegaan in je leven, dat je kan leven zonder spullen, zonder huis, zonder partner? Voor mij geen alcohol meer, anders wordt het opnemen morgen niets.”
“Twee glazen wijn,” zegt ze tegen de ober.
“Dat is het leuke van journalist zijn. De verhalen liggen voor het oprapen. En je ontmoet mensen die je anders nooit zou ontmoeten. Anders had ik nu niet bij je in het hotel gezeten.”

“Nu moeten we terug,” zegt de journaliste een paar glazen later. “Je hebt namelijk nog geen verhaal en straks geef je mij hier de schuld van.” Op de leren stoeltjes in hal van het hotel wachten we zwijgend tot een verhaal zich aandient. Een uur verstrijkt en er gebeurt niets. Ze leest ondertussen de hotelverhalen. Af en toe verschijnt er een glimlach op haar gezicht.

“Het is 1 voor. Om 11 uur sluit de bar,” zegt de journaliste. “De bar ziet eruit alsof hij nog nooit is gebruikt. Denk je dat we nog wat kunnen bestellen? Om Nederland gaat de bar meestal tien minuten voor sluitingstijd dicht.”
“Jullie krijgen de drankjes van mij,” zegt het receptiemeisje. “Maar dat mag je niet opschrijven,” zegt ze lachend. “Straks denkt iedereen dat ze hier gratis drankjes krijgen.”

We nippen van onze wijn. Elke keer als er mensen binnenkomen of als de telefoon gaat kijken we elkaar vol spanning aan. “Wacht, ik ga even roken en ik kom terug met een verhaal.”

“Ik heb een verhaal voor je,” zegt de journalist als ze terugkomt. De nachtreceptionist die zo binnenkomt gaat straks gitaar voor ons spelen. Een privéconcert. Dat heb ik voor je geregeld.” Meteen komt er een jongen het hotel binnen met zijn fiets en een gitaar.
“Nachtportier zijn is een ideale baan. Ik kan de hele nacht gitaarspelen. Wil je een treurig liedje?” Hij gaat op de rand van de bank zitten met z’n gitaar op schoot. Hij buigt zijn hoofd licht en zingt met kopstem door de zachte snaargeluiden. Na het concert applaudisseren we ontroerd en gaan de journaliste en ik naar onze kamers.

“En, heb je al een verhaal?” zegt de journaliste als ze de ontbijtzaal binnenloopt. Ze geeft me een kus, gaat naar het ontbijtbuffet en stapelt haar bord vol met poffertjes, roerei, bacon, worstjes en komkommer. “Wat?” zegt ze als ik kritisch naar haar bord kijk. “Ik eet niet elke dag in hotels.”

“Goedemorgen.” De blonde manager komt op me af. “We hebben elkaar een tijd geleden gezien bij ons andere hotel, Bellevue. Avenue was ons eerste hotel, dus het is wel leuk dat je dit als laatste hebt gehad. Wil je een kopje cappuccino uit de automaat? Dan geef ik je het sleuteltje, dan hoef je niet te betalen.”

De cameraploeg komt binnen. De camera legt vast hoe ik voor de tweede keer ontbijt.
“Schrijf je ook over ons?” vraagt de cameraman. “Dit speelt zich toch hier en nu af?”
“Ja, antwoord ik. Dit is live.”

“Je moet me plechtig beloven dat je niet over mij gaat schrijven,” zegt de journaliste. “Anders ga ik hele nare dingen zeggen over je in het filmpje. Ik doe de nasynchronisatie zelf.”

Hotel Avenue is een keurig driesterrenhotel met 80 kamers, op loopafstand van het Centraal Station met vriendelijke mensen. Het hotel met 80 kamers met allemaal verschillende vormen en afmetingen is gehuisvest in negen panden. Het hotel is van EMB Hotels. Er wordt een uitgebreid ontbijtbuffet geserveerd en er is een bar aanwezig.

