Zonder te douchen

Hotel The Veteran

Rond het hoekgebouw staan steigers. Is dit hotel wel open? Hebben ze vergeten mij te verwittigen? De bordjes Hotel The Veteran in verschillende huisstijlen zijn verstopt achter de tussen de pijpen gespannen doeken.

Een geplastificeerde print met de naam van het hotel leidt me naar de receptie. Een pijl naar beneden, naar een kelder. Ik druk op de bel en er gebeurt even niets. Dan komt een kleine Chinese man met een brandwond op zijn wang naar de deur. In zijn hand een grote bos sleutels. Hij kijkt bang en probeert 12 sleutels voordat hij de juiste heeft. Hier moet geen brand uitbreken, want dat overleeft hij niet. Zijn gasten dus ook niet. Zal ik weggaan? Naar een ander hotel? Is dit een teken?
“Wordt het hotel verbouwd?” vraag ik de man overbodig.
“Alleen de buitenkant.” Geen emoties.

Op de vloer van de donkere kelder ligt een rode deurmat met Welkom in het Engels en Chinees. Een vissige etenslucht penetreert de benauwde ruimte. Hij overhandigt de sleutels en loopt voor me uit naar buiten. Om de hoek is een trapje naar boven. Weinig behendig klim ik door de ijzeren buizen. De man steekt zijn hand uit naar de koffer en draagt hem naar boven. Achter de deur begint direct een nieuwe trap met meteen links een deur die 2/3 is van de normale hoogte. De deur van de andere kamer is even klein. Dit is een hotel voor kleine mensen. Ook de kamer is erg laag. Het is een halve kamer. Rechtop staan lukt alleen op de plaatsen waar geen balken lopen. Een scheepshut zonder deining.

Het oude bed is strak opgemaakt met een wollen deken. De vergane vitrages hangen slechts aan enkele haakjes. Samen met de steigerdoeken maskeren ze het uitzicht op de gracht. Met de lampjes aan is de kamer zelfs gezellig. Door de magere verlichting zijn de zelfgetimmerde wanden en meubels minder lelijk. Vanaf het bed staar ik naar de televisie. Naar een wereld die ook niet de mijne is.

De badkamer is smerig. Bruine sporen in het toilet, een deken van haar bedekt het doucheputje. Op het planchet staan vijf verschillende soorten doucheschuim. Zijn het gevonden voorwerpen?

Mijn steeds dikker wordende lijf smeer ik in met DEET. Als een Turkse olieworstelaar die dit moment gebruikt om zich te concentreren voor de wedstrijd. De lakens zijn smetteloos wit. Een intense jeuk op mijn schouderbladen op het moment dat ze contact maken met het onderlaken. Is dit verbeelding? Het lukt niet om in een diepe slaap te komen. De lamp blijft aan. De andere gasten die de hele nacht thuiskomen en weggaan, zorgen dat ik elk half uur kan controleren of er geen ongewenste gasten tussen de lakens zitten. De eeuwige geur van wiet.

De honger wekt me definitief, maar de gedachte aan de geur bij de receptie en in de badkamer maken het onmogelijk om uit bed te komen. Het ontbijt is gelukkig tot half 11. De bouwvakkers zingen vrolijk en een verflucht komt het raam binnen. Zonder te douchen kleed ik me aan. Op de buitentrap staat een ladder. Door een misstap val ik bijna van de trap. De bouwvakkers lachen om mijn onhandigheid.

Op de binnenkant van de voordeur staat Do NOT lock! Fire escape. En daaronder hangt: Be Careful. Step is broken.

De ontbijtkelder zit vol. “Koffie?” vraagt de verbrande Chinese man. Hij wijst naar een tafel die voor 1 persoon is gedekt. Hij zorgt voor me. Vergeleken met andere budgethotels is het ontbijtbuffet uitgebreid. Witte puntjes en gesneden koek. Achter me zit een vrouw met ongewassen haar in een mysterieus gewaad. Haar wenkbrauwloze ogen staren me leeg aan. Even wezenloos als de Aziatische vrouw in de keuken.

De koffer is hermetisch dicht gebleven. Het oude bed, de plakkerige anti-insectenvloeistof, de badkamer. Opeens is het allemaal teveel. Ik bel een vriend om daar te douchen.

De Chinese man neemt halverwege de trap de sleutels in ontvangst.
“Was het goed?” Hij kijkt bang en verdrietig. Bang is voor het oordeel.

Hij werkt hard. ’s Morgens vroeg maakt hij koffie en ’s avonds tilt hij koffers op het onmogelijke trappenstelsel. Elke dag zorgt hij weer dat er een kan jus d’orange staat en een schaaltje gekookte eitjes. Want dat hoort nu eenmaal bij een hotel. Hij laat de buitenkant van het gebouw opknappen en verzamelt vergeten shampooflessen en moet tussendoor ook nog zorgen dat de kamers gevuld worden via alle mogelijke boekingssites. Elke dag de vieze toeristen die drinken en blowen tot ze naar boven kruipen en in hun eigen kots in slaap vallen, en niet eens merken dat ze door hen zelf meegebrachte beestjes worden leeggezogen. Een wezenloze vrouw die als een zwart gat alle energie uit de omgeving zuigt.
“Ja, het was goed,” knik ik geruststellend.

Hotel The Veteran is een budgethotel met 12 kamers, zonder ster, van dezelfde eigenaar als Hotel De Munck. De kamers zijn redelijk onderhouden, de sanitaire voorzieningen zijn niet schoon, maar het ontbijt is in orde. Het ligt naast het Rembrandtplein/Thorbeckeplein en daarom trekt het vooral jong uitgaanspubliek dat over het algemeen weinig tijd in het hotel doorbrengt.

