In de romantiek

Hotel Agora

Het hotel ligt op de hoek van de Singel en de Leidsestraat. Achter de receptie zit een meisje. “Ja, het is rustig vanavond. Als er veel check-ins zijn, dan is het wel leuk. Nu verveel ik me een beetje. Al mijn vriendinnen zijn gaan studeren, maar ik weet niet wat ik wil. Nu zit ik hier maar. Het is wel leuk, hoor, maar het is niet mijn droombaan. Er gebeurt zo weinig, maar er moet iemand zitten. Ze vraagt wat ik doe.
“Ik schrijf over hotels,” biecht ik op.

Ze veert op. “Zal ik wat over het hotel vertellen? Hier komen met name toeristen. Italianen, Spanjaarden. We zitten natuurlijk midden in het centrum. Dat is ons grote voordeel. Ik loop even mee naar de hotelkamer.” Als een gids gaat ze me voor, de trap op. Dan blijft ze plotseling staan en kijkt verschrikt om. “Oh, wat erg. Ik heb een spijkerbroek aan. Dat mag ik niet van mijn baas, ik moet altijd een nette broek aan, maar al mijn nette kleren zitten in de was. Niet schrijven dat ik een spijkerbroek draag, hoor.” Ik beloof plechtig dat ik er niet over zal schrijven.

De kasten in de gang staan open. De stapel lakens valt er bijna uit. De nooddeur naar buiten staat open en is niet hoger dan een meter.

“Het is een echt oud hotel. Toeristen vinden dan wel charmant, hoor, maar het is natuurlijk allemaal vreselijk oud. We hebben geen lift en uw kamer is helemaal boven. Je hebt wel een badkamer, maar die is wel apart. Oh, ik zei ‘je’ en geen ‘u’. Je, u, u, je. Dat komt omdat ik normaal Engels spreek, dan is dat hetzelfde. Je, u, je hebt wat we noemen de romantische kamer.” Ze zwaait de deur open als een makelaar.

“Het is de kleinste kamer van het hotel, maar hij is wel gezellig.” De kamer is niet eens zo klein. Er staat een ouderwetse fauteuil met bloemetjesmotief naast een tweepersoonsbed met een ander bloemetjesmotief. Zelfs de kofferstandaard is gemaakt van bloemetjesstof. Deze moet antiek zijn. Een lage kast staat onder het schuine dak. De televisie staat op een plateau dat voor het bed geschoven kan worden. “En hier is de badkamer,” vervolgt ze haar rondleiding. Onder het schuine dak staat een laag bad van een halve meter breed.  Ik kan mijn lach niet onderdrukken. “Hier wordt hij breder, hoor. Nou, hier is de sleutel, als er wat is, dan weet je me te vinden. U. Het ontbijt is morgenochtend tot 11 uur.”

Onder het bloemensprei ligt een ouderwetse deken. Dat er nog zoveel hotels zijn met dit soort dekens. Tot begin van het jaar bestond de wereld uit dekbedden en dacht ik dat de deken uitgestorven was. Ik schuif de televisie voor het bed.

Aan de overkant van de gang neem ik een douche in het kabouterbad, voordat ik naar beneden ga. De ontbijtzaal heeft uitzicht op de binnentuin. In een kar van krullerig staalwerk in de serre staat een ontbijtbuffet uitgestald. De jongen van de receptie haalt zwijgend de bordjes af.

“How are you, I remember you from last year,” zegt een Amerikaanse man, terwijl hij zijn neus ophaalt.
“I remember you too,” zegt de receptiejongen zonder enige emotie en loopt naar de keuken. Hij lijkt niet in voor een diepgaand gesprek, dus ik laat hem met rust.

Bij de entree staan vier ouderwetse leunstoelen. Twee Amerikaanse echtparen zitten tegenover elkaar. Een vrouw zegt: “Ja, hij vertelde net een leuke anekdote over de grachten.” Ze wijst naar de receptiejongen.” Dat die eerst bestonden en dat vanuit daar met zand de straten werden aangelegd. Of, nee, wacht, eerste werden de straten aangelegd en vanuit daar werden de grachten gegraven. Nouja, dat maakt ook niet uit. Zo leuk, bij het Renaissance Hotel vertelden ze niet hoe de grachten werden aangelegd. Geef mij maar dit hotel.”
“Ja, volgens mij ging het over de bruggen,” zegt haar echtgenoot. Eerst werden de bruggen aangelegd en daarna de grachten. Of andersom, misschien werden eerste de grachten aangelegd en daarna de bruggen. Een aardige jongen, inderdaad.”

De andere vrouw houdt een Amsterdams toeristenboekje omhoog met een advertentie van een seksclub. “Als onze kleinkinderen ons hier zouden zien. Hoe leggen we dit uit?” Haar man pakt een folder van een parenclub uit zijn tas. “I think this one is better,” waarop de vrouw rood kleurt en over het weer begint.

Hotel Agora is een oud toeristenhotel met twee sterren in het centrum van Amsterdam in een oud pand uit 1735. Het is een budgethotel dat erg ouderwets, maar wel schoon is. Sommige kamers hebben uitzicht op de Singel en sommige op de binnenplaats. Er is een tuin die wordt gedeeld met het café-restaurant aan de andere kant van het blok. Het hotel is van dezelfde eigenaar als Hotel Patou.

Hotel Agora, Singel 462
Vanaf 65 euro

Achter een façade

Hotel Blyss

Aan de gevel hangt een stijlvol zwart markies met het logo van het hotel. Er wordt niet open gedaan. Pas als een Russisch echtpaar naar buiten komt, kan ik naar binnen glippen. Er zit niemand achter de receptie, dus ik leid mezelf rond.

De lobby ziet er stijlvol uit; dit is duidelijk een boutiquehotel. Een behangmotief, de zwarte receptie op een lichte houten vloer, fauteuils bij de open haard, een bar met een modern koffieautomaat. Eindelijk weer luxe en comfort. Dan komt een meisje van achter aangelopen.

“Oh, u slaapt elke nacht in een ander hotel.” Ze lacht charmant. “Dit is mijn laatste avond hier, ik ga nu naar een ander hotel dat me een beter aanbod heeft gedaan. Ik heb hier veel geleerd dat ik hen kan geven. Maar leuk dat ik u vandaag nog hier mag ontvangen. U slaapt in kamer 302. Met de lift naar de tweede en dan twee trappen op naar uw kamer. Would you like to use the internet? Hier is een gratis code.” Ze geeft een minuscuul briefje.

