Als een blok

Hotel Orfeo

De rumoerige straten achter het Leidseplein met hun kleurige bars en toeristenrestaurants. Pizza en pasta voor 5 euro. Een meisje met roze oren wil met mij en haar dronken vriendinnen op de foto.

Voor hotel Orfeo staat een groepje jonge toeristen te roken. Volgens de website is het sinds 1967 een gayhotel met eigen grilrestaurant, maar dit is hoogstwaarschijnlijk verouderde informatie.

Door de open pui loop ik naar binnen. Er staat een Arabische man achter de receptie.
“Do you have a room available?” vraag ik.
Hij kijkt me bedenkelijk aan. Aan de tafels zitten jonge mensen bier te drinken. Dit is geen gayhotel, dit is vast een hostel.
“Do you have a bed? One person, one night?”
“The last one. 45 euro’s. Is that okay?” Hij kijkt me vragend aan.
45 Euro voor een bed is veel geld voor een hostel, maar ik vanavond slaap ik hier. Na een comfortabele nacht kan ik dit hotel aan. Desnoods ga ik de hele nacht uit en ontbijt ik alleen hier.
“Cash only and ten euro deposit for the key. Breakfast is included.”

Naar boven. Het is in de middag, maar drie mensen liggen te slapen. De overige bedden liggen vol met spullen. Toeristenfolders, toiletartikelen, halflege flessen cola en een literfles wijn. Wattenstaafjes, een kaartje van het Anne Frankhuis, een boxershort met uitgerekt elastiek. Het raam is al dagenlang niet geopend, de kamer ruikt muf. Het lijkt alsof de bewoners hun kamer amper verlaten hebben. Hoe kan ik ooit slapen in deze chaos?

Beneden staren tien toeristen gebiologeerd naar het televisiescherm. Naar een Nederlands programma dat ze niet kunnen verstaan. Alleen tijdens de reclamepauzes lachen ze. Reclames zijn internationaal. Ze wisselen het bier drinken af met het roken, buiten.

Een Arabische man met een gebreid mutsje is een wandkast aan het repareren tegenover de receptie. Hij boort en zaagt. Ik neem een blikje chocolademelk uit de glazen koelkast waar ook de kaas en pakken jus d’orange liggen voor het ontbijt. Mensen komen binnen met tassen vol grootverpakkingen bier.

Een mollig meisje met vettige bril komt binnen en zegt: “We are going to a bar. Everybody is invited. Who is joining?” Ze kijkt de mensen persoonlijk aan, maar iedereen bedankt beleefd. Een Italiaanse jongen is bezig in de keuken. Heerlijke geuren komen binnen. In plaats van met een bord eten komt hij na een half uur terug met een pak kaarten die hij uitlegt op tafel. Patience. De receptionist doet de rode gordijnen voor de openslaande deuren dicht. Een vader die de huiskamergordijnen sluit. De bierdrinkende jongeren zijn opeens mijn familie.

Ik voel me een vreemde in dit hotel, al geeft niemand me de indruk dat ik er niet thuis hoor. Ik ga naar de overkant en neem een goedkope pizza met een zoete rode wijn. Het liefst wil ik vluchten. Weg van het hotel, weg uit de viezigheid, weg uit deze buurt met dronken schreeuwende mensen en plat vermaak. Om de hoek is een feest van een Arabische gaybar. Dit is Amsterdam! Maar ik ben te moe. Vreselijk moe. Terug naar het hotel. Ik huur een handdoek, ga naar boven en zet het raam open om de oude lucht te laten ontsnappen. Het bed bedek ik met een laken en het hoofdkussen met een handdoek. Turandot: Nessun Dorma op repeat, tot ik in slaap val. Telkens schrik ik wakker als er mensen binnenkomen. Het wordt langzaam licht. Ik controleer of ik niet ben gebeten, maar ben vanavond een gewillige prooi. Te moe om weerstand te bieden. Steeds dieper zak ik weg.

Om kwart voor tien komt een man met een baard en Arabische kleding binnen.
“It’s check-out time,” zegt hij. “But you can take a shower,” zegt hij er troostend achteraan. Ik kijk de kamer in. Alle bedden zijn leeg. Er staan geen tassen en koffers meer. Alleen de lege flessen en toeristenfolders liggen nog rond het bed. Iedereen heeft de kamer verlaten zonder dat ik het heb gehoord. Ik grijp onder mijn hoofdkussen naar mijn telefoon en controleer of mijn laptop er nog staat. Een douche tussen vreemde haren. Op de vensterbank ligt een vergeten sleutel. Ik lever twee sleutels in, maar krijg alleen mijn eigen tientje terug.

Een plastic bekertje koffie uit een thermosfles. Er liggen witbrood, kaas en een schaal met gebarsten eieren. Mensen zijn nog aan het ontbijten, maar de goedkope pizza zit nog in mijn maag. Dezelfde gezichten als de dag ervoor, maar iedereen ziet er slechter uit. Vermoeide ogen, een asgrauwe huid. Dit is wat Amsterdam met mensen doet. Deze stad sloopt ze. Alleen ik ben uitgeslapen en helder. Als ik zelfs de rust kan vinden in zo’n hostel, dan ben ik vergevorderd.

De man achter de receptie knikt vriendelijk en loopt naar de deur om hem voor me open te houden. Een hoffelijk einde.

Hotel Orfeo is een hostel met slaapzalen. De kamers zijn niet heel proper, maar de mensen zijn vriendelijk en redelijk flexibel. Hier komen vooral jonge backpackers die graag midden in het uitgaanscentrum van Amsterdam willen zitten.