Hotel The Veteran, Herengracht 561
Vanaf 39 euro

Met kleine beestjes

Croydon Hotel

In het blauwverlichte raam van een wasserij aan het begin van de Warmoesstraat zitten twee vrouwen kruiswoordpuzzels te maken.
“Business?” fluistert een donkere man iets verderop, vanuit een portiek. Hij kijkt stoned en gebaart met zijn handen. “No. Pleasure,” lach ik. Dit was duidelijk niet wat hij bedoelde. Hij wendt zijn hoofd nors af.

De gekleurde donuts, die overal in het red-light disctrict van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht de honger stillen van druggebruikers en hoerenbezoekers, liggen pontificaal uitgestald in de verlichte kast. Dit is een receptie van het hotel en tegelijk een food-shop met een aantal basale voedingsmiddelen, blikjes fris en bier. Een verdoofde man likt aan zijn roze donut. Achter de desk zit een Aziatische man.

“Hier is je sleutel en hier is de kaart waarmee je naar binnen komt. Deze sleutel is voor de kamer, deze voor de locker. De ingang van het hotel is hiernaast.” Mag ik een handdoek?” vraag ik, wijzend op de stapel. “Of liggen die op de kamer?” Zwijgend geeft hij een handdoek.

Met mijn koffer en mijn tas een nauwe trap op. Onderweg ga ik naar het toilet in de hal. De WC is niet doorgespoeld. In de pot ligt een stevige bruine worst. Om de pot ligt toiletpapier. De luchtverfrisser in de hal ontkent de geur die uit het toilet komt. Nog een trap.

De kamer ruikt naar slapende mannen. Het bed is slordig opengeslagen. Op het dekbed zitten bloedspatten. Op het laken zitten gele vlekken en liggen kleine roodbruine bolletjes, omringd door kort schaamhaar. Zijn dit uitwerpselen van dieren of zijn dit kleine beestjes? Ze gaan niet bewegen door het licht en de aansporing van mijn telefoon. Misschien zijn ze overleden door het zuurstoftekort in de kamer. Snel het raam open. Van buiten klinken bekende geluiden uit de Warmoesstraat. Gelach en glasgerinkel. Een jongen loopt op blote voeten met zijn slippers in de hand.

Op de badkamervloer ligt nat toiletpapier. De smerigheid van de kamer projecteer ik op mezelf. De enige remedie is reinigen. Ik knip mijn nagels, scheer me. Alles moet schoon, ook de inhoud van mijn koffer. Ik zoek naar een locker, maar deze is er niet, dus weer met mijn tas en koffer weer naar beneden.

Met een schone koffer terug. Het geplastificeerde briefje houd ik omhoog naar de twee mannen achter de receptie. Ze kijken me aan, maar doen niet open. “You have to wave,” zegt een Britse man. “Wave.” Hij doet de beweging voor. Ook hierop wordt niet gereageerd. “Somebody is waving,” schreeuwt hij naar de receptie. Ze kijken hem vreemd aan, maar openen daarna de deur.

Een vriend sms’t. De bedwants is weer terug in Amsterdamse hotels. Alsof hij weet waar ik ben.

Op internet zoek ik op hoe het is om geconfronteerd te worden met een bedwants. Met zijn steeksnuit prikt hij door de huid, injecteert hij een verdovende stof en een antistollingsmiddel. De wondjes lijken op muggenbulten, soms in rijen als hij gestoord werd tijdens het voeden. Hij maakt gebruik van traumatische inseminatie: hij maakt een gat in het vrouwtje om de geslachtscellen af te geven. Uitgeademde CO2 en lichaamswarmte trekken hem aan. Opeens herinner ik de rode bultjes uit een eerder hotel. In de schaamstreek, op mijn kont, en zelfs eentje op mijn borstkas. Dit moeten wantsbeten zijn geweest.

Met al mijn kleren aan ga ik op bed liggen. Een handdoek op het hoofdkussen. Zonder deken, al komt er een natte kou binnen door het open raam. De harde geluiden zijn zo regelmatig van hardheid en toon, dat ik snel in slaap val. De volgende ochtend is mijn keel opgezwollen en pijnlijk. Onder de bovenrand van mijn spijkerbroek zitten rode bultjes, waarvan een is opengekrabd. Na een lange douche opnieuw naar de wasserij om mijn kleding heet te wassen.

Hotel Croydon is een hotel en hostel met drie- tot achtpersoonskamers dat slecht wordt schoongemaakt.

Hotel Croydon, Warmoesstraat 77
Vanaf 45 euro

Op de camping

Bostel Het Amsterdamse Bos

Met de Metro naar het Amsterdamse Bos. Volgens een bordje is het nog vier kilometer lopen.  Een ingewikkelde puzzeltocht met pijlen naar links en naar rechts. De rust in het bos wordt telkens afgewisseld met het tegelijk hoge en lage gebrom van vliegtuigmotoren die rakelings over de boomtoppen lijken te scheren. Dit is een aanvliegroute voor Schiphol. Steeds verder raak ik verwijderd van de stad Amsterdam. De chaos in de stad maakt langzaam plaats voor de chaos in het bos.

Rond het receptiegebouw staan verschillende houten huisjes. Ertussen ligt gras en staan bomen. Een vredige begraafplaats vol Italiaanse lijkenhuisjes.