Avenue Hotel, Nieuwezijds Voorburgwal 33
Vanaf 65 euro

Met vrolijk gezang

Renaissance Hotel

De General Manager loopt op me af. “Meneer Van Dijk, wat leuk om u hier in het hotel te hebben. Uw jaar zit er bijna op!
Zal ik even de Koepelkerk laten zien?” vraagt hij trots. “Dan moeten we even de straat oversteken. Veel mensen weten niet dat die onderdeel is van dit hotel. Hij is van de Lutherse Kerk, maar wij mogen hem gebruiken. Hij is gebouwd in een tijd dat er geen andere kerken gebouwd mochten worden naast die van de Katholieke kerk. Als ze al toestemming kregen, dan moesten ze een andere vorm hebben dan die van een kruis.” In de ronde kerk klinkt muziek. Alles staat gereed voor een evenement.

We lopen door de ondergrondse tunnel van de kerk terug naar het hotel. “Ik zit hier nog niet zo heel lang. Heb jarenlang in het buitenland gewerkt voor andere Marriott-hotels. Het is gek om weer terug te zijn in Nederland. Wel goed om die buitenlandse ervaring mee te nemen en hier over te brengen op de medewerkers. Zoals bijvoorbeeld service. Dat is in andere landen toch anders. Het is gek: werken in een hotel, sowieso het service verlenen, wordt in Nederland als minderwaardig gezien. Als je in een hotel werkt, zelfs als General Manager, dan heeft dat hier een heel andere status in het buitenland.  Als ik hier in Nederland op een feestje vertel dat ik General Manager van een hotel ben, dan stokt het gesprek en draait de persoon zich richting iemand die een autohandel heeft. Zal ik even meelopen naar je kamer? Zal ik je koffer overnemen? Oh nee, jij draagt hem het liefste zelf, hè?”

Onder het kamernummer staan brailletekens. Hoe doen blinden dat in andere hotels? Het is een ruime zitkamer met een aparte slaapkamer. De Royal Suite is overzichtelijk en ligt duidelijk op de beste plek van het hotel.  Twee enorme vensters geven uitzicht op de Koepelkerk en op de karakteristieke grachtenpanden van Amsterdam. Wat heerlijk dat ik kan zien.

Er wordt op de deur geklopt. Een kleine vrouw vraagt: “Mogen we uw kamer gereed maken voor de nacht?” Ik bedank vriendelijk, want ik heb zelf het gordijn van het kleine slaapkamerraam al gesloten. “Ja, maar. Ja, maar…” Dan springt een ander vrouwtje tevoorschijn en beiden beginnen ze te schaterlachen. “Ja, maar we hebben cadeautjes. En pepernoten.” Ze geeft me een chocoladeletter en een ingepakt boekje. “Voor Sinterklaas.”

In de Club Lounge ben ik niet de enige man die op vrijdagavond eenzaam achter zijn laptop zit met een glas wijn en hapjes. De gastvrouw schenkt moederlijk de glazen vol en haalt de lege bordjes weg. “Wilt u nog iets van het buffet? Ik zet straks de desserts neer.” Een dronken Engelse jongen zingt vals mee met een filmpje op Youtube. Hij voelt zich duidelijk thuis. De zakenmannen kijken verwonderd op van hun computer. Het is niet de bedoeling dat hier wordt gezongen. Wat zou het leuk zijn als opeens iedereen zijn laptop inklapt begint te zingen, als in een slechte musical.
Een Amerikaanse zakenman graait in een bak met verpakte stroopwafeltjes en propt ze schaamteloos in zijn jaszak.

