Amsterdam Slaapt

Trendwatcher en PR-man Vincent van Dijk sliep een jaar lang elke nacht in een ander Amsterdams hotel en schreef daarover de verrassende hotelroman Amsterdam Slaapt.

>> Bestel Amsterdam Slaapt via Bol.com

 

In een kast

Hotel Jimmy

ROOMS AVAILABLE, CHEAPER PRICE staat op de deur. Elke dag.

De deur gaat automatisch open en ik neem de trap naar boven. De hal ruikt naar verf. De grijze plavuizen en glimmende wanden ogen nieuw. Is dit echt het smerigste hotel van de stad? De hotelhel? Ondanks alle waarschuwingen wil ik er slapen.

“We hebben een kamer van 75 euro, maar ik moet je waarschuwen: hij is klein. Heel klein.” zegt het meisje achter de receptie in het Engels met een Oost-Europees accent. Ze lacht ernstig. “Er is wel een grotere kamer, maar dan betaal je 170 euro of meer.” Was dit niet een budgethotel? Ze pakt een schrift en schrijft zorgvuldig de gegevens van mijn paspoort over.

Ik leg het geld op de receptie. Het voelt als een criminele transactie. “Wilt u de kamer niet eerst zien?” vraagt het meisje vriendelijk onzeker, maar ik pak de geknakte kaartsleutel en ga de trap op. Blij dat er nog een kamer is, want de stad zit vol met mensen die hier afscheid komen nemen van het jaar.
“De kamer is aan het eind van het hotel,” zegt ze, terwijl ze naar de hemel wijst.

“Welke kamer zoekt u?” vraagt de schoonmaker met een zelfgerolde dunne sigaret in zijn mondhoek, leunend op zijn mop. Hij begint te lachen als hij nummer 30 op de kaart ziet staan. “Helemaal boven. Die kamer is echt heel klein.”

Buiten adem door de zware verflucht, in combinatie met de sigarettenrook en schoonmaakmiddelen, bereik ik de bovenste verdieping. De kamer is niet breder dan een toilet in een rijtjeswoning. In deze scherpe verflucht kan ongedierte niet overleven, troost ik mij. Een eenpersoonsbed met een krukje. Daarboven hangen een lamp, een televisie met twee houten hangertjes eraan. De kamer is de kast. Glanzend witte muren. Voor het kleine venster hangt een gordijn. Door kapot getrokken kippengaas is een dak vol apparaten en een satellietontvanger te zien. Het is warm in de kamer en een van de lampen is kapot.

De koffer balanceert op het krukje als een circusolifant. Ik ga liggen op de harde matras, onder de oorlogsdeken. De verflucht vermengt zich met een wietlucht uit de andere kamers in de hal. Hard klinkt oubollige vioolmuziek uit de kamer van een Italiaans koppel aan de andere kant van de gang. Steeds hetzelfde nummer. De uren verstrijken, maar slapen lukt niet onder de felle lamp. Als ik wil douchen, realiseer ik me dat er geen handdoek op de kamer ligt. Ik wil weg, weg uit dit hotel.

“Klein, he?” lacht het receptiemeisje besmuikt. De voordeur draait automatisch open.

Een nette man staat buiten. “Ik ben de eigenaar van het hotel, niet de manager. We hebben geen tijd om naar de negatieve recensies op internet te kijken, want ik heb nog meer hotels. Dat het schoon is, dat vind ik het belangrijkst. We hebben net alles opgeknapt. Die hoge kamerprijzen, dat is marktwerking. We zitten natuurlijk op een geweldige plek, zo dichtbij het station. En als er te weinig hotelkamers zijn, dan schieten onze prijzen omhoog. Dan betalen mensen 75 euro voor zo’n klein kamertje. Zolang ze dat betalen, zijn wij gek als we de prijzen zouden verlagen. Mensen komen een volgende keer niet meer terug, maar er komen genoeg nieuwe toeristen naar Amsterdam. Wij zitten altijd vol.”

Hotel Jimmy is een hotel tegenover het Centraal Station. De kamers zijn zeer basic en ouderwets ingericht, maar het hotel is net opgeknapt en geschikt voor gasten die willen blowen en nergens anders terecht kunnen.

Hotel Jimmy, Martelaarsgracht 15-boven
Vanaf 75 euro (geen website)

In de Tropen

Hotel NH Tropen

Van afstand is een soort woontoren te zien die afsteekt bij het klassieke Tropenmuseum en opvalt door zijn vreemde proporties. Het ijzeren hek en de slagboom zijn afschrikwekkend, maar het bekende hotellogo stelt me gerust. De letters NH geven me de moed om door de ingewikkelde hekkenconstructie te lopen. Is dit niet de ingang van het Tropeninstituut in plaats van het hotel? Moet ik me melden bij de portiersloge? Net op tijd zie ik de glazen entreedeuren van de hotellobby en rol naar binnen.

“Ja, we hebben nog wel een kamer voor u. Wat leuk dat u nog bij ons komt, zo op het einde van het jaar. We hadden u graag een Superior Room gegeven, maar er is nu geen vrij. Als u het leuk vindt, dan geef ik straks een rondleiding door het hotel,” zegt de Duty Manager vriendelijk. “Graag,” hoor ik mezelf zeggen, maar vraag me af wat er te zien is in dit hotel.

Ik schrik van het automatisme waarmee ik mijn spullen installeer en de comfortabele kamer analyseer. De bekende inrichting met donkere houten vloer en witte lampen. De raambedekking met klittenband laat los op de hoeken. De schoonheid van de imperfectie. Ik blijf staan voor het raam en kijk uit over de stad. Weer een nieuw deel van Amsterdam, de stad met zoveel gezichten.

“Loop maar even mee,” zegt het meisje in mantelpakje even later. ‘’Deze toren is eind jaren ’60 gebouwd als een woongebouw waar mensen, die naar de tropen gingen, zich hierop konden voorbereiden. Je ziet dat nog aan de vorm van de badkamers, dat ze niet zijn gebouwd voor een hotel. Beneden is nog steeds een ruimte waar gasten hun was kunnen doen en een keuken waar mensen die hier langere tijd zitten zelf kunnen koken. Want als je in hotels woont, dan heb je niet altijd zin in weer zo’n hamburger of pasta.”