“U bent wel erg vroeg,” zegt de receptionist met een Vlaams accent. Het is nog geen tien uur. Normaal is de inchecktijd 15 uur. Maar wie weet heeft u geluk en is het huisje eerder klaar. U kunt inchecken en vast Amsterdam in.” Vast Amsterdam in? Helemaal terug naar de stad waar ik net afscheid van heb genomen? “Nee, ik wil graag hier blijven,” zeg ik stellig.
“U kunt in de keuken gaan zitten, daar is stroom.” Hij wijst op mijn laptop. Een vrouw komt binnen en koopt een toiletrol en een stokbrood. “De keuken,” vraag ik verbaasd? Hij pakt een plattegrond en kruist het keukenruimte aan.

Dit is dus het meest primitieve in de reeks slaapgelegenheden? Hotel, bed & breakfast, hostel, camping. De natuur is hier de enige vijand.

Een vrouw loopt met haar toiletrol onder de arm naar het toiletgebouw. Een groep mannen met laptoptassen en bordjes om hun nek.  De congresgangers achtervolgen me zelfs tot in het bos. In de keuken staat een jongen eieren te bakken voor een hele groep.

Naar de receptie om cappuccino te kopen. “U heeft geluk. Uw cabin is al uitgecheckt en wordt straks schoongemaakt. Het is Madrid. Hier is de sleutel. Voor de handdoek en het laken moet u een borg betalen.” Een schoonmaakster gaat de cabin binnen die verdacht veel lijkt op een tuinhuisje waar normaal de grasmaaier en hark verblijven. Een minuut later is ze klaar. Op de deur staat: Always lock the door and sleep ON your laptop and phone.

Het interieur van het huisje bestaat uit twee losse houten bedden met plastik matras. Tussen de bedden staat een houten tafel. Tegen de wand staan twee klapstoelen. Voor de ramen hangen verschoten gordijnen. Het bed ligt hard, en toch val ik in slaap. Vakantie. Rust.

Ik schrik wakker. Vakantie? Helemaal geen vakantie. Het bed moet nog worden opgemaakt. Daarna naar een supermarkt, want er is niets in huis. Een tas vol wijnen en strokbrood, kazen, een kaars, aanstekers, doucheschuim. Acht keer door de supermarkt, want er mag niets over het hoofd worden gezien.
Buiten ga ik zitten schrijven. Twee mensen groeten vriendelijk. “Do you know where Paris is?” vragen ze met een Frans accent. “Paris est là-bas,” wijs ik naar het huisje achter mij.

Een vriend komt langs. “We gaan vanmiddag waterfietsen,” zegt hij. “Dat hoort bij een camping.” Met de taxi gaan we naar de andere kant van het Amsterdamse Bos.

In de keuken worden kippen gegrild en staat een groepje jongens te blowen terwijl ze in hun pasta roeren. “Heb je wel eten in huis?” zegt de vriend. Het belangrijkste ben ik vergeten. Via mijn iPhone bestel ik een maaltijd. Even later zitten we in de keuken. De andere gasten staren sprakeloos naar onze bakjes.

De volgende ochtend haal ik het bed af. Met een ingenieus geknoopte laken terug naar de receptie voor de borg. “Dat is dan 15 euro,” zegt de vrouw. Ik kijk haar verbaasd aan. “Ohnee, jij krijgt 15 euro. Ik ben gewend om alleen te incasseren.” Met de bus naar Schiphol. Terug naar de wereld van service.

Bostel het Amsterdamse Bos ligt op Camping Het Amsterdamse Bos. Er zijn 2-persoons cabins, 4-persoons chalets en cottages. Er kunnen handdoeken en lakens worden gehuurd en er is een kleine winkel voor de belangrijkste levensbehoeften. De camping ligt redelijk ver van Amsterdam centrum, maar er zijn fietsen te huur en er rijden bussen.

Bostel Het Amsterdamse Bos, Kleine Noorddijk 1 (Amstelveen)
Vanaf 27,50

Als een student

Hotel Hans Brinker

“Nee, je bent hier eigenlijk niet welkom,” zegt de receptioniste. Dit is voor studenten en jij bent geen student meer. Bovendien zitten we nu in een kleine verbouwing, dus het komt niet goed uit. De eerste reden begrijp ik, de tweede is vreemd. Dit hotel is bekend geworden door de jarenlange reclamecampagne Worst Hotel in the World. Wat maakt een kleine verbouwing dan uit? Dan maar anoniem een bed op een vierpersoons slaapzaal boeken.

Vroeg in de ochtend check ik in. Als je er niet voor 12 uur bent, dan loop je het risico dat je bed aan een ander wordt gegeven, staat in de bevestiging. Voor het hotel staat een 45-km-wagentje met AIRPORT SHUTTLE SERVICE op de zijkant. Een hotel met humor. Het duurt even voordat de deur open wordt gedaan.