In de bar ga ik schrijven. “Wilt u de cocktail van de dag proberen, meneer Van Dijk?” vraagt de bartender. De kok komt uit het restaurant met een bordje vol kleine gerechtjes. “Komt u vanavond bij ons eten, meneer Van Dijk? We hebben een heel bijzonder anti-pasta-buffet. Dit hotel is twee jaar geleden helemaal verbouwd. Zal ik u even rondleiden door de keuken? Hier ben ik erg trots op.”
Hij geeft uitleg over de open keuken en leidt me dan naar beneden. Een ondergrondse wereld van witte metrotegels en glanzend staal.
”Hier bereiden wij alles voor. We hebben heel veel evenementen. In de Koepelkerk hebben we nog een derde keuken. Het meest bijzondere is ons jaarlijks diner voor daklozen. Dan koken we voor een paar honderd mensen die op straat leven. Dat geeft altijd een bijzonder gevoel. Het hoort echt bij Marriott om iets goeds te doen voor de omgeving. Het Renaissance-hotel is onderdeel van Marriott. Begonnen met een klein winkeltje en nu een keten met meer dan 3.000 hotels. De zoon van de oprichter, Bill Marriott is nu achter in de zeventig, maar hij bemoeit zich nog dagelijks met de hotels. Laatst was hij hier. Dan loopt hij door de keuken en wijst hij op verbeterpunten. Hij ziet echt alles.”

De grote schuine ramen worden langzaam geblindeerd door de sneeuw. Snel opstaan, want volgens de hotel directory wordt het ontbijt tot half 11 geserveerd. Een vrouw zingt een stemmig lied terwijl ze de gang schoonmaakt. Als ik blijf staan om te luisteren, lacht ze en zingt ze door.
“Ja, het is een beetje druk. Iedereen wil voor 12 uur ontbijten. Zal ik nog een cappuccino voor u halen? En nog een jus d’orange?”

“Wilt u nog een stroopwafeltje?” vraagt het meisje achter de receptie als ik uitcheck. “Voor heel veel mensen is dit hun ontbijt.”
“Hier is een paraplu,” zegt de kofferjongen. “Die zult u wel nodig hebben, vandaag. Als u van sneeuwballengevechten houdt: onze portier is hier dol op.”

Door de sneeuw loop ik richting het Centraal Station. Uit de parkeergarage van het hotel klinkt vrolijk mannengezang: Let it snow, let it snow, let it snow.

Renaissance Amsterdam Hotel is een luxe vijfsterrenhotel met 396 kamers en 6 suites, vlakbij het Centraal Station, dat twee jaar geleden is gerenoveerd. Het hotel heeft een mediterraan-Italiaans restaurant “Scossa”, een brasserie-bar “Koepelcafé”, een cocktailbar “2B lounge bar” en diverse meetingzalen. Bij het hotel hoort de 17e-eeuwse Koepelkerk die kan worden afgehuurd voor evenementen. Er is ook een fitnesscentrum.

Renaissance Amsterdam Hotel, Kattengat 1
Kamers vanaf 169 euro

In Little Britain

Hotel Frisco Inn

“How are you doing?” vraagt een dronken Schot als hij zich door de smalle voordeur naar buiten wurmt om in de kou te gaan roken. Hij geeft me een hand, alsof hij de eigenaar is.

“How are you doing? Are you checking in?” vraagt het meisje achter de bar, ook met Schots accent en schudt me eveneens de hand. Ze schreeuwt boven de muziek uit. De kleine bar staat vol met mensen die allemaal Engels spreken. Achter de bar staat een pool-tafel met een half afgespeelde partij.

Het receptiemeisje loopt mee naar buiten en doet voor hoe de deur naar de hotelkamers opengaat. De kamer heeft amper loopruimte rond het tweepersoonsbed, maar verrassend modern en smaakvol voor zo’n klein hotel boven een bar. De handdoeken liggen als strakke rolletjes op het voeteneinde en de kleine televisie staat aan. Voor de zoveelste keer dit jaar denk ik: hier wil ik wonen. Meer dan een bed, en badkamer, een televisie en een kast heb ik niet nodig. Zeker niet met een bar onder m’n bed. En loopruimte in hotelkamer wordt overgewaardeerd.

“You’re that guy who is living in hotels?” vraagt een jongen aan de bar. “It’s a nice scam,” buldert hij.
“Since when are you sleeping in hotels?”
“Since the first of January,” antwoord ik.
“Which year?” De mensen om hem heen versterken zijn gelach.

