Het is druk in de Jordaan. Buiten staan mensen te roken en te praten. De cafés zijn vol. Van afstand vallen de lichtletters HOTEL op. Zoveel hotels zijn hier niet. Het gebouw lijkt op Iron Building in New York, maar dan in miniatuurvorm. Door de ramen zie ik het interieur. Dit moet een intiem familiehotel zijn dat wordt gerund door een stokoude Jordanese vrouw. Nooit heeft ze afscheid kunnen nemen van het ouderwetse behang boven de lambrisering, de olielampjes met drie kettingen aan het plafond, de eikenhouten tafels en stoelen. De bloem in gouden krullijstjes. Hier moeten de hele dag smartlappen klinken.
De intercom op de voordeur zoemt. Geen krakerige stem die informeert wie ik ben. De deur gaat wel open. Achter de receptie zit een Chinese jongen. Is hij gelukkig? Is dit de baan waar hij altijd van heeft gedroomd, of werkt hij dag en nacht om geld te verdienen? Hij vertelt monotoon dat hij tot tien uur aanwezig is. Daarna is het hotel gesloten. Vier keer achter elkaar gaat de telefoon. “No, on Queensday we are full. No, tonight we are full. No I can’t help you.” Ingetogen geeft hij me de sleutel.
Een lange trap naar de tweede verdieping. Een merkwaardige geur. Oud wasmiddel. Op de kamer hangt een plattegrond. Een driehoek, met per verdieping twee kamers. Deze is gelukkig simpel. Sinds ik weet dat er in bijna alle hotels wordt gerookt en geblowd en rookmelders onschadelijk worden gemaakt, bekijk ik steeds nauwkeuriger de plattegrond en de vluchtroutes. Waarom wordt in elk vliegtuig de moeite genomen om uit te leggen waar de nooduitgangen zijn, terwijl elke kist dezelfde basisvorm heeft? Elk hotel is anders en zeker in Amsterdam zijn de hotels doolhoven. Waarom gaat er nooit iemand mee naar mijn kamer om me te laten zien wat ik moet doen in geval van brand? Niemand die me wijst op de verschillende vluchtroutes.
Na een lange nacht verlang ik naar een douche. De badkamer is een kleine ruimte waarvan het behang van de muren naadloos overloopt in de vloer. Ook de douchecabine is bekleed met een soort linoleum. Het ziet eruit als een oude ordnermap, bruin gemarmerd. Met mijn vingers ga ik langs het materiaal, op zoek naar de naad, maar die is er niet. Mijn lichaam past maar net in de douche. Het ouderwetse hotelzeepje valt, maar ik kan niet eens bukken om het op te rapen. De handdoeken hebben dezelfde geur als de trap.
Beneden zit de Chinese jongen weer achter de receptie. Een trieste blik. Een tafeltje in de Jordanese huiskamer. Er staan suikerstrooiers met hagelslag en muisjes. “Wilt u brood en een gekookt eitje?” “Heb je misschien iets van yoghurt, ik kan namelijk niets eten dat hoger is dan een centimeter.” “Nee, sorry. Alleen melk. En koffie.” Hij komt terug met een dienblaadje met een metalen kannetje koffie en sinaasappelsap.
De tafeltjes om me heen staan vol met lege bordjes, kannetjes en kopjes. Moet ik de arme jongen helpen? Hij is helemaal alleen. Nog steeds hoop ik dat de Jordanese vrouw opeens thuiskomt en de buurjongen bedankt voor het passen op haar heiligdommen. Dat ze een oude plaat opzet van Johnny Jordaan en me verwent met warme pap. Nee, dit museum is overgenomen. Het lichaam bestaat nog steeds, maar de ziel is eruit.
In de huiskamer zit ik urenlang te werken. De ontbijtbordjes staan er nog steeds. Zal ik vragen om nog een kop koffie? Nee, misschien is het beter om weg te gaan. Terug naar de andere wereld. Met een leeg gevoel verlaat ik het hotel.
Hotel Acacia is een klassiek hotel in de Jordaan. De kamers zijn betaalbaar, verzorgd en schoon, en het hotel is sinds jaren niet vernieuwd.Hotel Acacia, Lindengracht 251
Vanaf 60 euro