“Goedemorgen. Heb je een uitje met de jongens?” Ik kijk om me heen, maar zie niemand staan. “Nee, hoor, ik slaap alleen.”
“Okay, nou, dat gebeurt wel vaker hoor, dat mannen met elkaar een uitje hebben en hier slapen. Een vrijgezellenavond of zo?”
“Er komen niet alleen studenten, dus? Nee, ik slaap alleen.” Ik lees de bevestiging voor: 4 Bed Mixed Dorm Ensuite. Ik weet niet wie er nog meer slaapt, het is een dorm.”
“Oh, ik dacht dat je met z’n vieren was.”
“Nee, ik slaap alleen. Het is een dorm, een slaapzaal.”
“Wil je nu alleen voor jezelf betalen, of betaal je ook vast voor de anderen?”
Verbaasd kijk ik haar aan. “Nee, ik betaal alleen voor mezelf. De anderen ken ik namelijk niet, het is een dorm
“Door please,” schreeuwt een Italiaanse student die al een tijdje staat te gebaren. Het meisje drukt op de knop.
“Okay. Je kunt vanaf half 2 op je kamer terecht. Hier is de sleutel. Laat hem steeds zien als je naar binnen wilt.”
Buiten staat een groepje meisjes druk te zwaaien. “Volgens mij willen ze naar binnen,” zeg ik tegen de receptioniste.
“Dit zijn de tijden.” Er is een briefje met de in- en uitchecktijden en de openingsuren van de bar en het restaurant op de receptie geplakt. Nadat ze deze heeft onderstreept opent ze de deur.

De kantine is een hoge ruimte met grote tafels en een bar. In de ramen zitten moderne glas-in-loodramen met gekke vormen. In de hoek staat een verlichte vitrine, beschermd door een gouden koord. Op een eveneens gouden kussen ligt het boek Worst Hotel in the World.” Aan de muur hangt een foto van een meisje met een tatoeage op haar arm. Het is de plattegrond van de hotelomgeving met de tekst: PLEASE TAKE ME BACK TO THE HANS BRINKER BUDGET HOTEL.

Het is koud in de kamer, buiten regent het. Op de bedden liggen handdoeken. Als ik net op bed lig, komen er twee jongens binnen. Ze komen uit Israel. “We zijn net gevlucht uit een ander hostel. Dat was veel duurder en vreselijk slecht. Zo druk en chaotisch. Dit ziet er veel beter uit. Alleen die deur, dat is heel erg vervelend. Geen wonder dat iedereen hier op hun kamer rookt. Door het hele hotel hangt een wietgeur. Dat je hier gewoon mag roken! Dat doe je toch niet op de kamer?”
”We willen nu naar Anne Frank, hoe komen we bij haar huis?” vraagt zijn vriend.
“Ze woont daar niet meer,” zeg ik.
Hij kijkt geschokt. “Echt?” vraagt hij.
De student lacht. “Nou, dan moeten we maar naar een coffeeshop.”

“Happy happy hour,” klinkt door de intercom. Meteen vullen de tafels zich met grote glazen bier. Een gezin met kinderen zit aan een tafel met dubbele glazen chocolademelk. In de keuken wordt de avondmaaltijd bereid. “You have to wait until six o’clock,” zegt het meisje in de keuken met harde stem als ik nieuwsgierig kom kijken. Zonder vaste tijden is er geen discipline.

Het is laat als ik terugkom in het hotel. Van de verlichte letters doen allen de H, E, en L het. Er is aan elk detail gedacht. Op de website staat SIMULAR TO HELL, BUT WITHOUT PROPER HEATING.

Uit de kelder klinkt muziek. In het midden staat een glazen kooi. Hier wordt gerookt en gedanst. Ik ben moe en ga naar boven. In de kamer hangt een zware wietlucht. As in de toiletpot. Op het vierde bed ligt een jongen. Zijn grote pupillen kijken me aan en hij geeft me een hand. “Lig ik in je bed?” vraagt hij. Meteen valt hij weer in slaap.

Om half tien gaat de kamerdeur open. “Check-out time is ten o’clock, so get up now,” schreeuwt een schoonmaakster. Ik neem een douche en pak mijn spullen. De twee Israelische jongens steken hun hand uit. “Goodbye, Vincent. Take care.” Op de deur hangt een briefje met de tijden.

“Door please,” schreeuwt een Duits meisje tegen de receptioniste. Er staat een rij met mensen die in- en uit willen checken. Buiten staat een nieuwe groep te wachten.

Hans Brinker Budget Hotel is een hostel dat ooit is opgericht door studentenreisorganisatie NBBS om internationale studenten met elkaar in contact te brgen en wordt ook voornamelijk wordt gerund door studenten. Er zijn duidelijke regels en tijden, maar het hostel heeft een bar, een dansvloer en een betaalbaar restaurant. Ondanks het strenge tijdschema hangt er een leuke sfeer.

Hans Brinker Budget Hotel, Kerkstraat 136/138
Vanaf 21 euro

Onder Gods hoede

Shelter Jordan Christian Hostel

Het is al na middernacht. “Alle hotels van de stad zitten vol. Er is een medisch congres. Iets met kanker,” zegt een barman in het Crowne Plaza Hotel. “Kankercongres,” mompel ik.
“Ook het grootste deel van onze kamers is opgekocht.”
Ik herinner me een hostel waar ik zelf ooit buitenlandse gasten heb ondergebracht tijdens een studentencongres. Op goed geluk loop ik er naartoe. Het is nat en koud. Dit is mijn kans op een bed, vanavond.

Achter de receptie zit een man met lang haar, sandalen en een ingevallen gezicht. Hij doet me denken aan een icoon van Christus.
“Hebben jullie nog een plekje in de herberg?” vraag ik.
“Nee,” zegt hij stellig. “Dat kun je vergeten. We zitten helemaal vol. In de zomer zitten we altijd vol.” Ik vraag of hij toch nog even wil kijken.
Hij bladert in de computer. “Nee, helemaal vol. Ik zou je graag onderdak geven, maar vol, vol, vol.” Dan blijft hij naar zijn scherm staren. Het blijft even stil. “Alhoewel… ik heb hier nog een bed. Hoe kan dat? Hoe bestaat het? Het is een wonder!”