Ze loopt naar een muur met zwart-witfoto’s. “Kijk, zo zag het er vroeger uit, toen het nog geen hotel was. Futuristisch lege ruimten met stalen jaren ’70-meubels. Dit is nu de bar. Op een gegeven moment kwam het Tropeninstituut op het idee om deze woontoren commercieel te gebruiken en er een hotel van te maken. Sinds 8 jaar doen wij dit voor hen. Dat geeft dit hotel natuurlijk iets heel bijzonders.”

“Kom, we lopen even naar het Koninklijk Instituut voor de Tropen, dan laat ik je wat zalen zien. Deze verhuren we tegenwoordig en we doen de catering. We werken heel nauw samen met het KIT. Zij brengen natuurlijk hun gasten bij ons onder.” We steken het lege terrein over met een rond opslagdepot voor het Tropenmuseum en komen in het klassiek gebouw. “Dit werd gebouwd voor de Eerste Wereldoorlog. Kou, stakingen en de oorlog zorgen voor veel vertraging. De zalen worden gebruikt voor vergaderingen, diners, trouwerijen en andere feesten.” Ze opent de deuren van de met rijk versierde kamers en schrijdt voor me uit door de indrukwekkende marmeren ontvangstruimte. “Dat verwacht je niet, zulke koninklijke zalen bij een driesterrenhotel, toch?”

Op mijn kamer staan opeens een fles wijn en een blik Pringles. Ik laat mezelf op bed vallen. Nog twee dagen. Ik voel me moe en dik. De fles en het blik blijven dicht.
Dan gaat de telefoon. Ik schrik. “De Front Office-manager vindt het leuk om nog wat te drinken in de bar. Heeft u daar even tijd voor?”

We gaan in de bar zitten. Alleen de ramen zijn nog zoals op de foto’s. “Wat leuk dat u bij ons in het hotel bent, zo net voor het einde van het project. Mijn collega baalt dat hij vandaag niet hoeft te werken. Hij leest elke dag de verhalen op uw site. Soms print hij ze uit, onderstreept hij passages en hangt ze in de personeelsruimte. Wilt u een glas wijn?” Ze loopt naar de bar en schenkt een glas wijn in, omdat de barman in de keuken staat. “Wilt u een handtekening voor hem zetten op dit printje?”

“Dit is een erg leuk hotel om te werken. We zijn met een klein clubje en nemen vaak elkaars taken even over. Een soort familie. Heel veel gasten komen vaak terug. Mensen die hier langere tijd aan een project in de buurt werken. Daar krijg je dan echt een band mee. Sommige gasten moeten zo vroeg opstaan, dat ze het ontbijt missen. Dan krijgen ze een pakketje brood mee, dat de nachtdienst voor hen maakt. In sommige hotels is het niet prettig om ’s nachts te werken. Omdat er beveiliging zit, gebeuren hier eigenlijk nooit enge dingen. Vergeleken bij de NH-hotels in het centrum hebben we ook veel meer tijd om een praatje met de gasten te maken. Sommige mensen hebben daar echt behoefte aan. Wilt u nog een glas wijn of gaat u slapen?”

De ontbijtzaal kijkt uit over het besneeuwde park. Mensen laten hun hond uit en joggen voorbij. Ik staar naar buiten, boven een cappuccino. Het jaar is bijna voorbij en straks moet ik weer wennen aan een nieuw leven. Glijdend door smeltende sneeuw verlaat ik het warme hotel, niet wetend waar ik de nacht ga doorbrengen.

Hotel NH Tropen is een in Amsterdam-Oost gelegen, betaalbaar driesterrenhotel met 80 kamers en uitzicht op het Oosterpark, naast het Koninklijk Instituut voor de Tropen met het Tropenmuseum en Tropentheater waar, naast enkele meetingzalen in het hotel, ook zalen kunnen worden gehuurd voor bijeenkomsten, diners en trouwerijen. Er hangt een leuke, persoonlijke sfeer. Er zijn standaard kamers en op de hoeken gelegen Superior Rooms en er is een bar/brasserie.

NH Tropen, Linnaeusstraat 2c
Vanaf 69 euro

In een familiehotel

Hotel Rembrandt

Op de besneeuwde trappen voor het hotel branden kaarsen. Binnen, in een behaaglijke bibliotheek met een bureau-ministre zit een vrouw met roodgeverfd haar. Tussen de boekenkasten hangt een zelfportret van Rembrandt van Rijn.

“Dat moet ik even met de eigenares overleggen, of we een kamer voor u hebben. Neem anders even plaats. Wilt u een kopje koffie?” Ik zet mijn laptop op het met leer ingelegde bureau en voel me al thuis. Twee minuten later komt ze terug met een kopje koffie en een verzwaarde sleutel.
“We hebben een kamer voor u. De eigenares vindt het leuk dat u hier komt slapen. De rest van het jaar zitten we helemaal vol, dus u heeft wel geluk.”
“De eigenares is mijn zus,” zegt ze opeens trots. “Ze heeft dit hotel al 20 jaar. Eerst deed ze het samen met mijn zwager, maar nu doet ze het zelf.”

Er komen vier jongens de ruimte in. “Dag neef. Is het laat geworden? Jullie zien er wel brak uit.” Ze geeft een van de jongens een kus.
“Ja, we hebben vannacht de minibar leeggedronken,” geeft de zoon toe.
“Zo zien jullie er ook wel uit. Waarom nemen jullie een hotel als je toch niet slaapt?” zegt de tante streng. ”Het gaat sowieso lekker met de omzet vanavond, met al die gratis slapers.” Ze lacht.

Ik zet mijn bagage op de kamer. Op het bed ligt een sprei met vrolijke strandstoelstrepen die passen bij het schilderij met kleurige maskers boven het bed. Aan de andere muur hangen circusposters. Er staat een kerstboompje met verlichting op het bureau, naast een papieren tasje met toeristenfolders. Dit hotel wordt bestuurd door vrouwen. Terug naar bibliotheek, waar de blonde eigenares zit thee te drinken met haar zus.