Lampjes verlichten de treden van de donker gestoffeerde trap. Dit is een bijzonder hotel.

De deur naar de kamer is niet afgesloten. De zolderkamer heeft een klein raam met uitzicht op een betonmuur die een halve meter van het raam verwijderd is. Snel het gordijn dicht, dan lijkt het minder benauwend. Alleen het behang op de muur achter het bed en de zilveren lamp doen herinneren aan het stijlvolle interieur beneden, de rest van het interieur is ouderwets. De zijkant van het bed is weg gevreten. Aan de muur hangt een bordje met de veiligheidsvoorschriften met Welcome to Hotel Groenhof erboven. De deur van de kamer valt niet in het slot, dus ik neem voor de zekerheid mijn spullen mee naar buiten als ik ga eten.

Muggen zingen rond mijn hoofd en steken me op verrassende plekken. Veel nachtrust krijg ik niet. Als ik onder de douche sta, blijkt er geen shampoo uit de dispenser te komen. Na alle basic-hotels en lekkages in mijn toilettas heb ik geen zeep meer bij me. De douche is soms heet en soms koud. Een goed begin van de dag.

Snel naar beneden, want het ontbijt is maar tot half tien. De ontbijtzaal ziet er modern uit. Een boterham met kaas. Ook het brood is oud. “Can I have your room number?” vraagt een Aziatische jongen voorzichtig. Russische vrouwen met doorrookte stemmen voeren diepgaande gesprekken.

Op bed ga ik liggen mailen. De deur zwaait open. Twee mannen kijken de kamer in. “Sorry.” De deur gaat weer dicht.

De receptionist neemt de sleutelkaart in ontvangst. “Er staat nog een tientje open van het ontbijt dat je hebt gebruikt. Dat was niet inbegrepen. Klopt het dat je hier in totaal vier keer hebt ontbeten? U bent toch Vincent van Dijk, kamer 302?” Ik antwoord lachend dat ik overal maar een nacht slaap en normaal maar een keer per dag ontbijt.

“Why are you checking out? You don’t like Amsterdam?” vraagt de receptionist aan een Spaanse familie. Hij lacht geacteerd. Dan draait hij zich om naar mij: “We like a personal touch.”

“Sinds twee jaar heet het Blyss, daarvoor was het Hotel Groenhof. De eigenaar heeft het nu zeven jaar, maar het hotel bestaat al sinds de oorlog. Sommige kamers zijn niet verbouwd en er hangen door het hele hotel nog herinneringen aan vroeger, zoals een bordje NO DRUGS van 20 jaar geleden en de bordjes met Hotel Groenhof erop. Voor als de oude eigenaars terugkomen. Dan herkennen ze iets van het oude hotel.”

“Het is moeilijk om geld te verdienen met een boutiquehotel als je niet ook een aantal goedkopere kamers hebt. Voor studenten of mensen die weinig geld hebben, want mensen willen niet teveel geld uitgeven en het hotel moet toch gevuld worden. Sommige kamers zijn wel een beetje opgeknapt en we hebben een suite die helemaal is gerenoveerd. Next time you have to ask for a deluxe room.” Hij wenkt dat ik mee moet komen naar de hal. “Er zijn ook veel kamers die nog oud zijn, like yours.” Hij wacht even.

Opeens kijkt hij me diep aan. “Sorry, our manager doesn’t like travel journalists. Hij vindt dat die niet anders behandeld moeten worden dan andere gasten.” Hij laat me twee andere kamers zien die wel uitzicht hebben.

Ik vertel dat er twee mannen de kamer binnen kwamen zonder te kloppen. “Oh, dat is de big boss met de technische man. Kwamen die echt binnen zonder te kloppen? Daar zal ik hem op aanspreken, want dat kan niet. Veel succes in je volgende hotel.”

Hotel Blyss omschrijft zichzelf als een boutiquehotel, waarbij met name de buitenkant en de entree zeer stijlvol zijn gedecoreerd. Dit blijkt een façade. Slechts een enkele kamer is ingericht in dezelfde stijl, de meeste kamers zijn ouderwets en niet allemaal even goed onderhouden. Het ontbijt is basic. Het hotel heeft een tuin, een sfeervolle lobby en gratis internet.

Hotel Blyss, Vondelstraat 74-78
Vanaf 65 euro (ontbijt: 10 euro)

Als een zwerver

Hotel Schröder

In de Haarlemmerstraat zit een zwerver op het trapje van een portiek. Hij groet vrolijk en proost met zijn blikje bier.

Naast de deur van het hotel hangt een bordje met één ster. Bovenaan de lange trap staat de receptionist blauwe handdoeken te vouwen.
“Goedenavond. Ik heb een vierpersoonskamer voor u,”  zegt hij met een onbekend accent.
“Wat leuk, dan kan ik vrienden uitnodigen.”
“Nee, de kamer is alleen voor u,” spreekt hij streng. “Wilt u een handdoek?”
Hij pakt een witte uit de kast. Hij ziet me kijken naar het kaarsvet dat op de handdoek zit. “Wacht, u krijgt een andere. Sorry.” Op de receptie staat een aantal flessen frisdrank met prijzen erbij. Sommige zijn verkleurd. KITKAT, TWIX, SNIKERS.
“Kan ik verder nog iets voor u doen?” vraagt de receptionist. “De kamer is boven, de douche is er tegenover.”

Op de bruine minibar zit een sticker van hotel Mercure. Twee stalen stapelbedden op een bruine tegelvloer. De poten zijn kromgetrokken. Op de bedden liggen alleen dekens, geen lakens. Ik haal een laken van een ander bed, maak het bed op en ga liggen. Voor het eerst in dit jaar vraag ik me af waar het woord ‘hotel’ vandaan komt. Al die maanden heb ik het vanzelfsprekend gevonden dat ik elke avond een gebouw binnenga waar het bord ‘hotel’ op de gevel hangt. Hotel. Het is vreemd dat er op een hotelgevel ‘hotel’ staat en op een huis geen ‘huis’.

De kussens hebben allemaal verschillende slopen. Op eentje staat WELTERUSTEN. Voor de open kast hangt een blauwe doek uit het Midden-Oosten. Ik sta op en zet de laptop op het bureau. Zoals elke avond ga ik achter mijn laptop zitten en denk ik aan de nacht ervoor. Maar de kamer en het licht zijn te koud om te kunnen schrijven. Ik pak mijn Dell en ga op weg naar een kroeg in de buurt.
“Is alles naar wens?” vraagt de receptionist. “Jahoor,” antwoord ik. “Als er wat is wat we voor u kunnen doen, dan horen we het wel, toch?” Ik knik lachend en ga naar beneden.