Hotel Orfeo, Leidsekruisstraat 14
Vanaf 45 euro

Bij een schrijver

Hotel Omega

De deur gaat open. In de hoge hal hangt een kroonluchter. In de entree staan groene banken uit de jaren ’80. De bar is versierd in Art Deco-stijl. Er hangt een bord met de mysterieuze tekst Omegaden en een aantal Chinese tekens. Het is stil.

“Ja, ik had je mail voorbij zien komen, maar het is erg druk. Wat kwam je hier nou precies doen?” De receptionist spreekt gehaast met een Amsterdams accent.  “Je schrijft over hotels? Literatuur of een hotelgids? Dit hotel is een verhaal apart. In de drie jaar dat ik hier werk, heb ik het achteruit zien gaan.” Zijn hand maakt een noodlanding.

”De vorige eigenaresse van dit hotel is naar Texel gegaan en heeft het hotel verkocht, nouja, de goodwill, want het is pacht. Net voor de recessie, dus het was eigenlijk niets waard. Een kat in de zak. “Hij denkt na over zijn woorden, alsof hij uit een andere realiteit moet komen. ”Er wordt hier dus niets verdiend, en alles mag dus ook niets kosten. Investeringen worden niet gedaan. Vroeger was het een boutiquehotel. Als je goed kijkt, nee, als je heel goed kijkt, dan zie je dat ook wel. Er stonden hier van die prachtige verweerde Chesterfields, maar dat vonden de nieuwe eigenaars niets. Nu zie je van die mintgroene bankstellen staan. Dat is meer hun smaak.”

De eigenaars hebben ook nog een restaurant in Beverwijk, de zoon doet dit hotel. Het zijn aardige mensen, hoor, maar ze willen gewoon een ding en dat is geld verdienen. Het gaat niet om het contact met de mensen. Ze zorgen er alleen voor dat het hotel wordt schoongemaakt. Nouja, meestal dan. Op internet verschijnen dan ook regelmatig negatieve recensies, maar het is net zo gemakkelijk om daar een positieve recensie onder te zetten. En dat doen ze natuurlijk ook, zoals al die hotels. Jij weet natuurlijk hoe dat gaat.” Zijn ogen kijken triest. “Hier is je sleutelkaart.”

“Ik ben een van de laatste Amsterdammers die dit werk nog doen. In al die hotels worden Roemenen, Serviërs en zo aangenomen, want die zijn veel gemakkelijker onder de duim te houden. Nederlanders gaan op een gegeven moment eisen stellen. Ze willen mensen die het voor het geld doen, en niet zeuren. Ik probeer hier nog dingen goed te doen, samen met een collega van me die hier ook al heel lang werkt. Die heeft natuurlijk een contract waar ze niet zomaar onderuit kunnen. Het gaat om geld verdienen, niets anders. Dit zijn mensen die de Grote Revolutie van Mao hebben meegemaakt. Dat was een verschrikkelijke tijd. Ze willen nu alleen nog maar geld verdienen. Werken is het enige wat ze doen. Als ze niet werken, dan worden ze gek. Het zijn op zich erg aardige mensen. Ze begrijpen onze manier van met elkaar omgaan alleen niet. Had ik je de sleutel nu al gegeven?” Hij graait in de papieren.

Er komt een oude Russische vrouw binnen. Ze maakt cartooneske maalgebaren en herhaalt telkens Russische woorden. Dan kijkt ze omhoog en zingt ze Happy Birthday. De enige twee Engelse woorden die ze kent. De receptionist haalt zijn schouders op. Hij snapt haar niet. “Ze is jarig en wil bestek om een taartje te kunnen eten,” vertaal ik. Ze straalt als een jong meisje, als ze met het bestek de lift in stapt.

“Ik ben eigenlijk schrijver en doe dit erbij om dat te kunnen bekostigen, maar dit vreet eigenlijk teveel energie. Dan is dit weer kapot, dan dat weer. En al die dingen die fout gaan, ik kom bijna niet meer aan schrijven toe. Hiervoor heb ik ook bij een hotel van Chinese eigenaars gewerkt: Hotel Cordial. Wat ik daar allemaal heb meegemaakt, daar zou ik ook een boek over kunnen schrijven. Een enorme lekkage, maar de kamer werd gewoon verhuurd voor 90 euro. “Schuif het bed gewoon maar een beetje op,” zei de eigenaar dan. “Ik werkte hier vier dagen in de week, maar dat trek ik niet meer. Nu nog maar twee dagen, anders komt dat boek er nooit.”

Hij bekijkt mijn website. “Ach, het interesseert de eigenaars ook niet echt wat je over hun hotel schrijft. Dit is Amsterdam. De bedden worden toch wel verhuurd. Hierachter is het Van Goghmuseum! Dit hotel zit toch altijd wel vol.”

Met de lift naar de vierde verdieping. Wat tref ik aan? Is het niet beter om naar een ander hotel te gaan? De gang is behangen met een vergeelde wereldkaart en ruikt fris. In de kamer staat een tweepersoonsbed met een rood glimmend sprei. Aan de wand hangt een grote spiegel met gouden lijst. Dubbele gordijnen, kleine lampjes aan de wand. De kamer is veel beter dan ik had verwacht. Schoon en zelfs gezellig. Ik doe de lampjes aan en zie mezelf in de spiegel liggen. “Amsterdam slaapt,” zeg ik hardop. Uit de badkamer komt een druppend geluid. De douche lekt. Op de grond ligt een dweil om het water op te vangen.

Even later wordt er op de deur geklopt. Aan de deurknop zit een Don’t disturb-hanger van een internationale hotelketen waar het hotel al jaren niet meer bij is aangesloten. Ik kijk door het spionnetje en doe open. “Ja, ik mocht gewoon doorlopen. Ik zei dat ik voor jou kwam. Oh, dit is best een leuke kamer. Op dit nieuwe bureaulampje na. En zelfs de badkamer ziet er prima uit. Jammer dat het beneden zo is ingericht. Dit moet vroeger erg mooi zijn geweest. Je zou hier een prachtig hotel van kunnen maken. Kom we gaan eten.”