“Ik dacht dat je al helemaal volgeboekt was, voor de rest van het jaar. Toen ik erachter kwam dat je  nog niet bij ons was geweest, dacht ik dat het te laat was, maar wat leuk dat je er toch nog bent. Ik heb vroeger bij De l’Europe gewerkt. Eigenlijk wilde ik nachtportier worden, maar dat mocht niet. In die tijd was dat ondenkbaar. Daarom ben ik maar een eigen hotel begonnen. Het was niet de bedoeling dat dit een familiehotel werd, maar op een gegeven moment is mijn zus hier gaan werken en is mijn zoon nachtdiensten gaan draaien. Dat is ook wel een prettig idee. Het is een heel hecht team. We zijn wel een echt vrouwenhotel, echt een vriendinnenclub. Af en toe een theekransje.”

Ik verlaat het hotel om met vrienden te eten. De blonde eigenares zit nu achter de receptie te werken, verlicht door een flakkerende kaars. Clair-obscur.
“Kijk, mijn droomwens is uitgekomen. Nu ben ik toch nachtportier.” Ze lacht. “Wil je wat drinken?
Dit is al heel lang een hotel. De vrouwen die het runden tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn allemaal gedeporteerd. Een heel triest hoofdstuk in deze hotelgeschiedenis. Er is in deze buurt heel veel gebeurd.”

“Toen ik dit twintig jaar geleden kocht was het hotel echt vreselijk vies. Het was toen van een oude man van ver in de 70 geweest, die alles in zijn eentje deed. Toen ik heb vroeg waar het reserveringssysteem was, wees hij naar zijn twee broekzakken: ‘Aan de linkerkant het geld, aan de rechterkant de sleutels.’” Ze lacht. “Heel soms kwamen oude gasten uit zijn tijd terug en dan vroeg ik me af: waarom? Waarom?”
“In het begin hadden we nog geen geld voor nieuwe meubels en zo, maar we zijn maanden bezig geweest om het schoon te krijgen. Echt schoon. Dat is het allerbelangrijkst. We hebben alles langzaam opgebouwd.” Ze strijkt door haar haar.

“Graag had ik het hotel nog verder willen uitbreiden, maar dat mag helaas niet. We hebben alles gedaan om een vergunning te krijgen voor meer kamers. Nu heb ik me erbij neergelegd. Over een paar jaar verkoop ik het gewoon. Dan is het mooi geweest. Dan wil ik wat anders gaan doen. Mijn kinderen die mogen het niet overnemen. Die zouden dan in een gespreid bedje komen, zonder een enkele uitdaging. Dat is niet goed.”

Het ontbijt wordt geserveerd in een antieke zaal met een schouw, een enorm hoog bewerkt plafond, wandkleden boven de donkere lambrisering en kroonluchters. Het lijkt alsof ik een andere wereld binnenstap. Een donker schilderij.
“Dit was ooit de ontvangstzaal van een jeneverstokerij. Dit verwacht je niet als ontbijtzaal, hè?” zegt de roodharige zus trots.

Hotel Rembrandt is een klein maar gezellig en huiselijk hotel met 17 kamers in de Plantagebuurt. Er zijn twee kamers met rookbalkon, een wellnesskamer met een infaroodsauna. In de bijzondere antieke ontbijtzaal is een honesty-bar en de kamers zijn voorzien van een minibar. Het hotel biedt roomservice aan, in samenwerking met restaurants in de buurt.

Hotel Rembrandt, Plantage Middenlaan 17
Vanaf 75 euro

Met tropische geluiden

misc eatsleepdrink

Achter de gedeelde bar/receptie staat een vrolijke vrouw met kort haar. Ze geeft me een hand en lacht hartelijk.
“Eindelijk… Rachel. Het is al maanden geleden dat we elkaar spraken. Wat gaat de tijd toch snel.” De entree is een kruising tussen een professionele bar en een gezellig woonhuis. In de bar en in de open keuken branden kaarsen. Op een van de tafeltjes ligt een schaal met kerstballen.

“Leuk dat je er bent, op tweede kerstdag.” Ze heeft een licht-Amerikaans accent. “We zijn eigenlijk net klaar met de verbouwing van de bar en de keuken en wilden je wel graag het complete hotel laten zien. Al is een hotel natuurlijk nooit af. Je blijft altijd bezig.”

“Dit was ooit al een bar, zoals je kunt zien aan de hoogte van de ruimte, en hierachter heeft ook een restaurantje gezeten. Het is een klein hotel met maar zes kamers, maar de barvergunning maakt het wel bijzonder. Volgend voorjaar gaat de bar officieel open. Dan kunnen ook buurtbewoners langskomen voor een glas wijn of een hapje. Het moet een echte hotelbar worden. Nu kijkt iedereen verlekkerd naar binnen als ze langslopen, maar is het alleen voor hotelgasten.” Ze lacht uitbundig. “Voordat wij hier kwamen is het ook al een hotel geweest. Al heel erg lang.”

“Laat me even je koffer naar boven brengen. Dan doen we altijd voor onze gasten. Zelfs de zware koffers. Elke kamer hier is op een andere manier ingericht. Miscellaneous, daar komt de naam van het hotel ook vandaan. We vinden het leuk om creatief bezig te zijn. Jij slaapt in Design 1. De meubels zijn bedacht door een meubelontwerper. Hij heeft de typische hotelfaciliteiten in de meubels verwerkt.”

Op de vensterbank is een kunstzinnig groengekleurd zitje aangebracht. Het past bij het lichtgeverfde gele hout waar ook de muurkast met de kluis en espressomachine en de ingewikkeld geconstrueerde plafondlamp met blokjes van zijn gemaakt.

“Nee, dit is geen antwoordapparaat. Het is een white-noise-machine. Je kunt hem op tropisch oerwoud of waterval zetten. Heel fijn voor mensen met een jetleg of die niet tegen de rust van een gracht kunnen.” Ze drukt op een knop en een regenbui barst los. “En zo werkt de Nespressomachine.” Ze drukt de knoppen van de machine in. “De minibar zit vol met blikjes fris en kleine snacks. Voor als je ’s avonds dorst of honger krijgt. Alles is hier inclusief. We hebben de kamers zo ingericht zoals we dat zelf prettig vinden. Beneden in de bar kunnen we een echte cappuccino maken. Ik weet dat je daar erg van houdt.” Weer lacht ze aanstekelijk.

Op het grote bed liggen badjassen en een muggenverjager voor in het stopcontact. “Alsof er met deze kou muggen zijn,” denk ik, en meteen landt er een traag zoemende huisvlieg op mijn voorhoofd. Ik ga beneden zitten werken, op een verrassend zachte versie van een park-bank.

