De Prinsengracht lijkt oneindig door de trage sneeuw. Een slippende auto voor het hotel veroorzaakt een file. Vooruitgeduwd door 6 mensen. Telkens glijdt hij terug, onder luid gejoel van de omstanders.
De klok in de receptie slaat met een diepe toon. Het geluid resoneert in de gietijzeren steelpannen aan de wand. De muziek van een spannende thriller. Voor de kachel ligt een Duitse herder die aan het sonore klokgeluid gewend is geraakt. De besneeuwde koffer bedruipt zijn snel ademende lijf. Hij rilt. Dit hotel is een allegorie van de huiselijkheid.
“Ja, je was al eerder langsgekomen, maar het was druk in de zomer. We hebben nu de mooiste kamer voor je, met uitzicht over de Prinsengracht,” zegt de receptionist. “We hadden vandaag veel annuleringen omdat er nauwelijks vliegtuigen landen op Schiphol, dus je hebt geluk. Voor ons niet zo’n ramp, hoor. De kamers moeten toch gewoon betaald worden, zonder dat we er werk aan hebben, haha. Hier is de sleutel van je kamer, deze is van de voordeur en deze is van het kluisje op de kamer. Net groot genoeg voor je paspoort en je portemonnee.”
Vanuit de klassieke kamer is het tafereel op de gracht goed te zien. Een nieuwe auto komt in dezelfde slip terecht. Alsof in dit winterlandschap geen auto’s horen. Terug naar de warme van beneden.
“Net na de oorlog is de heer Wiechmann begonnen met dit hotel.” Hij wijst naar de verlichte man op het schilderij boven de gloeiende gaskachel. Naast de receptie staat een ingezakt harnas.
“Op een gegeven moment heeft zijn dochter het overgenomen. Ze begon eerst in het hoekpand, en dat hotel is er later bijgetrokken. Zij heette geen Wiechmann maar een Boddy, de naam van de huidige manager. Maar we hebben zijn naam gehouden. Hij was verwoed verzamelaar. Onder meer van wapens, die je door het hele hotel ziet. In de loop der jaren is er nog zoveel meer verzameld, zoals de theepotten die in de vensterbank staan. Je ziet iedereen er altijd naar kijken, als ze voorbij lopen. Het mooiste van het hotel is de ontbijtzaal. Kom even mee. Zo’n uitzicht op de gracht heb je in geen enkel hotel gezien, dat zul je morgenochtend wel ervaren.”
We lopen door een poortje en staan in een woonkamer. Nee, een aaneenschakeling van verschillende Jordanese woonkamers met Perzen, verschillende kleuren leunstoelen met hoofdlegger, lavendelblauw geverfde balken aan het plafond, antieke kasten, een oliekachel en een ouderwetse lamp. Tegen de muur staat een grote kluis. “Deze stond achter. Met een grote machine is hij verhuisd toen onze fundering vorig jaar werd vernieuwd, maar we konden hem met geen mogelijkheid terugkrijgen. Vandaar dat hij nu zo pontificaal in de ruimte staat.”
Telkens als de klok slaat, schrik ik op. Waar komt de angst vandaan? Een vriend sms’t: Er rijden geen treinen. Waar ben jij? Als vrienden een opvangplaats nodig hebben, denken ze steeds vaker aan mij. Even later belt hij aan bij het hotel.
“Mag ik eerst even mijn telefoon opladen? En heb je droge sokken voor me in je koffer?
“Ook goedemiddag. Kom je ook voor mij of wil je alleen gebruik maken van de faciliteiten?” vraag ik gespeeld venijnig.
“Oh, sorry. Leuk om je te zien.” Hij geeft een snelle kus op mijn wang. “Kan ik misschien blijven slapen? Dit wordt niets, vanavond.” Hij doet zijn doorweekte sokken uit, gaat naast mij op bed liggen, pakt de afstandsbediening en zapt langs de buitenlandse kanalen. De geur van natte schoenen.
“Nou. Zo voelt het dus om getrouwd te zijn.“
Toen ik in een huis woonde kwam hij nooit zomaar langs, maar nu ben ik een hotel. Hij staat op, gaat naar het toilet en klatert luid in de pot. Opeens weet ik zeker dat ik nooit een relatie wil hebben. Mijn leven is niet geschikt om te delen. Is het de koude of deze gedachte die me doet rillen?
“Zullen we even naar de hotelbar gaan? Ik heb wel een biertje verdiend,” zegt hij terwijl hij mijn sokken aantrekt.
“Nou, een echte bar hebben we niet.” De receptionist haalt een leren worst weg voor een klein barmeubel, alsof hij een afdeling van een museum opent. “Maar gewoon een biertje hebben we wel. Ik zal even de glazen spoelen.”
“Staat dit bier hier ook al sinds de oorlog?” vraag ik wantrouwend.
“Nee, hoor. Daar zorgen wij zelf wel voor. Hier gaan heel wat kratjes doorheen,” lacht hij.
Voor het ontbijt word ik wakker, maar het is veel te vroeg om op te staan. Iets over 11 gaat de telefoon. “Mag ik je eraan herinneren dat de uitchecktijd 11 uur is? We zijn niet zo streng, hoor, maar ik zou niet willen dat het kamermeisje een uur op je moet wachten. Doe rustig aan, ik laat eerst de hond wel even uit.”
“Hier zijn je sokken terug,” zegt de vriend. “Dank je voor de overnachting.” De klok slaat voor het laatst en de hond knikt vriendelijk.
Hotel Wiechmann is al 60 jaar een huiselijk familiehotel van dezelfde eigenaars. Het hotel in drie panden in de Jordaan met een zeer ouderwetse lobby en een prachtig gelegen ontbijtzaal met uitzicht op de Prinsengracht. Er hangt een zeer persoonlijke en informele sfeer en de kamers zijn klassiek ingericht, maar schoon.
Hotel Wiechmann, Prinsengracht 328-332
Vanaf 80 euro