Op de eerste verdieping zijn de dorms voor vrouwen, op de tweede die voor mannen. Aan de muur in het trapportaal hangt een bordje dat de Bijbeldiscussie om half 8 in het Eben Haëzer-café was. Daar had ik graag bij willen zijn. De kamers hebben typisch Amsterdamse namen met bijpassende foto’s aan de muur.

In de kamer ligt een Aziatische jongen te slapen. Net als ik in bed lig, komt hij naast me staan en begint te praten. Is hij wakker of slaapt hij? Hij is niet te verstaan en reageert niet op mijn vragen. Veel later komen andere jongens thuis. Omringd door een wietlucht. Ze fluisteren en proberen hun bed te vinden bij het licht van hun telefoons.

Opnieuw komt de Aziatische jongen naar me toe. “Did I talk in my sleep? Sometimes I do that. Very annoying. Sorry about that.”
De gemeenschappelijke badkamer staat vol met jongens die zich scheren en hun tanden poetsen. Twee Italiaanse jongens staan onder de douche. Een Amerikaanse jongen klopt ongedurig op de deur. “Oh my dog, what are they doing in there? I am waiting here for hours.”

Het is druk in de ontbijtzaal. Bij het bestelluik staat een rij. Iedereen moet een briefje invullen met zijn naam en of hij granola, pancakes of roles wil. Het omroepen van de namen is lachwekkend. De namen worden steeds met een andere uitspraak en meer volume herhaald, omdat niemand reageert op zijn verbasterde naam. Zelfs ik hoor mijn eigen naam niet.

Ik eet mijn pannenkoekjes op aan een lange tafel. Tegenover me zit een Duitse man van in de veertig. Hij stelt iedereen vragen over hun afkomst en studie, als een gespreksleider. Als een jongen vertelt over zijn nachtelijk avontuur in een coffeeshop, reageert hij met “God bless you” en maakt hij zich uit de voeten. Een meisje bladert verveeld in een van de Bijbels die op de tafel ligt.

Het uitchecken verloopt chaotisch. Er staat een rij met mensen te wachten en de receptioniste kan het niet aan. Iemand die zijn vliegtuig moet halen vloekt. De hele rij kijkt gestoord om.

Shelter Jordan is een Christelijk hostel. In dit enige hostel in de Jordaan zijn de slaapzalen gescheiden. Er worden Bijbeldiscussies georganiseerd en het hostel is op Christelijke leest geschoeid, maar is ook voor ongelovigen. Het ontbijt is erg origineel en de prijzen betaalbaar.

Shelter Jordan Hostel, Bloemstraat 179
Vanaf 16,50

Met relaxte gasten

The Flying Pig Uptown

Buiten staat een meisje. Ze is stoned. Met moeite houdt ze de deur voor me open, terwijl ze me uitdagend aankijkt. Beneden in de kelder is de receptie. Naast de bar. Als ik wil inchecken zucht het meisje achter de desk vermoeid. “Ga maar in de bar zitten, je wordt omgeroepen. We zijn nog bezig met het inchecken van een ander. Heb even geduld,” benadrukt ze.

Meer dan een half uur zit ik te wachten. Nog steeds staat hetzelfde meisje in te checken. Er zitten drie meisjes achter de receptie. Twee staren aandachtig naar het computerscherm. Het andere meisje drinkt een biertje. Ze begint te dansen. Eindelijk krijgt de gast haar kamersleutel. Aan de bar zit een ander meisje te wachten met een grote pul bier. Ze gaat naar de receptie. Ook haar incheckprocedure neemt ruim 20 minuten in beslag. Het drinkende receptiemeisje veegt verveeld de tafels af en zet de stoelen recht. Steeds valt ze zelf bijna om.

Een meisje achter de desk kijkt me opeens fel aan. “Are you wai’ing to check in?” zegt ze in plat Brits. Is het dan eindelijk mijn beurt? “Sorry, take a sea’. It takes a while, you know,” zegt ze verveeld. Ik ga terug naar mijn plek en wacht geduldig.

Van achter uit de rookruimte komt een zoetige rooklucht. Hier liggen mensen languit. Sommigen lijken te slapen, anderen delen een sigaret. Buiten schijnt de zon en het park is naast het hotel, maar iedereen blijft binnen. In de donkere kelder met bloemen op de muur en relaxte muziek.

Eindelijk ben ik aan de beurt. Ik krijg de sleutel en het verzoek of ik op mijn etenswaren de naam en vertrekdatum wil zetten. Binnen twee minuten ben ik klaar met inchecken. Lag het misschien aan de gasten dat het zo lang duurde? Of ben ik echt een professional geworden?

Buiten hoor ik een jongen praten tegen een vriend. “Amsterdam is so funny. You walk outside, take seven steps and you are out of the city. It’s so small. If you have been to this hostel you have seen it all.”

Bij de bar sta ik te wachten. Twee mensen zijn innig met elkaar in gesprek. Ze zien er verdoofd uit. Na tien minuten hebben ze door dat ik er sta. Ik bestel een biertje en krijg twee flesjes Becks. Het is happy-hour. Ik geef een flesje aan een jongen. Hij komt uit Frankrijk. “This is an amazing hostel. Such a relaxed atmosphere. Is it not allowed to smoke outside anymore? This place is next to a park, but everybody stays in. I think it’s because of the relaxed atmosphere. No, I don’t smoke anymore. I have been living in Jamaica. There the weet was great. Here it is too strong.”