“Toch maar even onder de mensen? Zal ik een cappuccino voor je maken? En hier is een stukje kerst-cake.
Eigenlijk moet je op de gevel zetten hoeveel sterren je hebt, maar dat doen we niet. We hebben maar twee sterren, omdat we bijvoorbeeld geen lift hebben. Maar als je naar onze services kijkt dan zijn we geen tweesterrenhotel. Bij ons draait het niet om luxe, maar wel om service en de gastvrijheid. We zijn een typisch boutiquehotel. Ik doe dit samen met mijn man. We vullen elkaar goed aan. De keuken is meer zijn domein.”

Ondanks de tropische geluiden val ik snel in slaap en word pas laat wakker. Ik neem een regendouche.

De kleine ontbijtzaal zit vol, terwijl het al tegen het eind van de ochtend loopt. De hotelpoes geeft me een kopje en leidt me naar het tafeltje dat voor een persoon is gedekt.
“Nee, hoor, je bent helemaal niet laat,” lacht Rachel vrolijk.
“Daarom komen veel mensen naar dit hotel, omdat ze lekker uit kunnen slapen en daarna rustig kunnen ontbijten. “Wil je een vers gebakken croissantje? En wil je een gekookt of een gebakken eitje? Een gebakken eitje met bacon?” Pepijn zet een pan op het grote gasfornuis in de open keuken en bakt een eitje. Rachel zet een glas vers sinaasappelsap op tafel en snijdt enkele soorten boerenkaas af. Wil je nog een cappuccino?”

misc eatsleepdrink is een intiem hotel met 6 kamers met elk een eigen thema (van ‘design’ tot Aziatisch) in een grachtenpand uit de 17e eeuw. Het hotel, dat naast de Nieuwmarkt ligt, heeft een gezellige bar en serveert tot 12 uur een uitgebreid en smakelijk ontbijt. Hier komen mensen die de persoonlijke aandacht en warmte van gastkoppel Rachel en Pepijn verkiezen boven een anoniem hotel. De alcoholloze minibar met snacks en internet zijn inbegrepen.

misc eatsleepdrink, Kloveniersburgwal 20
Vanaf 155 euro

Met nieuwe familie

Hotel Citadel

Het is kerstavond en de straten worden steeds leger. De laatste mensen zijn op weg naar huis om zich daar op te sluiten met hun familie. Voor mij betekent Kerst niets meer dan Rust. Geen verplichtingen. Geen familie. Normaal sloot ik me op in mijn appartement en ging ik in mijn warme bed liggen. Nu verlang ik naar hetzelfde. Naar niets.

Aan de gevel van het hotel hangen lichtstralen, voor de receptie staat een kerstboom. “Ja, we zijn klaar voor Kerst, maar het lukt ons zelf nog niet echt om in de kerststemming te komen, zoals andere jaren,” zegt het meisje achter de receptie. Ze overhandigt me de grijze kaart met gaten. De sleutel naar Rust.

“Where are you from?” vraagt een jongen in de lift lachend.
“From Amsterdam.” Hij staart naar mijn koffer en durft niets meer te vragen. Hij kijkt me aan alsof ik op kerstavond het huis uit ben gezet na een tragische ruzie en legt zijn hand troostend op mijn schouder. Als ik wil uitleggen dat ik in hotels woon is hij al uitgestapt.

De kamer ziet er comfortabel uit. Een zonnig Amsterdams straatbeeld achter het bed. Het is alsof het tweepersoonsbed op de brug is neergezet en ik op straat slaap. De grote ramen met uitzicht op de besneeuwde Nieuwezijds, waar slechts een enkele tram voorbij glijdt, voelen koud aan. De vloer van de badkamer is verwarmd en er is een bad. Ik neurie een kerstnummer, installeer de koffer op de kribbe en vul het bad.

Ik doe de plafondverlichting uit, sluit de gordijnen om de warmte binnen te houden en doe de zacht schijnende schemerlampjes aan weerszijden van het bed en op het bureau aan. Dit is mijn thuis. Een fijne plek om uit te rusten. Op bed voel ik opeens de vermoeidheid van een jaar elke dag verhuizen. Koffer inpakken, koffer uitpakken. Met mensen praten. Schrijven. Mijn lichaam wordt zwaar en ik val in een diepe slaap tot gegrom uit de maagstreek me wekt.

De meeste cafés en restaurants in de buurt van het hotel zijn gesloten. In een leeg restaurant waar licht brandt, vraag ik of ze een tafeltje voor me hebben.
“Nee, alles is gereserveerd.” Als ik wegloop, beginnen de personeelsleden hard te lachen. “Nee, natuurlijk niet. Het is kerstavond! Je kunt overal gaan zitten.”

Het is een fijne gedachte dat hotels gewoon doorgaan met Kerst. Verwantschap. Op bed voel dezelfde rust als ik altijd thuis voelde op de enige dagen van het jaar dat de wereld stopt met draaien. Waarom kiezen mensen momenten uit om samen te zijn met hun familie? Willen ze misschien maskeren dat ze eigenlijk eenzaam zijn? Ik denk aan mijn moeder die ik dit jaar ben verloren. Omdat haar kinderen niet meer pasten in haar leven.

Het ontbijt wordt geserveerd tot 10 uur, dus ik ga snel naar beneden. Tijdens de feestdagen gaat het strenge ritme door, als in een klooster.  Op de tafels liggen kerstservetten. Op het ontbijtbuffet ligt een kerststol en er klinken Amerikaanse kerstliedjes door de ontbijtruimte. De mensen ontbijten alsof ze niet weten dat het kerstmis is. Een groep Italiaanse jongens komt erachter dat alle attracties gesloten zijn. “Dan moeten we maar naar een coffeeshop,” zucht een jongen.

“Wat leuk dat je hier nog ben geweest, zo op de valreep. Het is wel de ultieme kerstgedachte, hè? Een dakloze een kamer geven met kerstmis, haha,” lacht de hotelmanager. Ze geeft me een hand. “Ach, het is niet zo’n ramp om met Kerst te werken. We hebben de diensten eerlijk verdeeld, straks ben ik lekker vrij. Met Kerst is het altijd rustig in de hotels. Mensen vieren dat het liefste thuis met hun familie. Er komen altijd wel wat Spanjaarden en Italianen, maar echt druk wordt het weer voor Oud & Nieuw. Daarvoor komen mensen naar Amsterdam.”