De volgende ochtend gaat de telefoon twee keer kort over. Een subtiel signaal. Veel te laat check ik uit. “Geen probleem, hoor,” zegt de receptionist lachend. “Echt geen probleem.” Het regent dus ik blijf binnen wachten. Het is stil in het hotel.

Hotel Omega is een driesterrenhotel in een straat achter het Concertgebouw. De inrichting is een mengelmoes van stijlen. De kamers zijn ouderwets, maar gezellig en redelijk schoon.

Hotel Omega, Jacob Obrechtstraat 33
Vanaf 74 euro

In een gezin

Hotel Bellington

Het is donker in de P.C. Hooftstraat en het regent. De etalages van internationale kledingmerken zijn verlicht, maar de winkels zijn al gesloten. Het geeft de straat iets onwerkelijks en triests. De enige beweging komt van de televisieschermen in de winkels.
De hotels zijn misschien de enige plekken in deze straat die echt leven, nog toegankelijk zijn. Nachtverblijven in een dierentuin. Op het uithangbord met HOTEL is alleen de letter T verlicht. Naast het hotel wordt een winkel verbouwd.

Ik bel aan en loop naar boven. De receptie is in een rommelig kamertje. Achter een bak met goudvissen zit een jonge Aziatische jongen. Hij lacht vriendelijk.

“Hier is uw kaartsleutel. Morgenochtend is hier van 7 tot 10 het ontbijt. Uw kamer is op de tweede verdieping, u moet eerst naar buiten en dan naar het andere gebouw. Is er verder nog iets wat ik voor u kan doen? Dan wens ik u een prettig verblijf.”

Buiten is het harder gaan regenen. De deur naar het andere deel van het hotel is open. Iedereen kan hier gewoon naar binnenlopen. Iedereen lijkt vanavond in het hotel te zijn gebleven. Er klinkt vrolijk gelach uit alle kamers. Uit sommige komt een wietlucht.

De kamer is veel groter dan ik verwachtte. De meubels zijn in de loop der jaren bij elkaar verzameld. Bedden met rotan, grenen kasten, plastic bloemlampjes met spaarlampen en groene veloursgordijnen. Een wirwar van snoeren. Er staat een kleine tv met een haperend beeld. De douche heeft twee verschillende kranen. De drie bedden zijn netjes opgemaakt en op elk bed liggen identiek opgevouwen handdoeken. De manier waarop de kamer is ingericht heeft iets vertederends.

Veel te vroeg klinken bouwgeluiden onder het raam. Naar het andere gebouw om te ontbijten. De man die bovenaan de trap staat lijkt sprekend op de jongen achter de receptie, maar dan een oudere versie. Dit moet zijn vader zijn. Hij knikt vriendelijk en loopt voor me naar de ontbijtruimte. In het keukentje, waar ook de wasmachine en –droger staan, snijdt hij het vlees. Het is tien uur als een groep Italiaanse jongens binnenkomt. Ze spreken geen Engels. De vader wijst op het bord aan de muur waarop staat dat het ontbijt tot tien uur duurt en zet ontbijtbordjes op de tafel. Zijn vrouw komt binnen en zegt in gebrekkig Engels dat ze morgenochtend voor tien uur moeten ontbijten. De jongens knikken. De vader maakt een nieuwe rol beschuitjes open die door de jongens worden voorzien van drie lagen beleg: jam, muisjes en vlokken.

De ochtendroutine. Natte handdoeken op de vloer, afval verzamelen en in de vuilnisbak doen, het bed fatsoeneren. Een controleronde langs alle plekken waar ik ben geweest.

In de kamer naast me is vader het bed aan het verschonen. Hij groet me lachend als ik naar binnen gluur.

Terug naar de receptie. In de hal staat een nadampende eierkoker. De moeder is bezig met de administratie. “Wilt u uitchecken?”
Het hele fenomeen ‘hotel’ lijkt opeens zo overzichtelijk en klein. Ontdaan van alle illusies. Alsof het een gezin is waar iedereen zijn eigen taak heeft en de gasten op bezoek zijn.

“Ja, we doen dit nu zo’n 8 jaar, maar het hotel bestaat veel langer, hoor.” Ze lacht vriendelijk en kijkt naar de oude kamer, alsof ze zich verontschuldigt voor haar rommelige huis.

Hotel Bellington is een klein tweesterrenhotel met 20 kamers van 2- tot 4-persoons dat ligt in de P.C. Hooftstraat. Het hotel is al lange tijd niet grondig gerenoveerd, maar is schoon en huiselijk.

Hotel Bellington, P.C. Hooftstraat 78-80
Vanaf 75 euro

Via een tussenpersoon

Hotel Travel

Een intrigerend kantoortje in de Warmoesstraat met een bordje HOTEL voor het raam. Hier moet ik naar binnen, dit ziet er spannend uit. De man achter de desk zit te bellen. Achter hem een rek met folders van kwaliteitshotels.

Er staan twee meisjes te wachten. Ze zoeken een hotel.
“Ohh, everything is full,” zegt de man met een grappig accent. “But I have a place for you. Only 35 euro’s. It’s no hotel. More like a bed & breakfast. Okay?” Hij wacht even, buigt naar voren en fluistert: “Listen very carefully. It’s at the other side of the street.”

Zijn computerscherm staat vol met foto’s. Hij vergroot eentje van een deur van de stomerij aan het eind van de straat. “Look for this door. You will recognize this, it’s the laundry service. Go through that door with this key. Then you walk upstairs and look for this yellow door.” Hij laat een andere foto op zijn scherm zien. “Next to the door is a postbox. You have to put this paper in the postbox.”