Een man komt binnen en groet het meisje achter de bar. Ze negeert hem.
“English people don’t have manners at all,” klaagt hij.
“I’m not English, I’m Scottish,” verdedigt ze zich en loopt om de bar om haar nieuwe gast te zoenen.

De dronken Schot komt naast me staan. “We zitten al twee dagen vast door de sneeuw. Ik ben vaak in Amsterdam geweest, maar de stad is veranderd. Toen ik hier kwam, waren we hippies en was er veel meer vrijheid. Nu is de stad veel meer aan banden gelegd. De façade brokkelt langzaam af. De stad wordt minder vrij. Je kan hier nog wel blowen, en drinken, en naar de hoeren, maar het is toch anders dan vroeger. En niet alleen omdat ik zelf ouder ben geworden.”

“Want to get a shot?” vraagt het barmeisje?
“A shot?” vraag ik.
“Not to get shot. Get a shot,” zegt de lachend en schenkt borrelglaasjes in voor alle bargasten.  Dit is Schotland en hier moet gedronken worden. Ze zet de muziek harder. Muziek die het verdovend voegmiddel vormt tussen alcohol, gepraat en gelach. De telefoon gaat, maar ze hoort het niet.

De telefoon gaat voor de derde keer en ze zet de muziek uit. Een abrupte scenewisseling. “This is Frisco Inn. Oh, u wilt een kamer reserveren?” Ze spreekt als een vertaalcomputer en steekt de middelvinger naar me op als ik hierom lach.

Af en toe gaat de muziek harder. Hij wordt gefilterd door de vloer en gemengd met de sigarettenrook uit de kamer onder mij. De kou beukt tegen de ramen. Buiten schreeuwen dronken mensen. Ik ben niet moe, laat alle hotels door mijn hoofd gaan en geniet van het zachte dekbed. Pas om vier uur vat de slaap mij. ’s Morgens weet ik niet waar ik ben. Zoals elke dag.

“How are you doing?” vraagt de jongen beneden in de bar. “What do you want to have for breakfast? Scrambled eggs, bacon, sweet beans and tomato sauce,  mushrooms, sausages. Whatever you want?” Hij ziet me bedenkelijk kijken. “Oh, sorry, you are continental.”
“Continental indeed,” beaam ik. “Some toast will do.”

Voor het hotel lopen twee Engelsen. “Next time we go to Amsterdam we should drink more. This time I remember everything.”

Hotel Frisco Inn is een klein hotel met nette bar die vooral mensen van het Verenigd Koninkrijk trekt, aan de rand van het Red Light District, vlakbij Centraal Station. De kleine kamers zijn smaakvol en modern ingericht.

Hotel Frisco Inn, Beursstraat 5
Vanaf 60 euro

Als een dakloze

Hotel De Koopermoolen

Het is wettelijk verplicht om een briefadres te hebben en ik wil me inschrijven op het adres van een vriend in Amsterdam, in plaats van Den Haag. Een e-mail van de gemeente Amsterdam:
Neem contact op met HVO (Hulp Voor Onbehuisden) en/of het Leger des Heils.
De woorden komen hard binnen. De gemeente verwijst me door naar de daklozenopvang! Het hotelverhaal nemen ze duidelijk niet serieus. Voor het eerst voel ik me echt dakloos.

“Naar welk hotel ga je nu?” vraagt de receptionist, als ik mijn bagage kom ophalen bij Prins Hendrik.
“Het één na beste hotel van Amsterdam: De Koopermoolen.” Hij lacht.
“Daar kwam ik al toen het nog een theater was. Theater De Koopermoolen. Ik was toneelknecht bij verschillende theatermakers. Het was een theaterrestaurant van de bekende caberetier. Vanaf hier werd zijn radioprogramma uitgezonden. Hij heeft het verkocht en toen werd het een hotel. Het is van dezelfde eigenaar als dit hotel, dus ik kom er nog steeds. Elke keer denk ik aan hoe het was en zoek ik naar herkenbare dingen.”