“U hoeft nog niet weg, hoor,” zegt het meisje als het hele café al leeg is en zij de tafels schoonmaakt, maar ik wil naar huis. Mijn huis waar ‘hotel’ op de gevel staat.

Automatisch word ik wakker voor het ontbijt, maar er is geen ontbijt. Ik kan uitslapen. Schimmen bewegen langs het glazen vierkant in de kamerdeur. Ze komen voor de douche. Elke tien minuten een nieuwe schim. Soms rammelt een schim aan de deur van de douche en loopt mopperend verder. Twee uren gaan voorbij. Uit de kamer naast mij komen kreunende geluiden van een vrouw. Hoorbaar komt ze klaar. Ik geniet van mijn te harde bed.

Het haar van de man in de spiegel is te lang en hij moet zich al dagenlang scheren. Iets nieuws aantrekken. Waarom verwaarloost hij zichzelf? Omdat hij geen vaste thuisbasis meer heeft?  Door de gedeelde badkamers in de vorige hotels? Door zijn volle agenda?
“Je begint er ook uit te zien als een zwerver,” zei een collega die dag tegen me. “Je moet je wel verzorgen. Je hebt een baard.” Ik pak mijn scheermes en scheer me, knip mijn nagels. Met doucheschuim uit een luxe hotel ga ik naar de douche op het moment dat iemand naar buiten gaat. Aan beide kanten van de gang staan twee jonge jongens in boxershort die net te laat zijn. Ze groeten. De douchekop spuit de haren van de vloer. Dan spoel ik mezelf schoon. De handdoek ruikt als een scheikundig laboratorium.

Beneden de hal staat een man. “Key,” zegt hij en hij pakt de sleutel uit mijn hand. De man achter de receptie vraagt: “En, was het goed?” Hij kijkt vragend alsof hij een klachtenregen verwacht. “Ja, het was geweldig,” zeg ik oprecht. “Ik ben schoon en uitgerust.”

De zwerver zit nu op de Prins Hendrikkade. Naast hem staat een blikje bier. Hij glimlacht tegen de zon en ziet me niet. Meer zorgen dan het vinden van een nieuwe slaapplaats voor die nacht en het geld verzamelen voor een blikje bier heeft hij niet. Dat is vrijheid.
In de volle trein naar Schiphol.

Hotel Schröder is een basic hotel met 1 ster, zonder ontbijt. De kamers zijn eenvoudig ingericht. Een douche wordt gedeeld met verschillende kamers, wat leidt tot filevorming.

Hotel Schröder, Haarlemmerstraat 48-B
Vanaf 45 euro

Als een student

Hotel Hans Brinker

“Nee, je bent hier eigenlijk niet welkom,” zegt de receptioniste. Dit is voor studenten en jij bent geen student meer. Bovendien zitten we nu in een kleine verbouwing, dus het komt niet goed uit. De eerste reden begrijp ik, de tweede is vreemd. Dit hotel is bekend geworden door de jarenlange reclamecampagne Worst Hotel in the World. Wat maakt een kleine verbouwing dan uit? Dan maar anoniem een bed op een vierpersoons slaapzaal boeken.

Vroeg in de ochtend check ik in. Als je er niet voor 12 uur bent, dan loop je het risico dat je bed aan een ander wordt gegeven, staat in de bevestiging. Voor het hotel staat een 45-km-wagentje met AIRPORT SHUTTLE SERVICE op de zijkant. Een hotel met humor. Het duurt even voordat de deur open wordt gedaan.

“Goedemorgen. Heb je een uitje met de jongens?” Ik kijk om me heen, maar zie niemand staan. “Nee, hoor, ik slaap alleen.”
“Okay, nou, dat gebeurt wel vaker hoor, dat mannen met elkaar een uitje hebben en hier slapen. Een vrijgezellenavond of zo?”
“Er komen niet alleen studenten, dus? Nee, ik slaap alleen.” Ik lees de bevestiging voor: 4 Bed Mixed Dorm Ensuite. Ik weet niet wie er nog meer slaapt, het is een dorm.”
“Oh, ik dacht dat je met z’n vieren was.”
“Nee, ik slaap alleen. Het is een dorm, een slaapzaal.”
“Wil je nu alleen voor jezelf betalen, of betaal je ook vast voor de anderen?”
Verbaasd kijk ik haar aan. “Nee, ik betaal alleen voor mezelf. De anderen ken ik namelijk niet, het is een dorm
“Door please,” schreeuwt een Italiaanse student die al een tijdje staat te gebaren. Het meisje drukt op de knop.
“Okay. Je kunt vanaf half 2 op je kamer terecht. Hier is de sleutel. Laat hem steeds zien als je naar binnen wilt.”
Buiten staat een groepje meisjes druk te zwaaien. “Volgens mij willen ze naar binnen,” zeg ik tegen de receptioniste.
“Dit zijn de tijden.” Er is een briefje met de in- en uitchecktijden en de openingsuren van de bar en het restaurant op de receptie geplakt. Nadat ze deze heeft onderstreept opent ze de deur.

De kantine is een hoge ruimte met grote tafels en een bar. In de ramen zitten moderne glas-in-loodramen met gekke vormen. In de hoek staat een verlichte vitrine, beschermd door een gouden koord. Op een eveneens gouden kussen ligt het boek Worst Hotel in the World.” Aan de muur hangt een foto van een meisje met een tatoeage op haar arm. Het is de plattegrond van de hotelomgeving met de tekst: PLEASE TAKE ME BACK TO THE HANS BRINKER BUDGET HOTEL.

Het is koud in de kamer, buiten regent het. Op de bedden liggen handdoeken. Als ik net op bed lig, komen er twee jongens binnen. Ze komen uit Israel. “We zijn net gevlucht uit een ander hostel. Dat was veel duurder en vreselijk slecht. Zo druk en chaotisch. Dit ziet er veel beter uit. Alleen die deur, dat is heel erg vervelend. Geen wonder dat iedereen hier op hun kamer rookt. Door het hele hotel hangt een wietgeur. Dat je hier gewoon mag roken! Dat doe je toch niet op de kamer?”
”We willen nu naar Anne Frank, hoe komen we bij haar huis?” vraagt zijn vriend.
“Ze woont daar niet meer,” zeg ik.
Hij kijkt geschokt. “Echt?” vraagt hij.
De student lacht. “Nou, dan moeten we maar naar een coffeeshop.”