Ik verlaat het hotel. Mijn nieuwe familie.

Hotel Citadel is een zeer centraal gelegen driesterrenhotel met 38 comfortabele en nette kamers, op loopafstand van Centraal Station. Het maakt onderdeel uit van de kleine hotelgroep Centre Hotels. Het gastvrije hotel heeft een bar en wireless internet.

Hotel Citadel, Nieuwezijdsvoorburgwal 98-100
Vanaf 70 euro

In de warmte

Hotel/bar Sebastian’s

Het hotel aan de Singel, The Waterfront, heeft geen deurbel. Tussen de tralies door tik ik met mijn telefoon op de ruit in de voordeur. Steeds harder, indringender, maar niemand reageert. De geluidstrillingen lijken te bevriezen. Volgens het bord op de deur kan er worden ingecheckt tot acht uur; het is net zeven uur geweest. Het is ijskoud. Mijn vingers zijn te verdoofd om een telefoonnummer in te toetsen

De deur van de slotenwinkel naast het hotel staat uitnodigend open, alsof dit de eigenlijke receptie is.
“Kom maar binnen,” zegt de eigenares vriendelijk en ze leidt me naar het achterste deel van de verlichte winkel. “Ja, er komen wel meer mensen voor het hotel. Daar gaat van alles mis. Kom maar even hier zitten in de warmte. Wil je misschien een kopje koffie? Volgens mij is het hotel niet meer dan een dekmantel. Soms zit er wel een jong meisje dat dan zogenaamd de leiding heeft. Er komen niet zoveel gasten en als ze al komen, dan gaan ze na een dag al ergens anders heen. Ze hebben geen plezier in hun werk en houden niet van hun gasten. Ga toch lekker naar een ander hotel. Estheréa of zo. Of heb je hiernaast al gereserveerd?”

Ik ga achterin de slotenwinkel zitten lezen tot de hotelmanager belt. “Sorry, we hebben het hotel vanavond al om zes uur dichtgegooid. We wisten niet dat je een reservering had. Er is niemand meer die je kan inchecken. Mijn collega zit in Utrecht en ik kan niet komen. We kunnen niets meer doen.” Ze klinkt als een arts die het einde aankondigt. Het is ijskoud en ik heb koorts. Dan herinner ik me een nieuw hotel, aan het begin van de Keizersgracht.

“Goedenavond,” glimlacht het meisje achter de receptie uitbundig, alsof ze me verwachtte. De receptie is stemmig paars gekleurd  en de ruimte is gedecoreerd met gouden spiegels en kleurige boeketten.
Vanuit de donkere bar flakkert kaarslicht en klinkt er muziek. “We zijn echt nét open en zijn nog druk aan het verbouwen. Maar we hebben wel een kamer voor u aan de gracht.” Koudetranen vermengen zich met emotie.

“Wat leuk dat u hier bent,” zegt de barman.”U was ook al in onze andere twee hotels?”
De bar ziet er gezellig uit. Ik heb zin in een glas wijn, maar heb de hele dag nog niet gegeten en vraag om nootjes als bodem in mijn hongerige maag.
“Zal ik even wat voor u bestellen?” zegt de barman uit zichzelf. Een pastaatje of pizza of zo? Dat doen we hier vaker.” Een kwartier later komt hij terug met een bord pasta, een bord salade en een glas wijn.

Voor het kamerraam hangt een vitrage van dunne zwarte draden, dezelfde als boven de bar, en staan twee zwarte stoeltjes naast een grote minibar. Gericht op de Keizersgracht. Zwarte krullen op het oranje behang, stijlvol beddengoed met een donker sprei. Donker gelakte wandtafeltjes met zwarte schemerlampjes erboven. De kamer is aangeraakt door liefde.

Overal in de ontbijtzaal zitten jonge echtparen.  Hoe hebben zij dit hotel zo snel na de opening kunnen vinden?
“Goedemorgen!” De eigenares met kort blond haar geeft me een hand. “Nu we ons groepje hotels uitbreiden komen we er ook achter dat veel hotels in Amsterdam onpersoonlijk en soms erg verwaarloosd zijn. Dit was een van de slechtste hotels van Amsterdam, volgens de boekingssites. Het werd een Hell House genoemd. Gasten renden hier gillend weg.” De eigenares slaat haar hand voor de mond.

“We konden het kopen en wilden er eigenlijk een viersterren-suitehotel van maken. Omdat het een monument is zou de vergunningsprocedure 14 maanden in beslag nemen en daar konden we niet op wachten. In twee maanden hebben we de kamers aangepast. De bar geverfd en aangekleed, de boel opnieuw gestoffeerd. We wilden het low-budget doen, maar dat kan ik niet zo goed, haha. Je wilt toch een mooi sprei op het bed en toch dat bijzondere behangetje.”

“Iedereen reageerde meteen heel positief, dus voorlopig houden we het gewoon zo. Nu gaan we er gewoon het leukste driesterrenhotel van Amsterdam van maken. Er zijn net nieuwe stoelen aangekomen, dus ik ga nog even een stoelendans doen door het hotel. Oh, dit is trouwens mijn zoon, naar wie het hotel is vernoemd.” Een kleine jongen geeft me een hand.

“We zijn net open, maar we trekken nu al een bepaald type gast aan. Veel jonge stellen. Die komen af op de prijs en hoe het hotel eruit ziet. En omdat het nieuw is. Oudere mensen zijn eerder geneigd om naar een hotel te gaan dat ze al kennen.”

“Het belangrijkste van een hotel zijn de mensen die er werken. Je kunt iemand veel leren, maar een enthousiaste uitstraling heeft iemand of heeft iemand niet. Dat zie je meteen bij de sollicitatie. Iemand moet plezier in zijn werk hebben. Dat is het belangrijkste.”

Hotel/ bar Sebastian’s is een warm ingericht boutique-hotel met drie sterren en 26 kamers. Er is een grote gezellige bar die ook voor niet-hotelgasten geopend is. Het hotel is van dezelfde eigenaars als viersterrenhotel King’s Villa en boutiquehotel The Toren en wordt gerund door dezelfde enthousiaste crew. Het hotel heeft gratis WiFi en een minibar op de kamer.