Mensen beginnen te dansen. Britse jongens maken zogenaamd foto’s van elkaar en hebben plezier. In de keuken staan mensen zelf te koken. De ene na de andere maaltijd wordt meegenomen naar de bar en opgegeten. Ik ben moe en ga naar bed.

De kamer is versierd als een Delfts blauw tegeltje. De airco staat aan, maar de ruimte is gevuld met sigarettenrook uit kleding. Ademhalen gaat moeilijk. Ook mijn rug doet pijn. Drie dronken Britse meisjes komen de kamer binnen en schreeuwen naar elkaar. Steeds ga ik op een andere manier liggen, maar de pijn maakt slapen onmogelijk.

Ik ben misselijk en durf niet op te staan, bang om over te geven. Pas in de ochtend verlaat ik voorzichtig het bovenste stapelbed. De Britse meisjes slapen nog, en hun vrienden proberen ze wakker te maken voor het ontbijt. “Get me some bread,” schreeuwt een meisje en ze valt weer in haar kussen.

Beneden is het een chaos van mensen die een bed zoeken, uit willen checken en ontbijten. De eerste mensen drinken alweer bier. Op elke sleutelkaart zit een euro borg die ook aan een goed doel kan worden geschonken. Omdat iedereen het wachten beu is, worden de sleutels massaal in de collectebus gestopt. Met mijn koffer vlucht ik het Vondelpark in om diep adem te halen.

The Flying Pig Uptown is een van de drie hostels van deze miniketen. Het recept is goedkoop bier, een rookhok en een relaxte atmospheer. Deze Flying Pig ligt aan de rand van het Vondelpark. Er is een keuken waar zelf gekookt mag worden en er is een bar die elke nacht tot 3 uur geopend is.

The Flying Pig, Vossiusstraat 46
Vanaf 32, 50

In een sportbar

Hotel The Globe

Op de gevel van het hotel hangt een groot blauw bord. Hotel Sport. Het is duidelijk waar het hier om draait: alcohol. Aan de gevel hangen oranje vlaggetjes en een voetbal als lokmiddel.

“Without your hotel card there’s no difference between you and the homeless people outside.” De Chinese jongen achter de receptie schreeuwt tegen de drie Italiaanse jongens achter mij. Een van hen heeft zijn kaart boven laten liggen en mag niet door de beveiligde toegangsdeur. De andere twee mogen wel doorlopen. Als een bestrafte schooljongen blijft hij staan.

De receptionist wendt zich tot mij: “Hello, my friend. I am sorry. They never listen. I have to be really strict. Here’s your key. 10 Euro deposit, please.” Hij glimlacht vriendelijk. Dan betrekt zijn gezicht en spreekt hij op dezelfde strenge toon: “Listen carefully. This is very important.” Hij wijst op het geplastificeerde reglement op de receptie. “This is Amsterdam, so trust nobody. Never leave alone your things. Never. We don’t take any responsibility if you lose something.” Dan komt zijn vriendelijke kant weer naar terug. “Tonight we are going to watch the game on the screen here and in the smoking area. Enjoy your stay, my friend.” Een glimlach op zijn gezicht. “Oh, and never forget your hotel card. Otherwise we cannot let you in. This is very important.”

Een jongen probeert naar binnen te gaan. De receptionist schreeuwt door het glas: “Show me your card.” De jongen gebaart dat deze boven ligt en laat de kamersleutel zien. De receptionist twijfelt en laat de jongen doorlopen.

Overdreven laat ik de hotelkaart zien. De receptionist lacht en opent de deur van de hal die tevens dienst doet als bagageruimte.

Op weg naar boven kom ik een Amerikaanse jongen tegen. “This is a strange hotel. Don’t you think?” Ik vertel hem dat ik wel vreemdere hotels heb gezien. “There are penisses everywhere.” Hij neemt me mee. In de hotelkamer zijn de hoge muren beschilderd met het mannelijk geslachtsorgaan in alle soorten en maten. Op de muur staat de handgeschreven tekst:
Watch out.You are on www.hostel-voyeur.com/globe
The prices are sky-high in this city. I travel together with a friend and he is still looking for a place to stay.”

Op de deur hangt een bordje: If you lose anything, the only person to blame is you. Mijn bed is niet opgemaakt. Op het opgekrulde laken ligt een verfrommelde tissue. Naar beneden. “Sorry, my friend, we will take care of this.”

De receptie loopt over in de bar. Het is een groot bruin café met verschillende televisieschermen en een afgescheiden rookruimte. Er hangt een bordje: Save water, drink beer. Dit hotel is milieubewust. Buiten op het terras zitten jonge mensen te roken. De harde muziek stopt. De voetbalwedstrijd begint. De mensen gaan naar binnen, rond de televisie zitten. Vanavond speelt Nederland. Buiten het hotel is het druk. Iedereen is gekleed in oranje. Lawaai. Voor de gasten in het hotel is het niet een andere wedstrijd dan de andere wedstrijden. Binnen is het geen Nederland.

Als ik naar boven loop klopt de receptionist op het glas. Hij gebaart dat mijn bed is opgemaakt. Mijn telefoon is leeg. Nergens in de kamer is een stopcontact. Ik laad hem op in de badkamer. Buiten wordt er gefeest. In het hotel is het rustig.

Om acht uur sta ik op. De warme douche in de gemeenschappelijke badkamer wordt al na een paar seconden koud. Met mijn handdoek om loop in naar een andere badkamer waar de douche wel warm water heeft. Ik kom de Amerikaanse student tegen, die ook in een omgeslagen handdoek loopt. “This is a strange hotel.”