Het begin van de Warmoesstraat. Ik heb hier eerder ontbeten, toen ik bij de Mallemoolen sliep. De ruimte van de receptie is vrij laag. Dit moet een heel oud pand zijn. Er zit een vrolijke jongen achter de balie. Hij luistert naar Amsterdamse volksmuziek. “Niet schrijven dat ik eigenlijk gestoord ben, anders krijg ik problemen met mijn baas. Je hebt kamer 2141. Nee, we hebben niet meer dan 2000 kamers, alle kamers beginnen met 21. Die van jou is op de vierde verdieping. Daar is de trap.”

Hijgend kom ik boven. De kamer heeft een schuin zolderdak. Het raam kijkt uit op een luchtkoker met grote aluminium buizen. Er zijn plantjes neergezet om het uitzicht iets natuurlijker te maken. Buiten woedt een ijskoude storm, dus ik sluit de gordijnen. Het uitzicht van hotelkamers wordt overgewaardeerd. Een nieuwsbericht op televisie dat daklozen in Amsterdam verplicht worden om binnen te slapen. Er worden extra bedden neergezet bij de daklozenopvang. Sommige daklozen blijven liever buiten en ik begrijp het. De wereld is te hard om afhankelijk te zijn.

De telefoon van de receptionist gaat. Hij probeert door te verbinden, maar de persoon is niet op zijn kamer. Twintig minuten lang hangt hij aan de telefoon en spreekt geduldig.
“Oh, zit je hier.” Als hij opstaat, ziet hij me op de bank in de receptie zitten. “Ja, ik probeerde door te verbinden naar je kamer. Het was een meisje. Ze zegt dat je haar naam hebt genoemd in het verhaal over Hotel Heemskerk. Over het feit dat ze de eigenaar stalkte, waardoor hij overspannen is geraakt. Ze bleef maar doorpraten. Straks belt ze terug, want ik heb gezegd dat je misschien onder de douche stond. Ik denk dat ze jou nu ook gaat stalken, haha. Ik heb het stuk gelezen, maar je hebt haar naam helemaal niet genoemd. Ze klonk ook een beetje in de war.”

Hoe kan ik nou gestalkt worden, terwijl ik dakloos ben? Ik denk terug aan de maanden dat mijn post werd gestolen door een kleine man die zijn magere hand dagelijks door mijn brievenbus stak. Hij wist alles van me. Van mijn liefdesverdriet tot mijn bankschuld. Ooit kwam ik hem tegen en knikte vriendelijk. Op advies van de politie ben ik verhuisd.

Een ober van het naastgelegen restaurant komt binnen met een bord pizza.
“Heb je misschien zin in een stukje?” vraagt de receptionist attent.

De manager komt binnen. “Je had over dit hotel geschreven dat we een ster waren kwijtgeraakt omdat de lift was afgekeurd, maar dat is helemaal niet waar. Ze zijn vandaag nog langskomen om de lift te keuren en hij doet het gewoon. We hebben een ster ingeleverd uit marketingoverwegingen. Er zijn zoveel driesterrenhotels in Amsterdam, dat dit hotel helemaal niet opviel op de boekingssites. Je kunt beter een tweesterrenhotel zijn met goede waarderingen dan een driesterrenhotel dat ergens onderaan staat. De vorige receptionist had dat verteld, maar hij zegt wel vaker gekke dingen.”

Hij laat een zwart-wit poster zien van Theater De Koopermoolen. “Dit pand bestond al in 1725. Misschien was het ooit een kopermolen. In ieder geval was het een theater. Maar het hele hotel is gestript en opnieuw gebouwd in 1999. Alleen de buitenmuren zijn blijven staan. Er is zelfs een extra verdieping in gebouwd. Daarom is het hier wat lager dan je van buiten zou verwachten.”

De volgende ochtend kom ik op kantoor. Een collega vraagt: “En moest je verplicht binnen slapen? Oh, er heeft een meisje voor je gebeld. Ze klonk nogal gestresst, maar ze gaat je mailen.”

