Hotel Het Geuldal
Met de taxi vanaf Schiphol naar het Amsterdamse Bos. Het laatste stuk loop ik naar het openluchttheater. “Ben je eruit getrapt, gozer?” vraagt een man met Amsterdams accent. Hij wijst naar mijn koffer. Dit is niet een logische plek om met een koffer rond te lopen. Op het podium is een hotel nagebouwd. Gestapelde containers met open kamers, een bar. Een groot bord met vier sterren en HOTEL.
“Waar is de receptie?” vraag ik aan een vrouw. “Daar, op het podium.” Ze lacht. “Nee, ik loop wel even met je mee, dan stel ik je voor aan het gezelschap, de artistiek directeur, de gastregisseur, etc. Wil je misschien wat drinken?” De productieleider komt op me af. “Moeten we je entertainen, of vermaak je jezelf?” zegt ze lachend.
Een sleutel met een overdreven grote hanger eraan. Kamer 201. Via een met steigerpijpen gemaakte trap aan de achterkant van het decor loop ik naar boven. In het midden van het decor hangen twee keten. De hotelkamers. Ik open de deur van mijn kamer. Een halletje met een kast en vervolgens twee deuren: een douche met twee kleurige badjassen en een toilet. De rest van de ruimte wordt gevuld door een bed met een bloemetjesdekbed dat niet past bij de gordijnen. Op het nachtkastje liggen een Koran en een boekje met Amsterdamse wijsheden. Een foto van de acteurs. Wij waken over u. Op het aanrecht staan kopjes en een schaaltje theezakjes en oploskoffie. Aan de spijlen van het bed hangt een knuffelkonijn. Dit is een goed uitgevoerde parodie op een kamer van een ouderwets hotel. Door het raam zie ik dat de tribune volstroomt.
Op het podium staan gedekte tafels. Ik zet mijn laptop neer en ga schrijven. “Eet je vanavond mee? Voor de voorstelling is hier een echt restaurant. Wil je een glaasje wijn?” Een meisje zet vriendelijk een schaal met verschillende kazen en vleessoorten neer.
De directeur van het gezelschap drinkt een glas wijn aan mijn tafel. “Eigenlijk mogen wij geen hotel zijn. Je bent ook geen gast, maar je bent edelfigurant. Je zou zelfs tijdens de voorstelling naar je kamer mogen. Als je je maar niet bemoeit met de tekst.”
Als ik mijn laptop naar mijn kamer breng, kom ik op de trap een hoofdrolspeelster tegen. Geschminkt en aangekleed. Ze zit al in haar rol. “Oh, u bent de schrijver die hier vanavond slaapt?”
De voorstelling begint. Een schrijver checkt in en wordt uitgescholden door de eigenaar van het hotel. “Als je schrijver bent, dan moet je je ook zo gedragen. Je moet opnieuw binnenkomen,” foetert de hotelbaas.
Even later zitten in alle kamers mannen achter een typmachine. Tegelijk werken ze aan hetzelfde verhaal. Being John Malkovitch. Zo zat ik net ook. Kijk ik nu naar mezelf?
“U weet toch wel wat fictie is en wat realiteit? U ben schrijver, verdomme!” De hotelmanager schreeuwt tegen de gast. Het stuk zet mij aan het denken. Als ik de realiteit beschrijf, dan is dat mijn eigen realiteit. Is dat geen fictie? Is het leven in een hotel een andere realiteit?
Een vliegtuig komt laag over. Muggen vliegen over het publiek. Eentje landt op het kapsel van de vrouw voor mij en bekijkt de voorstelling.
De schrijver zet betekenisloze letters op papier. Stapels vol. “U kunt ons toch niet verwijten dat u geen inspiratie hebt,” schreeuwt de hotelmanager met hoge stem.
“U heeft een boek geschreven over ons hotel, maar u zet ons neer als tirannen. U maakt een karikatuur van dit hotel. Oh, u bent moe? Nou, dat is precies waar wij op inspelen, wij zijn een hotel.” De acteurs staan overal over het podium Overal gebeurt wat. Zal ik naar mijn kamer lopen en de rest van de voorstelling uit het raam volgen?
De acteurs zetten een hotel neer. Is dat niet dubbelop? In alle hotels wordt theater gespeeld. Iedere medewerker heeft een rol. Zelfs ik heb een rol. Een dubbelrol. Als gast en als schrijver.
Applaus. Het stuk is afgelopen. De bar gaat open. Er wordt gedronken en gedanst. “Ben jij die schrijver die in al die hotels slaapt? Slaap je echt hier? Op het podium?” Acteurs en gasten lopen door elkaar heen. De ontlading zorgt voor een feestsfeer. Drie keer stelt iemand van de theatergroep de vraag: “Hoe laat wil je morgen ontbijten?”
Het is vier uur als ik naar mijn kamer ga. Het is stil in het bos. Uitslapen. Geen vroege check-out. Toneelspelers slapen lang uit. Vogelgeluiden. Vliegtuigen. Als ik heb gedoucht, hoor ik stemmen. Op de tribune krijgen kinderen toneelles. Als ik het gordijn open doe, hoor ik gelach. Ze kijken naar mij in mijn handdoek en zwaaien.
Op het podium ga ik zitten schrijven. “Hier is een kopje koffie en een ontbijtje. Er wordt nu een eitje voor je geknutseld.” Jus d’orange, een schaaltje brood, kaas, ham, jam. Als ik de sleutel teruggeef zegt de productievrouw: “Leuk dat je onze eerste gast was. Mocht je geen hotel hebben, dan staat er hier altijd een bedje voor je.”
In het bos zegt een vrouw tegen haar vriendin. “Kijk, dat zal wel een bioloog zijn.” Ze wijst op de koffer. Ik knik vriendelijk.
Hotel het Geuldal is een tijdelijk hotel met twee kamers en is onderdeel van het toneelstuk Don Q. (At your service) van het Amsterdamse Bostheater. In het kluchtige stuk vecht een hotelier tegen de windmolens: de managers van het hotel. Het hotel kan geboekt worden door bezoekers van de voorstelling, die ook kunnen eten in het restaurant dat eveneens onderdeel is van het toneelstuk. Het Amsterdamse Bostheater brengt elk jaar een andere voorstelling in de maanden juni, juli en augustus.
Hotel het Geuldal, Amsterdamse Bostheater, De Duizendmeterweg 7
Vanaf 75 euro (minimale vrijwillige bijdrage)