Hotel/bar Sebastian’s, Keizersgracht 15
Vanaf 65 euro

Met hoge temperatuur

Hotel De l’Europe

De telefoon gaat. “Met het conciërgeteam van Hotel De L’Europe. Wij zijn uw komst aan het voorbereiden. Wilt u bruisend of plat water naast uw bed? En op welke temperatuur wilt u de kamer hebben?”
Nooit eerder heb ik dit jaar nagedacht over de ideale kamertemperatuur. Soms was ik al blij dat er een werkende verwarming in de kamer was. Of dat het raam open kon.
“Uh, net boven het vriespunt? Nee, ik weet het niet. Niet te warm en niet te koud,” twijfel ik.
“Dan zetten we hem gewoon op 21 graden. En heeft u morgen om 17 uur tijd voor een rondleiding door de General Manager?”

Ik houd de koffer boven de sneeuwgrens en loop, veel te vroeg, naar het hotel. De vensters van de bar in het imposante Grand Hotel zijn dichtgespijkerd. De ijzige wind blaast tegen de houten ramen en bijt in mijn handen en oren. Voor de gloeiende  vuurkorven die bij de entree staan blijf ik hoestend staan om me te warmen als een zwerver. Op de luifel boven de rode loper staat De l’Europe Suites. Op een tafeltje in de entree staat een doos tissues. Waarschijnlijk is afscheid nemen van dit hotel een emotionele aangelegenheid.

De suite is nog niet gereed, ook al ligt hij in het nieuwe gedeelte, maar ik ga in de bar zitten werken. Deze is tijdelijk ingericht omdat het hele oude gedeelte van het hotel wordt gerenoveerd. “Welkom terug, meneer Van Dijk.”
De barman herkent me van een vorig bezoek. “De bar is de ziel van een hotel,” vertelde hij toen. Kun je een ziel overplaatsen in een nieuw lichaam? Ja. Zelfs in deze tijdelijke opstelling is de ziel van Freddy’s voelbaar. Ik herinner me het cadeautje dat de barman gaf aan een gast, omdat ze de week erna jarig werd en dat hij vervolgens een glas champagne aanbood aan de verraste vrouw en haar vriendinnen.

“Uw kamer is gereed. Zal ik even meelopen?” De blonde gastvrouw stapt samen met mij de lift in. “We hebben verschillende soorten suites, met andere kleuren, telkens gebaseerd op het schilderij dat in de suite hangt. Het zijn allemaal replica’s van werken uit het Rijksmuseum. U slaapt in de Prestige Suite, het grootste type. Met aparte slaapkamer. De hoofdkleur is groen. Het hotel is van Heineken, dus we hebben er een BeerTender neergezet en de chef heeft een aantal amuses voor u bereid die hier mooi bij passen.” Ze loopt samen met me door de grote suite en laat zien hoe alle verlichting aan- en uitgaat, tot en met het automatische voetlicht naast het bed.

Het hoge woongedeelte heeft uitzicht op de bevroren Amstel. Aan de muur hangt een Oude Meester. Langs een kastenwand loop ik naar de grote slaapkamer met uitnodigend zacht bed. Uitzicht op een vide. Ik ga aan de eettafel zitten, geniet van de amuses en de luxe. Dan laat ik het comfortabele bad vullen met groene thee-schuim en dompel me onder. Iets voor vijf schrik ik op en kleed me snel aan.

In de hal staan de gastvrouw, de marketingvrouw en de sommelier van het hotel op me te wachten. “Nogmaals welkom in het hotel. Omdat we nog volop aan het verbouwen zijn, maar toch een indruk wilden geven van de suites en het horecagedeelte, hebben we een rondleiding georganiseerd. We willen eerst een aantal suites laten zien.”

De eerste suite is vrouwelijker dan de mijne. De lampen branden, het is behaaglijk warm en er klinkt muziek. We zijn op bezoek bij een niet bestaande hotelgast. In een koeler staat Champagne. “We doen het in de vorm van een wijnproeverij, want we schenken hier niet alleen bier, hoor! In de suites die we bezoeken staat een fles wijn die past bij de suite.” De sommelier opent de fles, ruikt aan de wijn en schenkt ons een glas in. We brengen een toost uit. De volgende suite heeft een andere kleur, een andere wijn en er klinkt Amazing Grace. “Op mijn laatste avond,” proost ik en neem de surrealistische filmscene en hartelijkheid in me op.

We eindigen in de hal. “Hier is een bouwhelm. De General Manager vindt het leuk om je rond te leiden door het oude deel van het hotel.” Hij geeft me een hand en opent de tijdelijke deur. Opeens staan we op een ijskoude bouwplaats, verlicht door halogeenlampen. We lopen over de los liggende wapening en ontwijken de gaten in de betonvloer.
“Hier komt Freddy’s Bar. Die wordt in oude staat hersteld,” legt de General Manager uit. “Hier komen een wijnbar, een lounge, verschillende restaurants. Over de gehele begane grond. Laten we even naar boven lopen, daar hebben we vast een mock-up-kamer gemaak. Deze is getest en geperfectioneerd. De andere kamers moeten minimaal deze kwaliteit hebben. De kamer is warm rood ingericht.  Het is een kamer die helemaal gereed lijkt, maar nog niet functioneert. In de uiteindelijke versie vriest het niet,” lacht hij. Er komen wolkjes uit onze monden. De sommelier schenkt een glas afgekoelde rode wijn in en we proosten opnieuw. Dan lopen we terug naar de warme entreehal om afscheid te nemen.

“We willen u van harte uitnodigen in ons restaurant, vanavond,” hoor ik een man vriendelijk zeggen, maar opeens wordt het zwart voor mijn ogen. Een hevige koortsaanval. De rookschade enkele dagen eerder heeft het afweersysteem van mijn longen geactiveerd. Een vulkaan die van binnen gloeit, maar me doet rillen. Het hotel heeft alles zo goed voorbereid, maar nu wil ik niets liever dan in een warm bed liggen en vlucht naar boven.