“Happy happy hour,” klinkt door de intercom. Meteen vullen de tafels zich met grote glazen bier. Een gezin met kinderen zit aan een tafel met dubbele glazen chocolademelk. In de keuken wordt de avondmaaltijd bereid. “You have to wait until six o’clock,” zegt het meisje in de keuken met harde stem als ik nieuwsgierig kom kijken. Zonder vaste tijden is er geen discipline.

Het is laat als ik terugkom in het hotel. Van de verlichte letters doen allen de H, E, en L het. Er is aan elk detail gedacht. Op de website staat SIMULAR TO HELL, BUT WITHOUT PROPER HEATING.

Uit de kelder klinkt muziek. In het midden staat een glazen kooi. Hier wordt gerookt en gedanst. Ik ben moe en ga naar boven. In de kamer hangt een zware wietlucht. As in de toiletpot. Op het vierde bed ligt een jongen. Zijn grote pupillen kijken me aan en hij geeft me een hand. “Lig ik in je bed?” vraagt hij. Meteen valt hij weer in slaap.

Om half tien gaat de kamerdeur open. “Check-out time is ten o’clock, so get up now,” schreeuwt een schoonmaakster. Ik neem een douche en pak mijn spullen. De twee Israelische jongens steken hun hand uit. “Goodbye, Vincent. Take care.” Op de deur hangt een briefje met de tijden.

“Door please,” schreeuwt een Duits meisje tegen de receptioniste. Er staat een rij met mensen die in- en uit willen checken. Buiten staat een nieuwe groep te wachten.

Hans Brinker Budget Hotel is een hostel dat ooit is opgericht door studentenreisorganisatie NBBS om internationale studenten met elkaar in contact te brgen en wordt ook voornamelijk wordt gerund door studenten. Er zijn duidelijke regels en tijden, maar het hostel heeft een bar, een dansvloer en een betaalbaar restaurant. Ondanks het strenge tijdschema hangt er een leuke sfeer.

Hans Brinker Budget Hotel, Kerkstraat 136/138
Vanaf 21 euro

Onder Gods hoede

Shelter Jordan Christian Hostel

Het is al na middernacht. “Alle hotels van de stad zitten vol. Er is een medisch congres. Iets met kanker,” zegt een barman in het Crowne Plaza Hotel. “Kankercongres,” mompel ik.
“Ook het grootste deel van onze kamers is opgekocht.”
Ik herinner me een hostel waar ik zelf ooit buitenlandse gasten heb ondergebracht tijdens een studentencongres. Op goed geluk loop ik er naartoe. Het is nat en koud. Dit is mijn kans op een bed, vanavond.

Achter de receptie zit een man met lang haar, sandalen en een ingevallen gezicht. Hij doet me denken aan een icoon van Christus.
“Hebben jullie nog een plekje in de herberg?” vraag ik.
“Nee,” zegt hij stellig. “Dat kun je vergeten. We zitten helemaal vol. In de zomer zitten we altijd vol.” Ik vraag of hij toch nog even wil kijken.
Hij bladert in de computer. “Nee, helemaal vol. Ik zou je graag onderdak geven, maar vol, vol, vol.” Dan blijft hij naar zijn scherm staren. Het blijft even stil. “Alhoewel… ik heb hier nog een bed. Hoe kan dat? Hoe bestaat het? Het is een wonder!”

Op de eerste verdieping zijn de dorms voor vrouwen, op de tweede die voor mannen. Aan de muur in het trapportaal hangt een bordje dat de Bijbeldiscussie om half 8 in het Eben Haëzer-café was. Daar had ik graag bij willen zijn. De kamers hebben typisch Amsterdamse namen met bijpassende foto’s aan de muur.

In de kamer ligt een Aziatische jongen te slapen. Net als ik in bed lig, komt hij naast me staan en begint te praten. Is hij wakker of slaapt hij? Hij is niet te verstaan en reageert niet op mijn vragen. Veel later komen andere jongens thuis. Omringd door een wietlucht. Ze fluisteren en proberen hun bed te vinden bij het licht van hun telefoons.

Opnieuw komt de Aziatische jongen naar me toe. “Did I talk in my sleep? Sometimes I do that. Very annoying. Sorry about that.”
De gemeenschappelijke badkamer staat vol met jongens die zich scheren en hun tanden poetsen. Twee Italiaanse jongens staan onder de douche. Een Amerikaanse jongen klopt ongedurig op de deur. “Oh my dog, what are they doing in there? I am waiting here for hours.”

Het is druk in de ontbijtzaal. Bij het bestelluik staat een rij. Iedereen moet een briefje invullen met zijn naam en of hij granola, pancakes of roles wil. Het omroepen van de namen is lachwekkend. De namen worden steeds met een andere uitspraak en meer volume herhaald, omdat niemand reageert op zijn verbasterde naam. Zelfs ik hoor mijn eigen naam niet.

Ik eet mijn pannenkoekjes op aan een lange tafel. Tegenover me zit een Duitse man van in de veertig. Hij stelt iedereen vragen over hun afkomst en studie, als een gespreksleider. Als een jongen vertelt over zijn nachtelijk avontuur in een coffeeshop, reageert hij met “God bless you” en maakt hij zich uit de voeten. Een meisje bladert verveeld in een van de Bijbels die op de tafel ligt.

Het uitchecken verloopt chaotisch. Er staat een rij met mensen te wachten en de receptioniste kan het niet aan. Iemand die zijn vliegtuig moet halen vloekt. De hele rij kijkt gestoord om.

Shelter Jordan is een Christelijk hostel. In dit enige hostel in de Jordaan zijn de slaapzalen gescheiden. Er worden Bijbeldiscussies georganiseerd en het hostel is op Christelijke leest geschoeid, maar is ook voor ongelovigen. Het ontbijt is erg origineel en de prijzen betaalbaar.

Shelter Jordan Hostel, Bloemstraat 179
Vanaf 16,50

Bij een schrijver

Hotel Omega

De deur gaat open. In de hoge hal hangt een kroonluchter. In de entree staan groene banken uit de jaren ’80. De bar is versierd in Art Deco-stijl. Er hangt een bord met de mysterieuze tekst Omegaden en een aantal Chinese tekens. Het is stil.