De meisjes lachen. “Oh my God, this is exciting: we are on a mission.” De man laat zich niet in de rede vallen en vervolgt streng: “Then you have to look for this door. You can open it with this key. Don’t lose it, because you will sleep on the street. If you don’t like the room, come back. Very important: don’t make any noise. No television, no talking. Don’t stay in the room. No, no. You are not in Amsterdam to stay in the hotel. Go out. Be quiet.”

Ik vraag de man of hij een kamer voor me heeft. “Oh, nooo. Everything is full.” Hij wacht even en dan praat hij verder op bezwerende toon. “But I have a bed for you. 35 Euro’s. I have to call. And you have to share the room with other people.” Hij probeert te bellen, maar niemand neemt op.” Na een kwartier wordt zijn oproep beantwoord. “It’s a yes. You go behind this door.” Alsof ik een opdracht heb volbracht en door mag naar de volgende. Hij wijst naar de deur naast hem. “You can use this entrance until midnight, after that you have to use the entrance of the hotel. You walk through the tunnel, through the bar an check in at the reception.” Achter me staan twee jongens die een kamer zoeken. Alles is vol, maar voor hen heeft hij nog twee bedden.

Is het echt de bedoeling dat ik door deze deur ga? Een tunnel. Een gang, langs de bar waar een dronken Brit wacht op bier. Dan begint het langzaam een normaal hotel te worden.

Achter de receptie zit een blonde Britse vrouw. “Nee, deze man hoort niet bij het hotel. Ik weet niet waarom wij samenwerken. Deze man geeft me hoofdpijn. Hij irriteert me echt. Hij belt de hele dag. Steeds met onzinvragen. Dan staan hier tien man aan de receptie en dan belt hij. De hele dag. Nee, die man hoort niet bij het hotel. Hij is hoofdpijn voor mij.” Ze zucht. Dan zegt ze strengt: “Uitchecken voor tien uur.”

Met mijn koffer ga ik de trappen op naar de vijfde verdieping. Hijgend open ik de deur. Een groep Canadezen lacht. “You like climbing mountains?” De kamer staat vol met stapelbedden. Door het smalle raam klinkt harde muziek. Ik ga liggen. Een Amerikaanse student komt binnen. “Oh my God, I am so happy. This is the only hotel in town. Everything is booked. I’m an American, I came all the way from Prague. I am going to a coffee-shop. Need to sleep, man. Een half uur later komt hij terug, stoned. “22 Years old and I need drugs to relax. Isn’t that sad? Can you imagine?” Hij pakt een slaaptablet en gaat boven me liggen. “A bed. Finally.”

Een uur later staan de twee stoere jongens uit het hotelboekingskantoor bij de receptie. Ze krijgen een sleutel en slepen hun knalroze kinderkoffers vloekend naar boven. “We try for days to find a normal hotel. You should be a millionaire to visit this city. Every hotel is full.”

Ondanks alle herrie van de Warmoesstraat slaap ik goed. Er is geen handdoek, dus ik ga douchen bij een vriend. “Je bent gek. Stop toch met dit krankzinnige project en ga in een huis wonen. Net als normale mensen. Een huis met een normaal bed en een normale douche.”

Hotel Travel is een budgethotel op loopafstand van het Centraal Station met kamers aan de Beursstraat en de drukke Warmoesstraat. Het is ouderwets en de ontvangst is niet bijzonder hartelijk. Er zijn lockers op de kamers en er wordt geen ontbijt geserveerd. Hotel Travel is onderdeel van de WIN-hotelgroep.

Hotel Travel, Beursstraat 23
Vanaf 35 euro per bed

Met klotsend water

Hotel Hampshire Inn  Prinsengracht

“U kunt uw koffer hier neerzetten. Het is een beetje vol, want er zijn veel mensen uitgecheckt die hun bagage hebben laten staan.” Het blonde meisje tilt de koffer naar een vrij plekje achterin de kast. “Uw kamer is om half 2 klaar.”

In een bagelrestaurant verderop bestel ik een cappuccino. “Je kunt bij mijn collega bestellen”. Ze wijst naar de collega naast haar. De twee meisjes staan pal naast elkaar en staren me allebei aan. Is dit een grap? Moet ik dit echt herhalen? Ik knik lachend en ga zitten. De cappuccino komt niet.

Even later kom ik terug in het hotel. Geen ingewikkelde formulieren, geen paspoortcontrole. Ik krijg een ouderwetse sleutel met hanger. Het voelt goed om het zware metaal in mijn hand te voelen. Langzaam neemt hij mijn lichaamstemperatuur over.

De kamer is klassiek, maar goed onderhouden en warm. Moderne meubels, een glimmende badkamer, een ouderwets rood sprei. De eeuwige vitrages die elke hotelkamer in een mist hullen, schuif ik ferm opzij. De hoge ramen geven uitzicht op de Prinsengracht met groene bomen. Buiten vaart een bootje. Het water van de gracht klotst, verder is het stil. In de guest-directory staan plaatjes van bestemmingen met de loopafstand in minuten erbij. De voorloper van de iPhone. Dit is het centrum.

Beneden houdt een Zwitserse vrouw een monoloog tegen haar vriendin. Er is geen woord van te verstaan. Zelfs de vriendin snapt haar niet. Achter de receptie staat een rij met dranken. Ik bestel wijn om een alcoholvitrage over het indringende accent te leggen. Is dit autistisch gedrag? Is dit het resultaat van elke dag vreemde mensen om me heen? ‘Ik boek het op je kamer,” zegt de vrouw achter de receptie. Alsof ze zegt: betalen is niet nodig.

De deur uit voor het diner. De eigenaar van het steakrestaurant zet de borden op tafel zonder me aan te kijken. Hij zucht. Waarom ben ik hier? Weer verlang ik terug het hotel.