Er wordt geklopt. Een lieve vrouw vraagt of ze de gordijnen mag sluiten. De nachtzuster. Ik wil in de suite blijven, mijn eigen veilige suite.
“Sorry, mag ik roomservice bestellen? Ik heb koorts en ik wil vroeg naar bed,” verontschuldig ik me tegen het driecijferige nummer uit de hotelgids.
“Zullen we een aspirientje meenemen?” vraagt de man aan de telefoon bezorgd.
Even later komen een jongen en een meisje de kamer binnen en dekken geruisloos de tafel. “Onze barman kan een voordat je gaat slapen een grog mixen met rum en citroen. Dan zweet je vannacht alles eruit. Eet smakelijk. Bel maar als we het plateau weer op kunnen halen.”

De kamertemperatuur lijkt het vriespunt te hebben bereikt. Ik ga met badjas aan onder de dekens liggen rillen. Naast het bed staan een flesje bruisend en een flesje plat water die ik allebei dorstig leegdrink. Mijn geest stijgt op en laat mijn trillende lichaam achter in het ruime bed.

Ondanks de hoge koorts geniet ik van de luxe kamer. Ik denk terug aan de laatste reis naar New York, waarbij ik een week lang in een comfortabel hotel lag. Ziek. Voor het eerst genoot ik van ziek zijn. Hoe doen mensen dat die alleen wonen en ziek worden? Zonder roomservice. Zonder de liefde van een hotel?

Niesend verlaat ik de warmte van het hotel.

Hotel De l’Europe is een luxe vijfsterrenhotel in het centrum in een opvallend 19e-eeuws pand. Het is in bezit van Heineken. Op dit moment vindt er een verbouwing plaats in het oude gedeelte. Het nieuw toegevoegde deel met 23 suites is geopend en volledig operationeel. De befaamde bar Freddy’s en het restaurant Relais zijn tijdelijk gevestigd in de nieuwe vleugel. En er zijn meetingzalen en een wellnessgedeelte. Voorjaar volgend jaar opent het hotel met gerenoveerde kamers en nieuwe horeca-outlets, waaronder een nieuwe wijnbar en een fine-dining-restaurant. Freddy’s wordt in ere hersteld. Hotel De l’Europe is aangesloten bij The Leading Hotels of the World.

Hotel De l’Europe, Nieuwe Doelenstraat 2-14
Vanaf 385

In een herberg

Hotel Dam Square Inn

Op de grijze poort met bloedrode houten deuren staat De Drie Fleschjes. Het oud-Nederlandse beeld vormt een contrast met het Amerikaanse blauwe vignet van Best Western boven de entree.

“U bent inderdaad erg vroeg.” De man achter de receptie glimlacht en geeft me een hand. “De kamer is nog niet klaar, maar u kunt uw bagage hier neerzetten en neem een lekker kopje koffie. Mag ik vast uw paspoort, dan kan ik alles vast gereed maken.”

In de hal zit een groep Amerikaanse echtparen die strijden over de excursie van de dag. De groep splijt langzaam in tweeën: de Bloemenmarkt en Het Anne Frankhuis. Moet ik tussen beide springen en zeggen dat ze beter het echte Amsterdam kunnen leren kennen?
“Never travel in a group,” probeert een vrouw mij in de discussie te betrekken.
“Uw kamer is klaar, hoor,” zegt de receptieman net op tijd. “Hier zijn uw paspoort en sleutel.” Op het mapje van de sleutelkaart zijn de log-ingegevens voor internet geprint. Onopvallend, alsof het vanzelfsprekend is.

Als ik de kamer binnenkom springt het licht in de hal direct aan. Niet zoeken naar een lichtknopje, tastend tegen een donkere muur, omdat de deur automatisch dichtvalt,  struikelend over de net neergezette bagage. Ook het licht van de badkamer gaat automatisch aan. Alle nachten dat ik bijna in mijn boxershort plaste, in het donker zoekend naar een toiletpot, flitsen voorbij.

Aan deze kamer heeft een genie gewerkt. Iemand die zijn hele leven in hotels woont. Ook de rest van de kamer klopt. Stopcontacten en lichtknopjes aan weerszijden van het bed. Vol bewondering sta ik te kijken naar de ogenschijnlijk zo neutrale kamer, steek mijn elektronische reisgenoten in het oplaadstations en kruip verliefd in het zachte bed.

Tijdens het ontbijt geeft de manager mij een hand en komt even later bij me zitten.
“Dit hotel is van mijn vader geweest. Bij hem kan ik nog steeds terecht voor strategisch advies. Van hem kwam het plan om te renoveren in de tijd van slechte economie. Briljant. Daar profiteren we nu van. Mijn zus deed het management, totdat ze enorme last kreeg van haar rug. Daarom heb ik het tijdelijk overgenomen. Ik ben gespecialiseerd in Rooms Division. Ik weet hoe ik een hotel vol moet krijgen. Het spel met de kamerprijzen.”

“In vijfsterrenhotels leerde ik dat service zit in hele kleine dingen. Sommige heb ik meegenomen naar dit hotel. Zo staat er hier bij de deur een bak met paraplu’s. Het is zo prettig als je een gast een paraplu kunt geven als het hard regent. En zo’n pot koffie is ook een leuk gebaar. Zo’n gebaar kost niets. Het zijn gewoon de kannen van het ontbijtbuffet, maar het is zo prettig als mensen een kopje koffie kunnen pakken.” Even later komt hij terug met twee vers gezette kopjes koffie.

“Vroeger was dit de likeurstokerij van Bootz. Hiernaast zit nog steeds het proeflokaal De Drie Fleschjes. Dat bestaat al zo’n 360 jaar. We hebben er een eigen vat staan en nemen er wel eens gasten mee naartoe. Groepen en zo. De gevel is nog authentiek, maar alles erachter is opnieuw opgebouwd. Sinds kort zijn we een Best Western-hotel. Dat zorgt voor veel Engelse en Amerikaanse gasten. Die komen ook af op de naam ‘Inn’. Dat is voor Engelsen zoiets als driesterrenhotel. De vertaling is eigenlijk ‘herberg’.”
“Een Inn associeer ik met een bar, maar jullie hebben geen echte bar!” merk ik op.
“Wel hoor,” lacht de eigenaar. “Hiernaast: De Drie Fleschjes.”