“Ja, ik had je mail voorbij zien komen, maar het is erg druk. Wat kwam je hier nou precies doen?” De receptionist spreekt gehaast met een Amsterdams accent.  “Je schrijft over hotels? Literatuur of een hotelgids? Dit hotel is een verhaal apart. In de drie jaar dat ik hier werk, heb ik het achteruit zien gaan.” Zijn hand maakt een noodlanding.

”De vorige eigenaresse van dit hotel is naar Texel gegaan en heeft het hotel verkocht, nouja, de goodwill, want het is pacht. Net voor de recessie, dus het was eigenlijk niets waard. Een kat in de zak. “Hij denkt na over zijn woorden, alsof hij uit een andere realiteit moet komen. ”Er wordt hier dus niets verdiend, en alles mag dus ook niets kosten. Investeringen worden niet gedaan. Vroeger was het een boutiquehotel. Als je goed kijkt, nee, als je heel goed kijkt, dan zie je dat ook wel. Er stonden hier van die prachtige verweerde Chesterfields, maar dat vonden de nieuwe eigenaars niets. Nu zie je van die mintgroene bankstellen staan. Dat is meer hun smaak.”

De eigenaars hebben ook nog een restaurant in Beverwijk, de zoon doet dit hotel. Het zijn aardige mensen, hoor, maar ze willen gewoon een ding en dat is geld verdienen. Het gaat niet om het contact met de mensen. Ze zorgen er alleen voor dat het hotel wordt schoongemaakt. Nouja, meestal dan. Op internet verschijnen dan ook regelmatig negatieve recensies, maar het is net zo gemakkelijk om daar een positieve recensie onder te zetten. En dat doen ze natuurlijk ook, zoals al die hotels. Jij weet natuurlijk hoe dat gaat.” Zijn ogen kijken triest. “Hier is je sleutelkaart.”

“Ik ben een van de laatste Amsterdammers die dit werk nog doen. In al die hotels worden Roemenen, Serviërs en zo aangenomen, want die zijn veel gemakkelijker onder de duim te houden. Nederlanders gaan op een gegeven moment eisen stellen. Ze willen mensen die het voor het geld doen, en niet zeuren. Ik probeer hier nog dingen goed te doen, samen met een collega van me die hier ook al heel lang werkt. Die heeft natuurlijk een contract waar ze niet zomaar onderuit kunnen. Het gaat om geld verdienen, niets anders. Dit zijn mensen die de Grote Revolutie van Mao hebben meegemaakt. Dat was een verschrikkelijke tijd. Ze willen nu alleen nog maar geld verdienen. Werken is het enige wat ze doen. Als ze niet werken, dan worden ze gek. Het zijn op zich erg aardige mensen. Ze begrijpen onze manier van met elkaar omgaan alleen niet. Had ik je de sleutel nu al gegeven?” Hij graait in de papieren.

Er komt een oude Russische vrouw binnen. Ze maakt cartooneske maalgebaren en herhaalt telkens Russische woorden. Dan kijkt ze omhoog en zingt ze Happy Birthday. De enige twee Engelse woorden die ze kent. De receptionist haalt zijn schouders op. Hij snapt haar niet. “Ze is jarig en wil bestek om een taartje te kunnen eten,” vertaal ik. Ze straalt als een jong meisje, als ze met het bestek de lift in stapt.

“Ik ben eigenlijk schrijver en doe dit erbij om dat te kunnen bekostigen, maar dit vreet eigenlijk teveel energie. Dan is dit weer kapot, dan dat weer. En al die dingen die fout gaan, ik kom bijna niet meer aan schrijven toe. Hiervoor heb ik ook bij een hotel van Chinese eigenaars gewerkt: Hotel Cordial. Wat ik daar allemaal heb meegemaakt, daar zou ik ook een boek over kunnen schrijven. Een enorme lekkage, maar de kamer werd gewoon verhuurd voor 90 euro. “Schuif het bed gewoon maar een beetje op,” zei de eigenaar dan. “Ik werkte hier vier dagen in de week, maar dat trek ik niet meer. Nu nog maar twee dagen, anders komt dat boek er nooit.”

Hij bekijkt mijn website. “Ach, het interesseert de eigenaars ook niet echt wat je over hun hotel schrijft. Dit is Amsterdam. De bedden worden toch wel verhuurd. Hierachter is het Van Goghmuseum! Dit hotel zit toch altijd wel vol.”

Met de lift naar de vierde verdieping. Wat tref ik aan? Is het niet beter om naar een ander hotel te gaan? De gang is behangen met een vergeelde wereldkaart en ruikt fris. In de kamer staat een tweepersoonsbed met een rood glimmend sprei. Aan de wand hangt een grote spiegel met gouden lijst. Dubbele gordijnen, kleine lampjes aan de wand. De kamer is veel beter dan ik had verwacht. Schoon en zelfs gezellig. Ik doe de lampjes aan en zie mezelf in de spiegel liggen. “Amsterdam slaapt,” zeg ik hardop. Uit de badkamer komt een druppend geluid. De douche lekt. Op de grond ligt een dweil om het water op te vangen.

Even later wordt er op de deur geklopt. Aan de deurknop zit een Don’t disturb-hanger van een internationale hotelketen waar het hotel al jaren niet meer bij is aangesloten. Ik kijk door het spionnetje en doe open. “Ja, ik mocht gewoon doorlopen. Ik zei dat ik voor jou kwam. Oh, dit is best een leuke kamer. Op dit nieuwe bureaulampje na. En zelfs de badkamer ziet er prima uit. Jammer dat het beneden zo is ingericht. Dit moet vroeger erg mooi zijn geweest. Je zou hier een prachtig hotel van kunnen maken. Kom we gaan eten.”

De volgende ochtend gaat de telefoon twee keer kort over. Een subtiel signaal. Veel te laat check ik uit. “Geen probleem, hoor,” zegt de receptionist lachend. “Echt geen probleem.” Het regent dus ik blijf binnen wachten. Het is stil in het hotel.

Hotel Omega is een driesterrenhotel in een straat achter het Concertgebouw. De inrichting is een mengelmoes van stijlen. De kamers zijn ouderwets, maar gezellig en redelijk schoon.

Hotel Omega, Jacob Obrechtstraat 33
Vanaf 74 euro

Aan het water

Wyndham Apollo Hotel

Het lage gedeelte van het hotel loopt in een ronde vorm langs het water. Mijn telefoon laat het hotel van bovenaf zien. Naast de kwart cirkel staat een hoger blok. Via de parkeerplaats loop ik naar de eveneens ronde entreegalerij. Op de rotonde voor het hotel staan taxi’s. In het midden is een tuintje aangelegd met een waterpartij. Het regent.