Hotel De Koopermoolen is een tweesterrenhotel met 23 kamers aan het begin van de legendarische Warmoesstraat, vlakbij het Centraal Station. De kamers hebben allemaal een badkamer. Er is een lift aanwezig. De kamers zijn ouderwets maar netjes en het personeel is zeer communicatief. Het hotel is van dezelfde eigenaars als De Mallemoolen en Prins Hendrik.

Hotel De Koopermoolen,Warmoesstraat 5-7-9
Vanaf 65 euro

In een winterlandschap

Hotel Prins Hendrik

Het sneeuwt. Net als begin van het jaar, toen mijn koffer sporen door Amsterdam trok. In de winter verlangt iedereen naar de warmte van zijn huis. Voor mij staat heel Amsterdam vol met behaaglijke toevluchtsoorden. Samengepakt rond het Leidseplein, bij het Museumplein, in de buurt van het station, in een steeds lagere concentratie uitwaaierend over de rest van Amsterdam. Brandende sterren in een uitdijend heelal. Een rilling. Vanaf het Centraal Station is het gelukkig niet ver lopen naar het hotel.

De manager staat in de hal. “Ja, vanavond hebben we een kamer voor je. Maar meestal zit dit hotel helemaal vol aan het eind van de dag. We zitten tegenover het station, dus de hele avond lopen mensen binnen en we willen natuurlijk wel geld verdienen.” Een jongensachtige twinkeling in zijn ogen. “Maar morgen ben je ook welkom in ons andere hotel, De Kooperm0olen,” zegt hij hartelijk. “Doe dan maar ook meteen alles achter elkaar.”

“In dit hotel gebeuren soms gekke dingen. Een tijd terug had een housekeeper in een kamer een bruine tas gevonden. Helemaal vol met rolletjes bankbiljetten, achter een gordijn. ’s Middags kwam een van de mannen die op die kamer had gezeten terug. Of hij nog even naar de kamer mocht. Lijkbleek en zwetend kwam hij naar beneden, of we een bruin tasje hadden gevonden. We hebben hem maar teruggegeven.” We staan te praten, leunend tegen de receptie, alsof het een bar is.

“En dit hotel werd in 1988 wereldberoemd omdat de jazztrompettist Chet Baker hier uit het raam van zijn kamer is gevallen, na het een of ander gebruikt te hebben. Zijn lichaam lag hier voor het hotel. Er is veel gedoe over geweest. Of hij geduwd of gesprongen is. Hij had hier nog niet eens geslapen. We hebben hier een plaquette in de hal gehangen en we krijgen van over de hele wereld memorabilia van Chet Baker. Het wordt zo langzamerhand een museum. Er zijn mensen die speciaal de Chet Baker-room boeken, maar daar is niet zo heel veel te zien. Behalve een plaat aan de muur, die we van een fan hebben gekregen.”

Een koperen bordje met Chet Baker Room op een van de deuren. Via een trapje en een korte hellingsbaan bereik ik de klassiek ingerichte kamer met enorme badkamer. Door de grote ramen zijn het station en Barbizon Palace te zien. Ik sla het sprei terug, een zachte Delftsblauwe tegel die meteen de deken blijkt te zijn. De ramen doen hun best om de kou buiten de deur te houden, maar ik heb nog meer warmte nodig en ga naar het bruine café in het hotel. Een koperen bar en zware bruine balken aan het plafond. Er zitten enkele oude mannen met een glas bier. Af en toe praten ze met de barman, die ondertussen het glaswerk opwrijft. Dit is een echt café.

De hotelmanager komt binnen. “Wil je wat van me drinken? Ja, het is noodweer buiten. Net werd al een kamer gecancelled, omdat de vliegtuigen uit Duitsland niet kunnen opstijgen. Als straks de treinen niet meer rijden, dan hebben we je kamer nodig, hoor. Dan liggen we hier in het vooronder van het café wel een matrasje voor je neer,” lacht hij. “Proost.”