Geen muziek, geen licht. De voordeur is afgeplakt. Geen ontbijt. Iedereen slaapt nog. Ik ruil de sleutel voor tien euro en ga naar Schiphol. “Also give me your hotel card. This is very important.”

Hotel The Globe is een budgethotel tussen het Centraal Station en de Wallen. Sportwedstrijden zijn hier op verschillende televisieschermen te volgen. Ook is er een grote bar en een restaurant. Er zijn kamers voor twee tot acht personen en slaapzalen.

Hotel The Globe,Oudezijds Voorburgwal 3
Vanaf 65 euro voor een kamer

Met leuke mensen

Hostel Aroza

Het is laat. De eigenaar van het hotel staat op straat. “Je slaapt wel met vijf anderen op de kamer. Vind je dat erg?”
“Niet als het leuke mensen zijn,” antwoord ik. Hij denkt even na en zegt: “Ja, het zijn leuke mensen.” Het is kamer 301. Op een lijst vul ik mijn naam, beroep en paspoortnummer in. Ik lees dat er een professor uit Slovenië op mijn kamer slaapt. En een student. Dat moeten leuke mensen zijn

“Als je spullen wilt achterlaten, papieren en zo, dan kan dat achter de bar. Hier zijn ze verzekerd.”
“Geen sleutel?” vraag ik verbaasd. “Nee, er is geen sleutel. De deur is open.”

Helemaal bovenin het oude gebouw is de kamer. De deur staat open. Er staan drie verschillende eenpersoonsbedden en er liggen drie losse matrassen op de grond. Verschillende kleuren dekens en de alle muren zijn gevuld met schilderingen van paddenstoelen. Een bont geheel. Midden in de kamer ligt een forse man met trainingsbroek en ontbloot lichaam. Het zweet loopt over zijn hoofd. Hij snurkt en het vet van zijn buik en het bed bewegen in tegengestelde richtingen. Daarnaast ligt een jonge jongen te slapen, met kleding en schoenen aan. Ik neem het bed dat het minst beslapen lijkt. Er ligt geen handdoek op de kamer. Een bed is omringd met boeken. Op een ander bed liggen pakjes met oplosnoodles.

Een man komt binnen en gaat op het achterste bed liggen. Binnen een minuut overstemt hij de man in het midden. Een concert voor tuba’s. De jongen wordt wakker en gaat blowen in het open raam. Als hij weer ligt komt er een Spanjaard binnen met zonnebril. Hij kleedt zich uit en spuit een fles deodorant leeg over zijn lichaam en zijn bed. De kunstmatige geur mengt zich met het dominante mannenzweet en de zoete wietlucht.

Opeens is het stil. Het diepe geronk is gestopt, de zwetende man is wakker. Hij steekt een joint op, midden in de kamer. Hij neemt niet de moeite om naar het raam te lopen. Net als ik eindelijk inslaap begint het gesnurk weer. Ik zet het vioolconcert van Beethoven op en steek de iPhone in mijn boxershort. Als hij gestolen wordt, dan voel ik dat misschien. Mijn laptoptas gebruik ik als hoofdkussen. Voor het eerst voel ik me niet veilig. Beland in een andere wereld.

Kort val ik in slaap. Het is een komen en gaan van vreemde mensen in de kamer. Alle bedden zijn inmiddels bezet. Een oude man vraagt of ik wil opschuiven en schurkt met zijn klamme pels tegen me aan. Gelukkig blijkt het een droom. Ik schrik wakker. Een hippie-achtige man komt de kamer binnen en staat een uur onder de douche. Misschien is hij dood. Een overdosis? Als hij klaar is, gaat hij op bed liggen. Met een joint in zijn mond valt hij in slaap. De rookmelder heeft minder last van de rook dan ik, want die is afgeplakt. Met mijn telefoon schijn ik op de plattegrond. De ontsnappingsroute is via de tweede en eerste verdieping. De overlevingskans in geval van brand zijn nihil, met het nauwe trapgat. Ik leg me erbij neer en leg mijn lot in de handen van een niet-bestaande god.

De zwetende man maakt zijn haar nat in de badkamer en voorziet zijn oksels van deodorant. Zijn lange haar schudt hij als een hond uit boven de slapende jongen. Het is zijn zoon. Hij schrikt wakker. De vader haalt wiet en broodpakketjes uit zijn rugzak en vindt een kleine handdoek om zijn haar af te drogen. Tegen zijn zoon zegt hij: “Let’s go downstairs. Als deze een sigaret heeft gerold, gaan ze op straat zitten. De Spanjaard en de hippie groeten me hartelijk. De badkamer is betegeld als een Spaanse hoeve, maar het sanitair is behaard. Het douchegordijn wordt met een roestige ketting omhoog gehouden. Ik besluit dat ik beter in het volgende hotel kan douchen.

Beneden is er geen ontbijt, maar er staat een koffiemachine. “Mag ik een koffie?” “Pardon? No, coffee is for guests only,” zegt de jonge receptionist. Op een bordje staat dat tot 9 uur ontbijt wordt geserveerd, maar het ziet er niet naar uit dat er hier ooit iemand zo vroeg is opgestaan. Ik leg uit dat ik een gast ben. Hij kijkt op de lijst. “Two Euro’s please.” Hij brengt de koffie naar mijn tafeltje in de met vloerbedekking beklede zitboxen. Er klinkt opzwepende loungemuziek. De hippie komt naar beneden. “Bonjour Thomas.” De Spanjaard komt binnen. “Goodmorning Thomas.” De jonge Franse receptionist groet vrolijk terug. Twee vale katten lopen stoned door de ruimte. “Thomas kaputt. Thomas kaputt,” gilt de Aziatische eigenaar vrolijk. Hij geeft hem een kopje thee met citroen. “Thomas is ziek,” legt hij uit. Hij heeft vannacht niet geslapen.”