Een man komt van achter. “Meneer Van Dijk. We hadden u al verwacht.” Hij pakt de kamersleutel. “Ja, dit hotel heeft veel verschillende namen gehad, maar het heeft altijd Apollo geheten. Sinds kort is het Wyndham Apollo geworden. Wyndham is de grootste hotelketen van de wereld. Niet in aantal kamers, maar wel in aantal hotels. Daarvoor is het hotel, op twee jaar Golden Tulip na, ook altijd Amerikaans geweest. Eigenlijk is er helemaal niet zoveel veranderd. De sfeer is hetzelfde gebleven. Best Amerikaans. We zijn een viersterrenhotel. We zouden wel vijf kunnen hebben, maar zijn liever een kwalitatief viersterrenhotel. We kunnen ons ook niet vergelijken met andere vijfsterrenhotels in de buurt. We willen niet dat gasten binnenkomen en vragen: waar is het zwembad?” Hij pakt de stadsplattegrond erbij. “Kijk, water hebben we genoeg. Dit is een bijzonder punt van Amsterdam. Hier komen maar liefst vijf grachten bij elkaar. Kijk, hier ligt het hotel.” Hij wijst op de blauwe ster. “Dat geeft natuurlijk een waanzinnig uitzicht.”

Door een glasgalerij loop ik naar de liften. Op de kamer staan twee soorten water klaar, met een schaaltje zoutjes en tomaatjes. Een kaartje van de General Manager: “Leuk dat je hier slaapt op je ‘quest’ langs alle Amsterdamse hotels.” Ik open de vitrages. Uitzicht op het water en een benzinestation. De kamer is modern ingericht, met bruine meubels en groene accenten. Comfortabel en mannelijk. Er ligt een badjas klaar. Dit is een hotel om uit te rusten.

Een vriend komt langs om te eten in het visrestaurant van het hotel. Het is ingericht als een soort schip met een glazen wand die uitzicht geeft over het kruispunt van de grachten. “Het hotel is wel mooi, maar dit restaurant dat moet nodig gemoderniseerd worden.” Hij slaat zijn hand voor de mond en kijkt theatraal de ruimte in. “Die stoelen, die gordijnen en die borden. Dat past niet bij de kwaliteit van het eten.”
In de bar brandt het haardvuur. Ondanks dat het niet warm is, zitten veel mensen buiten op de veranda aan het water.

De volgende ochtend wordt het ontbijt in het restaurant geserveerd. Ik kijk naar de boten die voor het raam liggen. Het regent nog steeds. Een rondje door het hotel. Opeens voel ik een hand op mijn schouder. “Goedemorgen. En, heb je lekker geslapen? De General Manager lacht. “Je moet ook even de spa uitproberen, dan heb je het hele hotel ervaren. Ga lekker liggen en laat je masseren, dat is wel nodig na al die slechte matrassen.” Hij neemt me mee naar de hotel-spa.

“Dit was een winkel, zoals veel hotels hebben. Maar dat liep niet zo goed. Daarom hebben we er een spa van gemaakt. Het hotel is van de Apollo-groep. Die hebben in totaal 13 hotels, en ook een groot wellnesscentrum in Maastricht. Hier in Amsterdam hebben we twee hotels. Er is nog een hotel met de naam Apollo, hier in de buurt, maar dat hoort er niet bij. Ik zeg altijd: wij zijn hét Apollo-hotel. Onze keten gespecialiseerd in probleemhotels. Die kopen we op en dan zorgen we ervoor dat ze weer goed gaan lopen. Zoals dit hotel, daar hebben we afgelopen tijd vijf miljoen aan verbouwd, zoals de receptie, de bar en natuurlijk het restaurant. Zoals het restaurant is moet het hele hotel worden. Dat niveau.”

In de spa krijg ik een massage. “Ja, hier zit het vast. Je hele rechterkant. Je slaapt zeker op je rechterkant. En je zit natuurlijk de hele dag achter je laptop. Hierna kun je er weer tegenaan. Hoelang duurt je hotelavontuur nog?”

Wyndham Apollo Hotel is een luxe viersterrenhotel aan het water in Amsterdam-Zuid. In het hotel zijn een grote bar, een prijzig, maar kwalitatief goed visrestaurant en een spa voor massages en lichaamsbehandelingen die ook op de kamer gegeven kunnen worden. Er zijn ook 5 meetingrooms en een fitnessruimte.

Wyndham Apollo Hotel, Apollolaan 2

In een gezin

Hotel Bellington

Het is donker in de P.C. Hooftstraat en het regent. De etalages van internationale kledingmerken zijn verlicht, maar de winkels zijn al gesloten. Het geeft de straat iets onwerkelijks en triests. De enige beweging komt van de televisieschermen in de winkels.
De hotels zijn misschien de enige plekken in deze straat die echt leven, nog toegankelijk zijn. Nachtverblijven in een dierentuin. Op het uithangbord met HOTEL is alleen de letter T verlicht. Naast het hotel wordt een winkel verbouwd.

Ik bel aan en loop naar boven. De receptie is in een rommelig kamertje. Achter een bak met goudvissen zit een jonge Aziatische jongen. Hij lacht vriendelijk.

“Hier is uw kaartsleutel. Morgenochtend is hier van 7 tot 10 het ontbijt. Uw kamer is op de tweede verdieping, u moet eerst naar buiten en dan naar het andere gebouw. Is er verder nog iets wat ik voor u kan doen? Dan wens ik u een prettig verblijf.”

Buiten is het harder gaan regenen. De deur naar het andere deel van het hotel is open. Iedereen kan hier gewoon naar binnenlopen. Iedereen lijkt vanavond in het hotel te zijn gebleven. Er klinkt vrolijk gelach uit alle kamers. Uit sommige komt een wietlucht.

De kamer is veel groter dan ik verwachtte. De meubels zijn in de loop der jaren bij elkaar verzameld. Bedden met rotan, grenen kasten, plastic bloemlampjes met spaarlampen en groene veloursgordijnen. Een wirwar van snoeren. Er staat een kleine tv met een haperend beeld. De douche heeft twee verschillende kranen. De drie bedden zijn netjes opgemaakt en op elk bed liggen identiek opgevouwen handdoeken. De manier waarop de kamer is ingericht heeft iets vertederends.