Het is vroeg, maar ik wil niets liever dan in het zachte bed liggen. Onder de dekens. Niets op televisie wat mijn aandacht kan vasthouden. Het matras en de dekens bezorgen me de warmte en geborgenheid die ik nodig heb. Dit is mijn huis, dit is mijn veilige huis. Zacht gekabbel van de gracht.

Alleen aan het ontbijt. De zaal is leeg.  Ik heb geen honger en drink koffie en jus d’orange. De gedachte aan een ei maakt me misselijk. Er staan Amerikanen bij de receptie. De eigenaar vertelt geduldig welke rondvaartboot ze het beste kunnen nemen, geeft hen kaartjes voor het museum, zorgt dat ze een bustoer kunnen maken en regelt een taxi voor de volgende ochtend. Dan ziet hij mij zitten en geeft me een hand.

“Ik ben begonnen in de echte horeca. Waar mensen voor mij kwamen. Daarna heb ik bij een grote hotelketen gewerkt. Maar ik wilde terug. Ondernemer zijn is leuker. Hier moet je alles alleen doen. Bijvoorbeeld het aanpassen van de prijzen op internet. Dit is een soort stock-exchange. Je weet niet wie jou in de gaten houden, maar als je de prijs aanpast dan wordt er direct op gereageerd. Tussendoor geef ik graag tips aan toeristen. Dat wordt gewaardeerd. Als ik het gastenboek moet geloven, dan gaat het heel druk worden.

We hebben, zoals elk hotel, een zware tijd gehad. En nog wel, hoor. Vroeger hadden we 60% Engelsen en Ieren, nu zijn het meer Nederlanders en Duitsers. En mensen komen niet meer voor drie nachten, maar voor een of maximaal twee. Je ziet het, de bezetting is nu drie keer niks. Vanmorgen hadden we 31 check-outs. Iedereen gaat weg op zondagochtend. We doen ons best om het te onderhouden, maar nog lang niet alle kamers zijn gerenoveerd. We hadden al veel verder willen zijn. We willen echt een boutiquehotel worden.

De viersterrenhotels hebben het ons erg moeilijk gemaakt. Ze gingen prijsstunten en daar is moeilijk tegenop te concurreren. Wij hebben geen restaurant, geen echte bar. We moeten het van de kamers hebben. En wij natuurlijk van de locatie, want daarom komen mensen hier. Die komen niet voor mij, hoor, maar voor de prachtige plek in de stad. Want ook al ging het even slecht, het blijft Amsterdam. Mensen komen toch wel. Amsterdam is één groot museum.”

Hampshire Inn Prinsengracht is een sympathiek, kleinschalig hotel op een prachtige locatie in twee panden aan de Prinsengracht. Het hotel heeft een gezellige tuin met een vierpersoons tuinhuisje. Het hotel is aangesloten bij Hampshire Hotels en heeft verschillende soorten kamers.

Hampshore Inn Prinsengracht, Prinsengracht 1015
Vanaf 65 (single,) 84 (double), 150 (tuinhuis)

In een gayhotel

Anco Hotel

Een oud grachtenpand. De deur is op slot. Het duurt even voordat een geblondeerde  jongen opendoet. “U weet dat dit geen gewoon hotel is?” Hij heeft een Baltisch accent. “Dit is een gayhotel.” Ik antwoord dat ik mijn vrouw thuisgelaten heb. Hij lacht. De receptie en ontbijtruimte zijn modern ingericht. Zwart en rood. Achter de receptie staat een rijtje gele flesjes. Poppers.

“Ik heb een bed voor je in de dorm. Er slaapt vanavond nog een andere gast, maar die is er nog niet. Misschien is het handig om de spullen die je nodig hebt uit je koffer te pakken en deze bij mij achter te laten. Je weet nooit wie er vanavond allemaal op je kamer komt. Er is ook een locker op je kamer. De sleutel is ook voor de voordeur. Vanavond ben ik hier tot 10 uur, daarna gaat de receptie dicht. Dan moet je helemaal via de bovenste verdieping naar je kamer lopen. Hier is een vrijkaartje voor een gayfeest. Maar als je geen zin hebt, hoef je het hotel niet uit, want hier is genoeg te beleven, haha. En ga nu maar op je bed liggen met gekruiste vingers en hopen dat je een leuke kamergenoot hebt. Wil je misschien een biertje? Zullen we even buiten zitten, dan kan ik roken.”

Hij pakt een doek, veegt de natte meubels droog en legt kussens op de stoelen in de patio. “Proost. Ik heb hier vroeger schoongemaakt. Ik werkte daarna als portier bij een hotel op Schiphol. Nu ben ik weer terug als receptionist. De vorige eigenaars hebben het 17 jaar gehad, ze huurden het. Nu heeft de eigenaar van het pand het hotel overgenomen. Binnenkort worden alle bedden vernieuwd. Er zijn nu al nieuwe lakens. Oh, ik moet nog zeggen dat de televisie het niet doet, na de extreme regen van gisteravond. Op alle televisies is alleen de film te zien die ik vanavond ga kijken. Maar het is geen porno, hoor.” Een hoog lachje.

In de slaapkamer staan vier stalen bedden met houten handdoekenrekjes erboven. Foto’s van naakte mannen aan de muur. Het lijkt een oud hospitaal. De ramen kijken uit op de patio. Ik kleed me uit en loop naar de douche op de eerste verdieping. Er is een douchekop en aan het eind van de slang zit een anaaldouche. Een dunne plastic slurf. Zelfs de inwendige mens kan hier gereinigd worden.