“Welk genie heeft de kamers ontworpen?” Ik kan me niet langer inhouden. “Die lichtknopjes die automatisch aanspringen zijn geniaal!”
“Ja, het zijn goeie kamers, hè? Gewoon lekker neutraal. Maar die lichtknopjes, dat was eigenlijk een noodgreep. Omdat er in het nieuwe design kasten tegen de wand van de entree kwamen, was er geen plek meer voor de lichtschakelaar. Daarom hebben we maar een automatische sensor opgehangen,”

Hotel Dam Square Inn is een driesterrenhotel in een bijzonder straatje achter de Dam. Een modern hotel in een pand met een rijke geschiedenis als likeurstokerij. De 38 kamers zijn recent gerenoveerd en comfortabel ingericht, de mensen die er werken zijn hartelijk. Het ontbijt, internet en take-away-koffie zijn inbegrepen.

Best Western Dam Square Inn, Gravenstraat 12-16
Vanaf 115

Met lichte rookschade

Hotel Prinsenhof

Krulletters op de gevel van het statige grachtenpand. De bovenkant van de voordeur gaat open.
“Vincent van Dijk? Kom binnen. Ja, het is nog vroeg, maar je kamer is al gereed, hoor. Hij is niet gebruikt, vannacht.”
Ook de onderkant gaat open. Bovenaan de trap staat een lachende vrouw. De hal ruikt naar sigarettenrook. Op het bureau in de receptie staat een volle asbak.

Ik vraag verbaasd of het bord op de gevel klopt en het hotel maar 1 ster heeft.
“Ja, we hebben maar 1 ster. Er is geen lift in dit oude pand en de kamers zijn vrij klein. Maar jij hebt geluk. We hebben veel annuleringen door het barre winterweer, dus je krijgt de mooiste kamer. Eentje met douche en toilet in de kamer! Hij is helemaal boven in het hotel, maar ik kan je bagage even naar boven takelen met de haak. Dat is echt een fenomeen. Heel veel gasten maken er een foto van. The Hook.”

Ze drukt op een knop aan de muur met de tekst This is not a doorbell eronder en vanaf het plafond daalt een haak neer. Ze hangt de koffer eraan en hijst hem door het trapgat naar de bovenste verdieping. Suïcidaal bungelt mijn hele bezit aan de haak. “Nee, The Hook is niet voor mensen, jij zult toch moeten lopen,” lacht ze.

De kamer is inderdaad groot en gezellig ingericht. Repeterende balken tegen het witte zolderdak. Ondanks de hoogte is het behaaglijk warm. Heeft dit hotel echt maar 1 ster? Een trapje leidt naar het hooggelegen raam met uitzicht op de hijsbalk van het pand wat ooit een pakhuis was. Ook de kamer ruikt naar sigarettenrook, maar het is buiten te koud om het raam ver te openen. Op de tafel staat een asbak. De lucht laat me niesen, maar gelukkig staat er een doos met tissues naast de asbak. Alsof het hotel wist dat ik allergisch ben voor sigaretten.

Midden in de kamer blijf ik staan. Er ontbreekt iets in de kamer, maar ik zie niet direct wat. Er is geen TV. En dat terwijl ik net zin had om lekker uit te rusten voor de televisie, dus ik verlaat het hotel om naar een bioscoop te gaan. In de hal kom ik de overbuurman tegen die me paniekerig aanklampt.
“Where’s the toilet?” vraagt hij, alsof het bijna te laat is.
“Downstairs?”gok ik. Of moet ik hem aanbieden om mijn toilet te gebruiken?

Door een sterke hoestbui word ik wakker, spring meteen onder de douche en neem de trappen naar beneden. Aan de wand van de ontbijtzaal hangt een grote replica van Rembrandts Nachtwacht. Het goud kleurt mooi bij de gele papierplacements op de gedekte tafels.
“Vincent van Dijk? Aangenaam. Leuk dat je hier bent. Wil je koffie?” De hotelmanager geeft me een hand. Hij draagt een comfortabele pullover. Een dikke kat met een halve staart schrijdt de ruimte binnen en schurkt spinnend tegen mijn been. Alsof hij aanvoelt wat ik mis.
Please Note: Feeding the cat will result in doubling your bill. waarschuwt het bordje boven het buffet.

“Toen ik je laatst belde, stond je te kijken bij die brand achter Hotel 717. Dat was best heftig, hè?” Hij zet een kannetje koffie op tafel.
“Ik doe dit alweer 15 jaar. De eerste 5 jaar woonde ik in het hotel maar nu gelukkig niet meer. Dan ben je altijd aan het werk. Dat is zo fijn van zo’n klein hotel. Hier kan ik gewoon rondlopen in mijn trui en heb ik de tijd om leuk praatje met de gasten te maken. Dat bepaalt de sfeer hier.”

“We hebben bewust maar 1 ster. Dan hebben mensen helemaal geen verwachtingen als ze hier komen. Kan het alleen maar meevallen. En als mensen dan klachten hebben over iets, dan kunnen we altijd zeggen: we hebben ook maar 1 ster. Maar onze kamers zijn ook te klein voor meer sterren. En we hebben bijvoorbeeld geen nachtwacht. We hebben wel een brandwacht, iemand die hier de nacht doorbrengt en in actie kan komen als er brand uitbreekt.”

“Was je niet verbaasd dat we geen televisie op de kamers hebben? Volgens mij zijn wij het enige hotel in Amsterdam zonder televisies. Geen TV, dat scheelt echt enorm in de brandveiligheid. Zeker met die oude televisies is er toch wel veel brandgevaar in een hotel.”
“Geen televisie, maar er mag hier wel gerookt worden?” lach ik.
“Ja, daarom hebben we ook asbakken op de kamer. Volgens de wetgeving mag er in hotels gewoon gerookt worden. Een hotelkamer is namelijk privégebied.”

De deur naar de frisse winterlucht klapt in twee delen open.

Hotel Prinsenhof is een gemoedelijk budgethotel op de Prinsengracht ten hoogte van de Utrechtsestraat. Het hotel met slechts 1 ster is rokersvriendelijk, netjes en schoon en wordt gerund door sympathieke mensen. Niet alle tien kamers hebben een toilet en douche op de kamer en er zijn geen televisies, maar het ontbijt is inbegrepen.

Hotel Prinsenhof, Prinsengracht 815
Vanaf 49 euro, vanaf 89 euro met eigen badkamer