Veel te vroeg klinken bouwgeluiden onder het raam. Naar het andere gebouw om te ontbijten. De man die bovenaan de trap staat lijkt sprekend op de jongen achter de receptie, maar dan een oudere versie. Dit moet zijn vader zijn. Hij knikt vriendelijk en loopt voor me naar de ontbijtruimte. In het keukentje, waar ook de wasmachine en –droger staan, snijdt hij het vlees. Het is tien uur als een groep Italiaanse jongens binnenkomt. Ze spreken geen Engels. De vader wijst op het bord aan de muur waarop staat dat het ontbijt tot tien uur duurt en zet ontbijtbordjes op de tafel. Zijn vrouw komt binnen en zegt in gebrekkig Engels dat ze morgenochtend voor tien uur moeten ontbijten. De jongens knikken. De vader maakt een nieuwe rol beschuitjes open die door de jongens worden voorzien van drie lagen beleg: jam, muisjes en vlokken.

De ochtendroutine. Natte handdoeken op de vloer, afval verzamelen en in de vuilnisbak doen, het bed fatsoeneren. Een controleronde langs alle plekken waar ik ben geweest.

In de kamer naast me is vader het bed aan het verschonen. Hij groet me lachend als ik naar binnen gluur.

Terug naar de receptie. In de hal staat een nadampende eierkoker. De moeder is bezig met de administratie. “Wilt u uitchecken?”
Het hele fenomeen ‘hotel’ lijkt opeens zo overzichtelijk en klein. Ontdaan van alle illusies. Alsof het een gezin is waar iedereen zijn eigen taak heeft en de gasten op bezoek zijn.

“Ja, we doen dit nu zo’n 8 jaar, maar het hotel bestaat veel langer, hoor.” Ze lacht vriendelijk en kijkt naar de oude kamer, alsof ze zich verontschuldigt voor haar rommelige huis.

Hotel Bellington is een klein tweesterrenhotel met 20 kamers van 2- tot 4-persoons dat ligt in de P.C. Hooftstraat. Het hotel is al lange tijd niet grondig gerenoveerd, maar is schoon en huiselijk.

Hotel Bellington, P.C. Hooftstraat 78-80
Vanaf 75 euro

In een regime

Hotel The Old Quarter

Aan het begin van de Warmoesstraat zit een bruin café. Het bordje HOTEL valt weg in de drukte van de straat. Boven het voorste deel van de bar hangt een bordje met RECEPTIE. Een Engelse vrouw schreeuwt gesticulerend tegen een jongen dat de boekingen niet kloppen. Er moet nog een Nederlandse gast komen, maar hij heeft geen naam. Ze ziet me niet staan. Terwijl ze doorratelt kijkt haar collega lachend naar mij.
“Dat ben jij, hè?” Hij laat haar doorschreeuwen en geeft me een formulier om in te vullen. “Ja, de naam staat gewoon hier. Geen idee waar ze het over heeft.” Hij knipoogt en wijst naar de keuken.
“Als je straks wat wilt eten: hotelgasten krijgen 10% korting.” Ja, we zijn een bar, een restaurant en een hotel. Oh, als er nog iemand blijft slapen, zorg dan dat je nog even zo’n formulier invult, want we willen graag weten wie er allemaal binnen is. Door de deur vind je de lift. Je slaapt op de eerste verdieping.”

De deur naar de kamers wordt op afstand geopend. De kamer is langgerekt. Er staan twee bedden achter elkaar. Er is een wastafel op de kamer, de douche en het toilet zijn op de gang. De bedden zijn schoon; er is niets te merken van de “beessies” waar de schoonmaakster van zusterhotel The Old Nickel het over had, maar voor de zekerheid ga ik naar de badkamer om me onder de douche te scheren.

Terug naar beneden om te eten. De ruimte is gevuld met mossel- en stamppotgeuren. Stonede toeristen kauwen verveeld. Ze praten niet, maar zitten in hun eigen belevingswereld. Aan de muur hangt de voorpagina van de New York Times van de dag nadat de Titanic is gezonken. Het interieur lijkt ook wel een beetje op een boot.

“Je moet daar zitten. Deze tafel heb ik nodig.” Ze kijkt me boos aan. Na het eten wil ik mijn laptop boven zetten. “Je moet eerst afrekenen,” zegt de vrouw in staccato-Brits. Niemand mag hier naar de kamers zonder te hebben betaald.” Ze trekt een zuinig mondje, als een slechte actrice.
“Is ze weer streng tegen je?” zegt de jongen lachend. Ik vraag of dit hun taakverdeling is: good cop- bad cop.
“Ach, je moet hier wel een beetje streng zijn. De hele avond komen hier mensen binnen die totaal stoned en dronken zijn. Dan moet je heel duidelijk zijn in wat wel en wat niet kan. Ik werk hier nog niet zo lang en sta altijd wel open voor argumenten. Misschien ben ik soms wel wat te lief.”

Terwijl hij de koffie zet voor de tafel naast mij, checkt hij twee gasten in, brengt hij mij een drankje en maakt hij een foto van een gezelschap in het restaurant. “Ja, alles loopt hier altijd door elkaar heen. Dat is wel eens zwaar.” Er klinkt harde muziek.

Een vriend komt langs. “Zullen we hier nog een drankje doen? Daarna gaan we de stad in.” Mensen blijven binnenlopen om in te checken. Twee meisjes rollen elk drie koffers naar binnen.

Diep in de nacht komen we terug in het hotel. “Hij moet zich nog even inschrijven,” zeg ik tegen de man achter de receptie.
“Oh, dat kan ik allemaal niet, hoor.” Hij lacht en maakt een wuivende beweging. “Hallo, ik ben maar nachtportier. Doe dat morgen maar. Ga nu lekker slapen.”

We nemen de trap, maar de deuren zitten op gekke plekken, zodat we telkens verkeerd lopen.
“Nou, wel gezellig, zo in een treintje,” zegt de vriend. Een paar uur later worden we wakker. Het is druk in het restaurant. We zitten aan tafel, maar niemand komt naar ons toe. Ik loop naar de keuken en vraag aan een meisje hoe het ontbijt in zijn werk gaat. “Just sit down, we will come to you,” snauwt ze. Even later komt een jongen lachend op ons af. “Sorry, we waren jullie even vergeten, maar alles komt goed. Het komt er zo aan.” Even later zet hij een mandje vers geroosterd brood met boter en jam neer, gevolgd door twee bordjes met eieren en spek. “Eet smakelijk, jongens.”