Als ik over de Zeedijk loop, kom ik vrienden tegen. “Kom, we gaan wat drinken. Waar slaap je vannacht? Oh, Anco. Dat was vroeger altijd het doucheputje van het uitgaansleven. Als je overal was geweest en nergens meer terecht kon, dan ging je hierheen. Dan kwam je altijd aan je trekken.”

Het is laat als ik terugkom in het hotel. De trappen op naar boven. Ik loop door de gangen. Sommige deuren staan open. In een kamer staat een Aziatische jongen zich te wassen. In een andere kamer ligt een zwaarlijvige man naakt op bed met zichzelf te spelen. Naast hem staat een flesje poppers. Boven zit een man in boxershort wiet te roken. Ik groet hem vriendelijk en loop naar beneden, naar mijn kamer. In het bed naast mij ligt een naakte man te slapen. Hij heeft duidelijk een opwindende droom. Zijn knieën zijn ingewikkeld met verband en ook zijn schouder is ingepakt met gaas. Door het verband schemeren roestkleurige bloedvlekken.

Ik word wakker als mijn kamergenoot zijn spullen pakt. Hij zwaait in de deuropening. Door de open ramen ruik ik de geur van geroosterd brood en gebakken eieren. Ik spoel de buitenkant van mijn lichaam schoon en kleed me aan. “En, wat vond je van je Braziliaanse kamergenoot? Hij moest vroeg weg, dat is wel jammer. Ben je gisteren nog uitgegaan? Heb je spannende dingen meegemaakt?”

“Je moet niet altijd zo nieuwsgierig zijn,” een oude man komt de ontbijtzaal binnen. “Laat die jongen met rust. Wil je lekker ontbijten?” Hij zet een schaaltje brood, kaas en ham op tafel. De geblondeerde receptionist komt me een gebakken eitje brengen. De andere hotelgasten komen binnen. Een blik van herkenning. Ze knikken vriendelijk.

“Wanneer kom je weer terug?” zegt de receptionist. “Je komt toch wel terug?”

Anco Hotel is een ‘men only’-hotel voor gays. Het ligt vlakbij de Warmoesstraat. Het hotel heeft veertien kamers: studio’s, tweepersoons en eenpersoonskamers en dorms. Het hotel is schoon en de ontvangst is persoonlijk.

Hotel Anco, Oudezijds Voorburgwal 55
Vanaf 35 euro

In de regen

“Heb je nog een stukje stoomwerk?” vraagt de jongen van de stomerij. “Kom je net terug van vakantie?” Hij wijst naar mijn bagage. Ik antwoord dat ik nog altijd in hotels slaap. “Ohja, stom.” Met een lege koffer vertrek ik van de luchthaven naar de Vondelstraat. Het regent.

“Goedenavond. U moet meneer Van Dijk zijn.” Donkere ogen kijken me diep aan.  “U heeft een mooie kamer in de kelder. U kijkt uit op de tuin. Helaas is het weer niet zo mooi.” Hij heeft een grappig Amsterdams accent.
“Heeft u net gestemd?” Ik vertel dat ik net in Den Haag ben geweest om te stemmen.
“Helaas mag ik niet stemmen. Ik woon mijn leven al in Nederland, maar ik heb een Portugees paspoort. Heel veel gedoe. Ik moet misschien toch maar eens een Nederlands paspoort. Een integratiecursus heb ik niet nodig. Kom maar op met die test. Ik ken alle nummers van André Hazes.”

Met de lift naar de kelder. Aan het eind van de gang is kamer 30. Openslaande deuren naar de tuin. De kamer is ouderwets, maar de rieten stoelen, het uitzicht op de groene planten, de warme vochtige lucht en het geluid van druppels op de bladen brengen me in een vakantiestemming. Door de glasblokken in de ruime douche komt daglicht binnen. Er is geen bureau, dus ik neem mijn laptop mee naar boven.

De ontbijtzaal is een skybox boven de groene tuin. Door de open ramen klinken regengeluiden. Hier klap ik mijn laptop uit. “Het lijkt wel of we in de tropen zitten, hè? Mag ik u een drankje van het huis aanbieden?” De receptionist zingt alle nummers van de radiozender mee. “U heeft natuurlijk geen bureau op de kamer. Sorry, daar hadden we aan moeten denken.”

“Met 45 kamers is dit best een groot hotel. Soms heb je wel 30 check-ins en dan is het even hard werken. Net was het bijvoorbeeld heel erg druk. Een man kwam binnen en voordat hij de kamer had gezien, eiste hij een andere kamer. Op de eerste verdieping. Gelukkig had ik net gisteren een cursus gekregen hoe je met agressie om moet gaan, haha. Dan leer je echt om je eigen emoties uit te schakelen, rustig te blijven. En heel duidelijk te zijn naar de gast. Tot hier en niet verder. Hij heeft de kamer gewoon genomen. Soms stellen mensen veel eisen. Ze vergeten dan dat we een driesterrenhotel zijn. Wel met vijfsterrenservice, hoor,” glimlacht hij. “Ik moet tot middernacht werken, daarna ga ik lekker de kroeg in.”

Na het eten breng ik een bakje Tabouleh bij een net geopereerde vriendin. We kijken naar de verkiezingsuitslagen op televisie. “Zoveel stemmen op een racist. Dit kan toch niet! Ik ga me actiever met politiek bezighouden. Ik ben net lid geworden van jouw partij. En vanaf nu gaan we alleen nog maar uit eten in Libanese en Turkse restaurants. Nooit meer stamppot.”

Terug in het hotel kijk ik televisie. Lachende winnaars, bedrukt kijkende verliezers. Ik slaap in de regen. De volgende ochtend zit er een andere receptionist. “Ja, het is even erg druk. Ik moet even een gast helpen met een huurfiets. Hij krijgt zijn slot niet open.”

Een Britse vrouw vraagt: “Will it be raining all day? “It’s a sad day,” antwoord ik. “A sad day.”