“Dit is eigenlijk een drie-en-een-half-sterrenhotel,” zegt de manager. “Als bestaat dat niet.  Onze kamers zijn vrij groot, en we hebben een bar, een écht restaurant en een enorm terras. Ja, en een zwembad, haha.” Hij wijst op het water voor de deur.

“Dit is een leuke buurt om in te werken,” zegt de barman. We zitten hier natuurlijk aan het begin van de Wallen en Chinatown. De buurt is wel een stuk beter geworden, sinds Barbizon Palace hier is gekomen en de Zeedijk helemaal is opgeknapt. Vroeger liep hier allemaal gespuis rond, voor het hotel. Hier komt van alles binnen. De mannen van de rondvaartboten, mensen uit Chinatown, dagjesmensen die hier al 40 jaar komen. We letten wel op wie er binnenkomt. Het is mijn taak om de rust te bewaren. We zijn wel een hotelbar.” Een groep Thaise vrouwen komt binnen. Ze giechelen luidkeels en schrikken als ze mij zien zitten.

“Groepen zijn voor ons erg belangrijk. Er komen jaarlijks 1200 bussen naar ons hotel. Mensen die komen eten in ons hotel en bijvoorbeeld naar de Keukenhof gaan. In de zomer hebben we natuurlijk ook een groot terras. Soms komen ’s morgens al 20 Ieren die allemaal een pint willen. Op het moment dat het te koud wordt om de deur open te houden, dan stopt voor ons het seizoen. Dan keert de rust hier terug. Dat is ook goed, want een hotel heeft die rust nodig om te kunnen herstellen van de zomerdrukte.”

Achter de receptie staat een kleine tas met een briefje erop. Gevonden in kamer 114. Wordt opgehaald. Ik besluit om er niet in te kijken.

Hotel Prins Hendrik is een 3½-sterrenhotel met 42 kamers, recht tegenover het Centraal Station met een levendig bruin (eet)café en een groot restaurant met terras, geschikt voor groepen. De klassieke kamers van het ouderwetse hotel zijn netjes en schoon en de mensen in het hotel zijn hartelijk. De eigenaren managen ook Hotel De Koopermoolen en De Mallemolen.

Hotel Prins Hendrik, Prins Hendrikkade 52-57
Vanaf 75 euro

In de geschiedenis

Hotel Die Port van Cleve

Het imposante pand achter de Dam waar je dagelijks langskomt, maar waar je niets van weet.

“Meneer Van Dijk. Welkom,” zegt het receptiemeisje vrolijk. “Hier is de sleutel. We hebben je een bijzondere kamer gegeven, helemaal boven. Echt authentiek. We bestaan dit jaar 150 jaar. De 22-jarige Gerard Heineken nam de befaamde brouwerij De Hooiberg over, die in dit pand zat, en begon met Heinekens Bierbrouwerij. Omdat de gemeente Amsterdam alle grachten dichtgooide, kon Heineken niet meer bevoorraden via het water. Daarom is de bierbrouwer in 1886 naar de Stadhouderskade gegaan, waar ze nog steeds zitten.

In samenwerking met Heineken begonnen de gebroeders Hulscher een bier- en koffiehuis. Bij de verbouwing vonden ze een steen met de tekst Die Port van Cleve, ‘Huys te Kleef’, een onderdeel van de oude brouwerij en besloten dat dit de nieuwe naam werd. De steen hangt nog altijd boven de entree.
“Dit was het eerste koffiehuis van Amsterdam waar ook vrouwen mochten komen,” zegt het meisje dat naast me staat. Dit museum kent vele gidsen.

In de lift hangt een korte omschrijving van de geschiedenis. De kamer heeft een hal met moderne badkamer. Een trapje naar het lager gelegen slaapgedeelte. Langs de stenen pinakels en versieringen van de karakteristieke gevel is nog net een glimp van de kerk aan de overkant te zien. Alleen de vorm van de kamer en de ramen verraadt de historie. Op het bed staat een houten klompje met tubes shampoo en zeep en het logo van het hotel.