De vriend stort op bed neer. “Hoe kun jij er nou precies hetzelfde uitzien als gisteravond? Ik ben dood en wil slapen.” Om 11 uur gaat de telefoon. Het verbaast me dat er een telefoon in deze kamer staat.
“You have to check out,” klinkt het bevel. Ik antwoord dat we het hotel ogenblikkelijk zullen verlaten. Er wordt gelachen aan de andere kant van de telefoon. Alsof ik het spel heb begrepen.

Hotel The Old Quarter is een budgethotel en tegelijk een bar en een restaurant. Het zit aan de Warmoesstraat en trekt vooral veel toeristen die naar Amsterdam komen om te blowen en te drinken. De kamers zijn eenvoudig, maar redelijk schoon en netjes. Er zijn basic kamers en kamers aan de gracht met eigen badkamer.

The Old Quarter, Warmoesstraat 22
Vanaf 50 euro

Met haperende sloten

City Garden Hotel

Aan het eind van de P.C. Hooftstraat, vlakbij het Vondelpark wapperen de vlaggen van verschillende landen. Duidelijk een hotel met internationale allure.

“You are faster than the fax,” lacht de receptionist, terwijl hij in een stapel prints graait. Hij kan de reservering niet vinden. Als hij hem eindelijk heeft, kijkt hij zorgelijk. “Oh, I only have a double room in the basement.” Hij wacht mijn reactie af. “But there’s AC,” zegt hij troostend, terwijl hij gebaart naar het plafond.

De trap af. Op de rode vloerbedekking liggen houtschilvers en een lange grijze doek. Het ziet eruit alsof hier jaren niemand is geweest. De deur van de kamer gaat niet open. Het lichtje blijft rood. Terug naar boven. “Sorry, soms doen de sloten het niet. Vandaag heeft iedereen er last van. Je bent de zoveelste. Soms doen ze het de ene keer wel de andere niet, de ene dag wel, de andere niet.”
“My key doesn’t work.” Een andere gast heeft hetzelfde probleem. De receptionist geeft hem een stalen sleutel.

Nogmaals naar beneden. Dit keer gaat de deur wel open. De kamer is donker en triest. Tegen het plafond zitten twee smalle ramen en een airconditoningapparaat. Van de plafondlamp komt koud wit licht. Het kapje is van het bedlampje; uit het stompje steken twee losse draadjes. Het bed lijkt al beslapen. Ook de handdoek in de badkamer lijkt gebruikt.

Vaker heb ik in dit soort kelderkamers geslapen, maar deze kamer voelt niet goed. Hoe komt dat? De twee minuten dat ik binnen ben, merk ik dat de zuurstof uit mijn lichaam vloeit. Het lijkt of ik de druk van het hele gebouw op mijn hoofd voel. Wat is er in deze kamer gebeurd dat hier zo’n negatieve energie hangt? Zelfs de telefoon heeft geen ontvangst. Snel, weg, naar boven. Met mijn tas vlucht ik naar de receptie om daar te gaan werken.

“The key doesn’t work?” vraagt de receptionist. Ik antwoord dat de sleutel niet het probleem is. “Is it, because it’s the basement?” Hij fronst.
“Nee,” stamel ik. “The room doesn’t feel good.” Is dat een legitieme reden om een kamer af te keuren? Door mijn hoofd flitsen alle vreselijke gasten die aan de receptie hebben gestaan omdat de kamer aan de verkeerde kant van het hotel zat, te klein was, te ver weg verwijderd was van de andere kamer.
“Is it really the last room you have?” vraag ik. Hij bevestigt dat het de allerlaatste kamer is. Betekent dit dat ik straks terug moet naar de kelder? Ik kan ook het hotel ontvluchten. Het Vondelpark inlopen. Frisse lucht. Of naar een ander hotel.

Hij vraagt of ik het een probleem vindt om op een vierpersoonskamer te liggen. Er is hoop. Misschien hoef ik niet terug naar de bedompte kelder. Ik knik gretig ja en vertel dat ik een boek over hotels schrijf.
“In that case, I give you a room on the top floor. With park view. It’s one of the best rooms we have.” Waar haalt hij plotseling een kamer vandaan? Was deze eigenlijk bedoeld voor iemand anders of stond deze nog wel leeg?

Naar de vierde verdieping. Opnieuw doet de sleutelkaart het niet. Terug. “Sorry,” zegt de receptionist lachend en hij steekt hem opnieuw in het apparaat dat de kaart activeert.
De nieuwe kamer is een stuk groter. Licht stroomt uit het kleine zolderraam en hult de kamer in een zonnige waas. Er staan twee fauteuils.  Het lijkt of er twee flatscreens hangen, maar eentje blijkt een spiegel. Ik ga op het bed zitten. Het matras is dun. Een pijnscheut door mijn rug.

Op bed ga ik liggen schrijven. Nooit eerder was het zo prettig om een ruime kamer te hebben. Steeds kijk ik om me heen om te genieten van de ruimte. ’s Avonds laat verlaat ik het hotel om iets te eten. Als ik terugkom werkt de sleutel niet. De receptionist laat me binnen. Hij zit aan de telefoon. “It’s not included. Shall I offer him breakfast?” Heeft hij het over mij? Hij schudt lachend zijn hoofd. “Use this one.” Hij geeft me een ouderwetse metalen sleutel. “This always works.”

Een lange nacht. Uitgerust neem ik een douche. Als ik uit het raampje kijk, zie ik een busje van de slotenmaker staan. Het probleem wordt opgelost. Een hotel met daadkracht.

“Can I have your room number?” Het tweede kamernummer weet ik niet meer, dus ik pak het kaartje erbij. Er is aangekruist: Breakfast included.

Het meisje schudt haar hoofd ferm. “Sorry, breakfast is nog included. You are not on my list.”
Ik moet denken aan de woorden van een vriend die vaak in hotels slaapt. “Er zijn twee hotels: hotels waar je je welkom voelt en hotels waar je je niet welkom voelt.”

Weer wil ik niets liever dan het hotel ontvluchten. Verbaasd wijs ik op de kaart. Dan loopt ze met mijn kaart naar de receptie. “Wait.” Met mijn cappuccino in de hand sta ik te wachten. Ongemakkelijk. Als de koffie op is, komt ze terug. “Yes, you can have breakfast.”

Hotel City Garden is een ouderwets hotel dat al jarenlang niet grondig is gerenoveerd. Het ligt aan het begin van de P.C. Hoofstraat, aan de zijde van het Vondelpark. City Garden is onderdeel van de groep WIN Hotels.

Hotel City Garden, P.C. Hooftstraat 162
Vanaf 65 euro