Prinsen Hotel is een zeer centraal gelegen driesterrenhotel met 45 kamers. Het ligt vlakbij het Vondelpark, maar heeft ook een eigen tuin met een terras, een ontbijtrestaurant met uitzicht op de tuin. Het vriendelijke hotel is gevestigd in twee panden uit de 19e eeuw van de architect Cuypers, die daar ook zelf heeft gewoond. In het hotel is een bar aanwezig.

Prinsen Hotel, Vondelstraat 36-38

Op een kist

Dag 115. Hotel Flipper

Mijn koffer krast door de straten. In een woonwijk staan twee buurvrouwen over de heg te praten. Ze wijzen naar mij. “Wat een herrie maakt die koffer. Zou die helemaal vanaf Schiphol zijn komen lopen? Er zit vast een bom in.” De richtingaanwijzer op mijn telefoon is in de war. Aan het eind van de straat, hoor ik de buurvrouw schreeuwen. “Nee, Flipper is linksaf.”

Naast de receptie staat een oude grammofoonspeler. Op de receptie ligt een rode knop met EASY erop. “Goedenavond. Ik kom inchecken.” De Chinese Jongen achter de receptie kijkt me glazig aan. “Sorry, English.”

Om me heen alleen maar Nederlandse stemmen. Ik vraag hoe het komt dat er zoveel Nederlandse gasten zijn. “Because we are in The Netherlands?” antwoordt hij ironisch. Moet ik hem uitleggen dat in de meeste hotels met name buitenlanders komen? Waarschijnlijk is er een congres. Opvallend is dat veel Nederlanders hier een rastakapsel hebben en doorblowde pupillen. Misschien een wietcongres? Mijn volgende vraag gaat over de naam van het hotel. “Because of the movie. The dolphin.” Hij wijst naar de poster met duikende dolfijnen achter hem. Ik vraag hem of ze waterbedden hebben, een vraag die ik al drie keer vandaag had gekregen. “No, we don’t have water beds. Here is the key.”

De kamer is klein, maar ziet er netjes uit. Handdoeken van verschillende formaten, stijlvol donker meubilair, houten betimmering. Een fijn hotel. Tegen de wand staat een eenpersoons boxspringbed. Ik ga vermoeid zitten. Een doffe dreun. Mijn rug kraakt. Onder het dunne matras zit een houten kist, met een stof erop die de suggestie wekt dat het een boxspring is. Een enorme pijn. Ik moet liggen. Waar is midden in de nacht een masseur te vinden?

Een wietlucht in mijn kamer. Van beneden klinkt elke minuut een deurbel. Mensen die wel buiten zijn gaan roken.

Uit de machine beneden haal ik een blikje fris. Opnieuw plof ik op mijn bed en schreeuw het uit van de pijn. Waarom twee keer dezelfde fout maken? Met Fanta slik ik een pijnstiller door en val in slaap.

Douchen. Ik herinner me het bord Always lock your door, beneden in de hal. Nederlanders zijn niet te vertrouwen. Gehuld in een handdoek terug naar mijn kamer om de deur op slot te draaien. Als een Duitse jongen langsloopt glijdt de handdoek af. “Es tut mir Leit. Ich bin schon verheiratet,” grapt hij. De douchecabine ziet er modern en smaakvol uit. Zwart-wit met grote tegels.

Op elke ontbijttafel staat een broodrooster. Een andere Chinese jongen haalt de schalen weg. Hij kijkt niemand aan. Is de ontbijtperiode verstreken? Even later komt hij terug met nieuw brood, nieuwe jam, nieuwe boter. Tegelijkertijd bemant hij de receptie. Ik groet hem uitbundig en hij knikt terug. Op mijn kamer ga ik zitten werken om het dragen van de koffer uit te stellen. Om 11 uur gaat de telefoon. Er wordt niets gezegd, maar ik beloof dat ik uitcheck.

Hotel Flipper ligt in een woonwijk in Zuid. Het is onderdeel van de groep WIN-hotels. Het hotel is goed onderhouden. Er zijn kamers met eigen douche en toilet en kamers met gedeelde faciliteiten.

Hotel Flipper, Borssenburgstraat 5
Vanaf 45 euro

In geen hotel

Dag 114. Hotel AnneMarie

“Hotel? Hotel? Nee, dit is geen hotel.” Ik vertel dat er een bord aan de gevel hangt met Hotel AnneMarie erop. “Ja, vroeger was dit een hotel. Nu is het een hostel, maar we hebben de naam gehouden. Hotel AnneMarie. Maar AnneMarie heb ik nooit gekend. Laatst kwam hier een vrouw die hier veertig jaar geleden is geboren. In het hotel. Ze liep direct door naar de tuin. Daar liepen toen nog kippen. Nu willen mensen weinig betalen voor een hotel en we moeten de kamers vullen. De huur is hoog, hier tegenover het Concertgebouw. Daarom hebben we er een hostel van gemaakt. Vijf euro voor de sleutel, alsjeblieft.”

“U heeft kamer 11 op de vierde verdieping. Wilt u uw adres nog even invullen? Na 9-11 is de politie erg streng geworden. Vul maar het adres van een vriend in. Als u wat te eten wilt maken: de Albert Heijn zit hier tegenover en in de keuken is een magnetron.”

De trappen op. Tussen kamer 10 en 12 ligt kamer 1. De sleutel past en de deur gaat open. Natuurlijk geen handdoek, het is een hostel. Beneden vraagt de receptionist of ik kamer 11 heb kunnen vinden. “Nee, ik slaap ik kamer 1.” Hij lacht. “Ja, iemand heeft ooit de een meegenomen. Waarschijnlijk als souvenir. Maar ik kan nergens meer zo’n eentje vinden.”