In het restaurant zitten oude echtparen en jonge toeristenstellen.
“Where’s the Ladies Room,” vraagt een Amerikaanse vrouw aan mij. Misschien is het vrouwentoilet nog steeds niet aangelegd?

“We hebben echt een Nederlandse kaart,” zegt de ober. “Zoveel typisch Oud-Hollandse restaurants zijn er niet, dus we staan in alle boekjes. Dit restaurant is bekend vanwege de genummerde biefstukken. Dit restaurant is toegevoegd in 1874, omdat het bierhuis zo succesvol was. Het werd door heel Nederland gekopieerd. In de volksmond werd het bierhuis ‘De Poort’ genoemd. Mijn collega’s van vroeger waren allemaal analfabeet, dus ze konden geen bestellingen opschrijven. Dat liep helemaal mis. Iemand kwam op het idee om de biefstukken oplopend te nummeren, zodat ze geen fouten meer maakten. Deze traditie hebben we gewoon voortgezet. We zitten bijna aan de 6 miljoen steaks. De bestellingen werden niet opschreven maar door de ruimte geschreeuwd, en herhaald door de ‘Echo’, de kelner achter het buffet. Het was een drukte van jewelste, hier.”
Iemand twittert: Die Port van Cleve was het eerste gebouw met elektrische verlichting.
Op mijn biefstuk is een briefje geprikt met het nummer 5791455.

Een vriend komt langs. “Willen jullie Amsterdamse koffie?” vraagt de ober. “Met kaneellikeur die hier in Amsterdam wordt gemaakt?”
In een hoek van het restaurant zit een groep Engelse vrouwen. Ze lachen en praten hard. Ze hebben duidelijk gedronken.
“Het restaurant zou verboden moeten worden voor vrouwen,” zegt de vriend.

“Zal ik jullie de bodega even laten zien?” De ober opent de deur van een gedecoreerde donkerbruine pijpela met een bar. “In 1888 werd wijn een nieuwe trend in Amsterdam. De gebroeders Hulscher wilden altijd voorop lopen. Daarom openden ze ook een bodega met wijnen en jenevers. Het werd een groot succes. Bodega De Blauwe Parade. Kijk naar die blauwe wandtegels. Het stelt een parade van kinderen voor, die een historische zegetocht nabootsen ter ere van keizer Maximiliaan. Op de linkerwand de arme kinderen, rechts de rijke kinderen. Ja, dit gebouw is gevuld met historie. Heel anders dan ons andere hotel. Artemis. Dat is net nieuw en daar hebben we allemaal actuele kunstthema’s.”  Hij loopt naar een andere zaal. “Hier in de Regentenzaal worden bijvoorbeeld veel vergaderingen van studentenverenigingen gehouden. Elk jaar komen ze terug, dat is traditie.”

“Wat veel geschiedenis in dit gebouw. Maar wanneer is het hotel zelf nu precies gestart,” vraag ik aan een man achter de receptie.
“Ja, dat is al best lang geleden. Een jaar of 50, schat ik. Maar precies weet ik het niet.”

De manager komt op me af. “Wil je nog een kopje koffie, voordat je weggaat? Ja, het is een bijzonder hotel met een rijke historie. In 1996 is het hotel helemaal gerenoveerd, dus dat moet binnenkort weer gebeuren. Nieuwe vloerbedekking en zo. Want de kamers zien er inmiddels wel een beetje verouderd uit.”

Hotel Die Port van Cleve is een klassiek hotel in een pand vol historie. Hier komen met name toeristen die centraal in de stad willen zitten. Het hotel heeft 121 kamers, 5 Oud-Hollandse meetingrooms, een authentieke bodega ‘De Blauwe Parade’ en een brasserie ‘De Poort’, waar veel mensen van buitenaf komen voor een Hollandse maaltijd of een high-tea. Het hotel is nu in bezit van Aeon Plaza Hotels, de eigenaar van hotel Artemis.

Hotel Die Port van Cleve, Nieuwezijds Voorburgwal 176-180
Vanaf 159 euro