City Hotel
Een klassiek hoge ruimte vol moderne houten tafels. Achterin een receptie die overloopt in een bar. Een rij met whiskyflessen. De televisie staat aan.
“Goedenavond,” zegt de Turkse man.
“Goedenavond,” zegt de Turkse jongen naast hem. Hun ogen lachen, hun neuzen lijken op elkaar.
De vrolijke gelaatsuitdrukking op hun gezicht is voldoende om de ruimte te doen leven. Architectuur zonder mensen is dood.
“Nee, we zijn geen vader en zoon,” lacht de jongen. “Hij is mijn zwager. Zie je nou wel dat jij veel ouder lijkt.”
“Hé, wel wat respect voor de jongere mens.”
“Het is best druk, vanavond. We zitten voor 88% vol,” zegt de zwager. “En dat in november. Het is al dertig jaar van dezelfde eigenaar, maar het hotel is nog veel ouder. Het is een van de oudste hotels van Amsterdam. Zeker hier in de buurt.” Hij doet zijn jas aan en loopt het hotel uit, de regen in.
“Mijn zwager is de manager,” zegt de jongen. Het hotel is van mijn oom. Die is hier nooit, want hij heeft ook een hotel in Turkije. Ik heb Toerisme gestudeerd en wilde eigenlijk op een cruiseschip gaan werken toen ik 21 was. Maar dat mocht niet van mijn ouders, dus ik ben hier gekomen. Zeven jaar later is het nog steeds geweldig als de eerste dag. Het leuke is: er is niet zo heel veel te doen, weet je. Vanavond ga ik maar liefst twee verschillende voetbalwedstrijden kijken. Tegelijk! Er staan hier twee TV’s.” Hij buldert van het lachen.
Een vrouw komt naar beneden en vraagt om een föhn.
“Er zijn al twee föhns uitgeleend en de derde is kapot. Hier is een extra handdoek.” De vrouw loopt glimlachend naar boven. Ik stel me een kaal hotel voor zonder bedden, zonder douche en toilet, zonder ontbijt, waar alleen lachende mensen lopen die aandacht geven aan hun gasten. Gasten die vol lof het hotel verlaten. Aandacht is het geheim van succes.
Hij komt bij me staan. “We zitten hier vlakbij het station. Meestal zijn er 2 kamers gevuld met walk-ins. Van alle gasten was 77% Brits of Iers, echt heel veel. Daarom staan al die flessen whisky hier. Nu komen er iets meer Italianen. Die brengen het wat in evenwicht. En we krijgen altijd mensen via de GGD, die tijdelijk uit huis zijn gezet, bijvoorbeeld. Om af te koelen. Oktober was echt een goede maand.” Hij pakt een ordner uit de kast die bol staat van de boekingsformulieren. “Kijk. Het is niet te geloven. Het was echt een drukke maand.”
“We zijn nu bezig met het pand hiernaast. Er komen nog 21 kamers erbij. Morgenochtend begint de verbouwing. Ze gaan kijken of het fundament nog goed is. Deze tussenmuur moet weg, beneden komt een conferentiezaal. Ook de kamers worden opgeknapt. We laten bedden uit Turkije komen, daar hebben we ook de tafeltjes vandaan gehaald. Er komen flatscreens, minibars en een lift. Dan gaan we voor de derde ster. Wil je trouwens internet?” Hij geeft me een briefje met de code. “Als het niet werkt, dan kan ik je niet helpen. Dan moet je bij mijn zwager zijn. Ik snap alleen het aan/uit-knopje van de computer.”
Een van de moderne tafeltjes wordt mijn bureau. De receptionist wordt barman en geeft me een flesje wijn.
“Nog een voordeel van in een hier werken.” Hij trekt een blikje bier open. Een innemende lach.
“Mijn oom wil ook wel dat we die service, zoals we in Turkije hebben, geven in het hotel, maar dat kan niet. Ik weet wel wat hij bedoelt, want ik heb ook even in Turkije gewoond. Daar leer je om veel respect te hebben voor ouderen en hoe je serveert in een restaurant. Maar hier werken ook mensen uit andere landen. Die kennen dat niet en die zijn opgegroeid met Nederlandse ‘service’. Ik ben ook wel vernederlandst, hoor. In Turkije krijg je overal çay. Dat is een vorm van gastvrijheid. Dat zou raar zijn, hier. Hier drink ik gewoon Pickwick-thee. Met een zakje. Morgenochtend kun je trouwens gewoon hier gaan zitten voor het ontbijt. Dan wordt alles voor je geregeld.”
“Welterusten,” zegt de receptionist, als ik naar boven loop. Hij klinkt als de broer die ik nooit heb gehad. Stoer maar zorgzaam. Wat zal ik dat missen als ik straks niet meer in een hotel woon. Iemand die me welterusten wenst. Bewerkte plafonds en stukgelopen rood tapijt in de hal. Er staat een houten minibar met een slot erop, afkomstig uit een vorige eeuw. De flatscreen blijkt bij nader inzien een houten plank. Maar de aandacht gloeit na en maakt van de armoedige kamer een rijke suite.
Een drilboor doet het steenharde bed trillen. Een douche en snel naar beneden. De kale receptie is omgebouwd tot een restaurant. Twee jongens lopen door de gedekte tafels en serveren jus d’orange, mandjes brood, kannetjes koffie. Een grand-café uit de vorige eeuw.
“Gek. Ik word helemaal gek van de muizen,” zegt de nieuwe man achter de receptie, bij het uitchecken. “Ze zijn aan de overkant aan het bouwen en hier links en hier rechts en daarom vluchten alle muizen naar ons toe. Tientallen. Een poes nemen heeft geen zin. Acht katten zou nog niet voldoende zijn.” Hij lacht. “Hier tegenover wordt het City Inn-hotel gebouwd. Je hebt ook nog City Hotel in de Utrechtsestraat en City Garden en City Centre van NH. Maar wij zijn City Amsterdam. Het enige échte City Hotel.”
City Hotel Amsterdam is een niet heel goedkoop butgethotel in een 18e-eeuws pand, met 32 zeer ouderwetse kamers dat binnenkort wordt uitgebreid en gemoderniseerd, om van een tweesterren, een driesterrenhotel te worden. De mensen zijn erg hartelijk. De bar is tot 1 uur geopend.
City Hotel Amsterdam, Prins Hendrikkade 130
Vanaf 65 euro