Een handdoek huren kost twee euro. AnneMarie is geen oude hoteldame met kippen. Het is een stripmeisje met een parmantig geel kapsel. Haar afbeelding staat op de computerschermen in de receptie. Boven haar hoofd staat Hotel Annemarie.

Een kat loopt mee mijn kamer in en gaat op het verschoten dekbed liggen. Veel werk heeft hij niet, want op verschillende plekken in de kamer staan zwarte dozen tegen ongedierte.

Een Franse jongen is boos op zijn vriend omdat hij dit hostel heeft geboekt. “Sorry, ik had geen tijd om te zoeken, ik had tentamens. En ik dacht dat het wel goed zou zijn, tegenover het Concertgebouw.”

In de douche op de gang vertellende verschillende haarkleuren een verhaal over de andere hotelbewoners. Het douchegordijn ruikt zurig en klampt zich angstig vast aan mijn natte huid.

“Goedemorgen, Vincent. Hier staat het ontbijt. In de keuken kun je een tosti maken. Neem nog maar een bakje koffie. Er is genoeg.” Het ontbijt bestaat uit een schaal droge bruine boterhammen en twee thermoskannen koffie. Op tafel staan potten pindakaas en jam. Drie Chinese jongeren communiceren naar elkaar met onmenselijke eetgeluiden en na mijn koffie vlucht ik naar boven om mijn koffer te halen.

“Succes, Vincent. Tot ziens bij Hotel Annemarie”

Hotel AnneMarie is een hostel tegenover het Concertgebouw. Het is vrij oud en lange tijd niet gerenoveerd. Het onbijt is simpel, maar er is een keuken om zelf eten klaar te maken.

Hotel AnneMarie,Jan Willem Brouwstraat 14
Vanaf 17.99 euro

In het achterhuis

Dag 112. Hotel Nieuw-Slotania

De tram richting Sloterpark wordt steeds leger. Als we de bocht omgaan zie ik het grote letterbord op het Oostblokachtige gebouw. Hotel Nieuw-Slotania. Het klinkt als een verzonnen land. Binnen, in de ruime hotellobby met roze marmervloer en kroonluchter staat een grote receptie met een mooi grijnzende jongen met Marokkaans uiterlijk erachter. “Het is net begonnen,” wijst hij naar het geluid van buiten, waar bouwvakkers aan het werk zijn. Als ik de deur dicht doe is het al wat minder. “Dank je, man.” Hij geeft me een bruin envelopje met de sleutelkaart. “Moest u in de buurt zijn?” vraagt hij, maar als ik wil antwoorden gaat de telefoon. “Ontbijt is morgenochtend hiernaast,” fluistert hij snel.

Met de lift naar boven. Overal hangen bordjes, maar mijn kamernummer ontbreekt. Dwalend door de gangen. Een deur naar buiten. Is dit een nooduitgang? Een tapijt van sigarettenpeuken. Achter de morrende klimaatinstallatie zit een deur verstopt die toegang geeft tot drie kamers. Het achterhuis. Hier vinden ze me nooit.

Een Engelse man in joggingpak ligt onder het stapelbed. Is hij dood? “I lost my glasses. At home my daughter usually helps me,” zegt hij verwijtend.
“Should I help you?” Het is niet nodig. In de badkamer staan zijn spullen uitgestald, alsof hij hier woont. Shampoo, verschillende soorten parfum. Overal door de kamer liggen zijn sokken, schoenen, tramkaarten en kledingstukken. Daarom wilde ik niet samenwonen.

Ondanks de geur van onbekende mannenvoeten in de kamer heb ik zin om te eten. Met moeite baan ik me een weg door de bouwvakkers en manoeuvrerend materieel. Een dood winkelcentrum. Goed gekleed naar een baan staat op een gevel. Er is geen restaurant in de buurt en het is te laat om naar het centrum te gaan. Onder het hotel zit een FEBO. Net als ik voor de deur sta, wordt het bordje omgedraaid. Gesloten. Geen maaltijd, vanavond. Dan maar een reep uit een machine? In het enige gevulde vak liggen Marsrepen, maar het vak heeft geen nummer. Met een lege maag in bed.

Drie Vietnamese jongens komen de kamer binnen. “Where are you from?” “From Amsterdam,” antwoord ik. “That is so funny. So unexpected.” Ze lachen en de bedden piepen. De Brit komt binnen en doet zonder overleg het licht uit. We moeten kennelijk slapen.

Buiten neemt het lawaai toe. Rijdende wagens, gebreek, drilboren, zwaailichten. Het is moeilijk om in slaap te komen. Ik probeer me te concentreren op het zachte gezoem van de vier mannen, om de oorverdovende herrie niet te horen. Op mijn telefoon bekijk ik een aflevering van “Fawlty Towers.”

“I am very angry” zegt een man tegen een Chinese ontbijtvrouw. “Very very angry. This orange juice is not cold.” “This isn’t even orange juice,” probeer ik de situatie te redden, maar de man is niet ontvankelijk voor mijn humor. De Chinese vrouw kijkt naar de man, zegt niets. Hij loopt boos weg. Een Japans meisje eet een schaal cornflakes zonder melk. Als ze bijna de laatste hap neemt, attendeert een vriendin haar op de zuivelpakken die verdekt staan opgesteld. Ze giet een scheutje melk over de laatste graanvlokken. De inwoners van Nieuw-Slotania zijn een bijzonder volk.

In de tram naar de andere kant van Amsterdam.

Hotel Nieuw-Slotania is een budget- en driesterrenhotel van de Shi-groep met hotelkamers en slaapzalen. Er is een bar en is een woonkamerachtige verdieping met computers en automaten.

Hotel Nieuw-Slotania, Slotermeerlaan 133
Vanaf 20 euro