Vader en zoon staan te poolen. Ze hebben het leuk samen. Er komt een net uitziende Franse vrouw binnen. Ze vraagt of er nog een kamer is voor vanavond. “Nee, geen kamer, nog wel een bed. Wel op een kamer met vijf andere mensen. Vind u dat erg?” De eigenaar knikt vanuit een hoek om aan te geven dat het bed gereed is. Mijn bed. Ze zet haar bagage op de kamer en verlaat het hotel. Even later komt ze terug. “Sorry, ik slaap vanavond toch in een ander hotel. Bedankt.” Ze haalt haar koffer en verlaat opgelucht het pand.

Hostel Aroza is een oud en rommelig budgethotel op een minuut loopafstand van het Centraal Station. Er is een pool-biljard en een woonkamerachtige receptie met frisdrank en chips. Hier mag niet gerookt, maar wel geblowd worden.

Hostel Aroza, Nieuwendijk 23
30 euro per bed

Naast een hotel

AWA Amsterdam Youth Hostel Inn

Veel te laat kom ik terug uit Den Haag. Een taxi zet me af bij een hotel aan de rand van het Oosterpark. Het is donker binnen en er wordt niet gereageerd op de deurbel. Wat moet ik doen? In het park slapen? Het is twee uur ’s nachts. Direct naast het hotel moet een hostel zitten, volgens internet. En inderdaad: de deurbel bevestigt dit. Zal ik aanbellen? Straks maak ik iedereen wakker. Ik duw tegen de deur en deze is open. Gastvrijheid begint met een open deur.

Opeens sta ik in een kaal herenhuis. Is dit wel een hostel? Er is geen receptie. Ik open een deur en zie een kamer met een leeg bed. God bestaat wel! Hij heeft een bed voor me klaargezet. Dan zie ik in de donkere ruimte een tweepersoonsbed staan. Hierin liggen mensen opgerold in dekens. Is het raar dat ik toch in het andere bed ga liggen of schrikken ze zich morgenochtend dood?

Ik sluit voorzichtig de deur en zie verderop in de gang een trap naar boven, die is afgesloten met een wit hekwerk. Achter een andere deur gromt een hond. Als ik het hek open, blaft hij. Bang geworden loop ik naar de voordeur. Wegwezen. Dan komt er een jongen van boven, net wakker geworden. “Hoe kom jij binnen? Stond de deur gewoon open? Ik dacht al iets te horen.” Hij spreekt met Oost-Nederlands accent. Of is dit het dialect van deze wijk?

“Ik heb een kamer voor je. Loop maar mee naar boven.” Hij opent het hek en loopt twee verdiepingen naar boven. Hij opent de deur en doet het licht aan. Een van de handdoeken op het bed haalt hij weg. Er staan een groot bed in de kamer, enkele kasten en planken en een plastic witte douche in de hoek naast het bed, met een verkleurde badmat.

“Hier is de sleutel en hier is de sleutel van de voordeur. Hij legt ze op een van de lege houten planken. Ik geef je mijn telefoonnummer, mocht er wat zijn. Maar niet voor 12 uur bellen, hoor. Dan slaap ik nog. Als je naar buiten gaat, dan kun je je kamer op slot doen. Graag om 2 uur uitchecken. Hier is de douche. Ik zal de douchekop wat hoger stellen, want anders pas je er niet onder. Zo wordt hij warmer, en zo kouder.”

Hij beweegt ongemakkelijk door de kamer. “Deze televisie lijkt heel mooi, maar hij doet het niet. Heb je nog vragen?
Oh, wat slordig. Er is niet goed schoongemaakt.” De eigenaar haalt een leeg blikje van het televisiekastje en loopt weer de kamer in. “Dit had ik even moeten controleren.” Hij pakt een fles douchegel van de supermarkt. “Hier zit nog net genoeg gel in voor een douchebeurt.

Om de deur op slot te doen, moet je even links op het slot drukken. Je kunt je bagage op de kamer laten staan.” Ik vraag hem hoeveel kamers hij heeft. Hij loopt naar de gang en telt. “Vier.”

De sleutel klemt, dus ik leg hem terug en doe de deur niet op slot. Het bed ruikt naar fris wasmiddel. Ik verleid mezelf.

De volgende ochtend hoor ik andere gasten op de gang. Opeens gaat mijn kamerdeur open. Iemand staart naar binnen. “Hallo,” zeg ik, maar er komt geen reactie. Een schim staart me aan. Een halve minuut later gaat de deur weer dicht. Opstaan en douchen. Ook de handdoek ruikt naar wasmiddel.

Als ik de deur op slot wil doen, zijn de twee sleutels weg. Is er iemand in mijn kamer geweest? Dit is een vreemd hotel. Ik wil weg, trek een pak aan voor een belangrijke afspraak aan de andere kant van het park en vlucht met mijn bagage. De gang ruikt naar natte hond. Op de deur hangt een opvallend geel bordje Close the door.

AWA is een kleine youth hostel, direct aan het Oosterpark. Er zijn vier kamers. Het gebouw is matig onderhouden, er is geen receptie, maar de kamers zijn schoon en de eigenaar is erg flexibel.

AWA Amsterdam Youth Hostel Inn
Vanaf 30 euro